Ik zat voor het raam. Het regende pijpenstelen. Met luid geroffel sloegen de druppels uiteen tegen
het venster op de eerste verdieping.
Ik had mijn knieën opgetrokken, mijn kin rustte erop. Ik luisterde naar mijn eigen, trage
ademhaling; staarde door het kletsnatte raam waardoor ik niets kon zien.
Buiten was het grauw, grijs, en zonder enige twijfel waterkoud.
Binnen was het behaaglijk warm en een enkel schemerlampje verlichtte mijn kamer.
De inrichting was minimaal. Een stalen hoogslaper die kraakte bij vrijwel elke beweging die je erin
maakte. Daaronder stond een bureautje, dat vol lag met lesboeken die ik toch nooit inkeek. De
kledingkast, links van de deur, was al even eenvoudig als somber; de wastafel ernaast was dan wel
weer praktisch.
Ik legde mijn kin weer op mijn knieën. De vensterbank onder me was koud. Met mijn hand ging ik naar
het raam, mijn hand gingen langs de koude, metalen spijlen die zouden moeten voorkomen dat ze zich
uit het raam zou werpen, of zo. Alsof ik dat van plan was.
Met mijn linkerhand reikte ik naar het tafeltje naast me. Ik schoof het blauwe pillendoosje naar me
toe. Als elke ochtend slikte ik de antidepressiva waar ik toch niet in geloofde.
Een pilletje was niet de oplossing voor mijn problemen. Die zaten veel dieper.
Ze konden er echter naar vragen tot ze een ons zouden wegen. Ik liet niets los.
Ik keek op de klok. Het was tien voor negen.
Ik schrok wakker.
Nog altijd zat ik op de koude vensterbank. Het zitten deed me pijn.
Vluchtig wierp ik een blik op de klok, waarvan het tikken, naast het onophoudelijke geroffel van de
regen het enige was wat je kon horen. Tien uur al. Ik spitste mijn oren.
Als mijn gehoor me niet bedroog, hoorde ik een auto het grindpad op rijden. Enkele ogenblikken later
zag ik het licht van twee koplampen het terrein van de inrichting op rijden.
Het begon zo mogelijk nog heftiger te regenen.
Mijn blik gleed af langs de grijze, stenen muren van mijn kamertje, naar mijn weekendtas in de
hoek.
Andermaal keek ik uit het raam, naar buiten. De auto was nu dicht genaderd en minderde vaart. Het
gekraak van het grind was nauwelijks te horen boven de wolkbreuk die zich enkele uren eerder had
aangediend.
Ik streek mijn lange, blonde haar naar achteren, legde mijn kin nog eenmaal op mijn knieën, zuchtte
een keer diep, liep naar de hoek van de kamer en pakte mijn weekendtas.
Kort erna. Ik zat in het donkere kamertje van de leiding aan een bureau. Papa zat rechts van me.
André zat tegenover ons, aan de andere kant van het bureau. André was psycholoog, of psychiater; dat
wist ik niet eens zeker. En eigenlijk wist ik ook niet eens wat het verschil precies was. We hoefden
hem echter niet bij zijn achternaam te noemen, zoals sommigen van de leiding wel van ons verlangden.
Dat was fijn. Maar voor het oplossen van problemen maakt het natuurlijk geen verschil.
André keek over een klein uilenbrilletje, dat op het puntje van zijn neus stond, naar zijn
computerscherm. Hij keek ernaar alsof hij mijn status las, maar dan in het Chinees. Of een andere
taal die hij niet machtig was.
André keek even moeilijk naar mij, naar mijn vader en pakte vervolgens een balpen in zijn hand.
“Michelle,” zei hij. De ernstige frons op zijn voorhoofd, waar ik nooit mijn ogen van af kon houden,
was prominenter aanwezig dan ooit. “Het gaat nog niet echt beter, hč?”
Ik omklemde de hengsels van mijn groene weekendtas, wiebelde wat met de neuzen van mijn schoenen.
De psych keek me even overdreven vragend aan. Alsof hij nog niet wist dat hij daarmee bij mij geen
antwoorden los kon peuteren.
Al snel koos de man eieren voor zijn geld en wendde zich tot papa.
“Meneer de Waal,” zei André serieus, terwijl hij zijn brilletje verder naar achteren op zijn
neusbrug plaatste. “Ik heb helaas weinig positiefs te melden… dat is het slechte nieuws. Het,
althans enigszins, goede nieuws is, dat er tevens geen verslechtering is opgetreden in Michelles
situatie. Haar stemmingswisselingen zijn aardig onder controle, dat op zich is goed. Haar
somberheid, depressiviteit kun je eigenlijk wel zeggen, is nog onverminderd ernstig. We weten beide
dat een seksueel trauma hieraan ten grondslag ligt. Michelle is er echter niet klaar voor om dit met
ons te delen…”
André keek me weer aan, over zijn brilletje, alsof hij verwachtte dat ik hem zou onderbreken en
plots mijn hart uit zou storten.
“Ik wil u en uw vrouw nogmaals verzoeken eens goed in uw geheugen te spitten. Ga op zoek naar
aanwijzingen, hoe klein ook. Vanaf wanneer is het begonnen? Met welke opvallende personen ging
Michelle in die tijd om… Enfin, hetzelfde als de vorige keren. Denk er echter wel aan dat ze
inmiddels zeventien is. Als ze over een klein jaartje achttien wordt, zal ze hier moeten
vertrekken…”
Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar papa. Hij keek terneergeslagen, gebroken voor zich uit. Hij
knikte wezenloos.
Vervolgens richtte de psycholoog – of psychiater, geen idee – zich weer tot mij.
“Wil je misschien nog iets kwijt over de afgelopen week, Michelle? Iets voor je vader, of voor
mij?”
Ik knikte kordaat van nee, zonder de man ook maar een blik waardig te gunnen. Ik had geen hoge pet
op van de hele geestelijke gezondheidszorg.
“Dan heb ik verder geen mededelingen meer,” sloot André af, terwijl hij op stond achter zijn bureau.
“Als u er ook geen heeft,” zei hij, zich richtend tot papa, “dan wens ik jullie beiden een fijn
weekend. En tot maandag.”
Papa schudde de hand van mijn behandelaar.
Zonder te groeten draaide ik me om en verliet de kamer.
Totaal verregend drentelde ik, met mijn zware tas, achter papa aan. Mijn blonde haar was donker
verkleurd en plakte aan mijn gezicht. Ik moest constant met mijn ogen knipperen om wat te kunnen
blijven zien.
Ik zag de lichten van papa’s auto knipperen. Hij opende de kofferruimte voor me, waarna ik mijn tas
hierin zette.
Enkele ogenblikken later zaten we in de auto. Papa achter het stuur. Ik in de bijrijderstoel.
De verwarming ging aan en binnen de kortste keren voelde ik mezelf weer op temperatuur komen.
Naar huis. Eindelijk.
Zoals elk weekend.
Zonder de koppeling in te duwen, probeerde papa de auto in zijn achteruit te zetten. De auto
protesteerde hoorbaar. Ik keek opzij, naar papa. Hij keek terug, met een bijna schuldbewuste blik in
zijn ogen.
Nogmaals, ditmaal met overdreven bewegingen, probeerde hij de auto in achteruit te zetten. Ditmaal
met succes en even later rolden we achterwaarts de oprit op.
We hadden nog geen woord met elkaar gewisseld. Dat was in het begin altijd zo, als hij me ’s
weekends ophaalde van het internaat. Dat wisten we van elkaar en we stelden er dan ook geen vragen
meer over.
Ik keek hem weer aan. Hij knikte.
We stapten bijna uit. De regen was wat in heftigheid afgenomen, maar toch rende ik met een gangetje
naar de achterkant van de auto, waarvan papa de klep reeds had geopend. Hij pakte de tas bij de
hengsels en droeg deze over aan mij.
Nadat hij de klep had gesloten, drentelde ik achter hem aan richting de voordeur.
Papa sloot de voordeur achter me.
Het was muisstil in huis. Het soort stilte waarin je het bloed hoort suizen in je eigen oren.
Ik zette mijn tas tussen mijn benen op de grond. Het geluid leek bijna wel gedempt.
Papa klikte het licht in het kleine gangetje aan. Ik zag zijn jassen aan de kapstok, ook een paar
van mij. Links de deur naar de wc, rechts naar de woonkamer. Daar weer naast, de trap naar de eerste
verdieping. Een zolder was er niet.
Ik keek hem in zijn ogen. Ze hadden dezelfde dromerige opslag als de mijne. Ook blauw.
Lichtblauw.
Papa keek terug. Hij deed een kleine stap dichter naar me toe. Hoorde zijn ademhaling.
Ik hield me groot.
Ik voelde hoe hij zijn handen aan weerszijden tegen mijn bovenarmen legde. Zijn handpalmen voelden
warm.
Langzaam gleden zijn handen naar beneden. Naar beneden tot aan mijn navel. Tot de onderrand van mijn
truitje. Hij plukte er wat aan.
Ik hoorde zijn ademhaling. Vóélde deze bijna.
Zijn vingers schoven langzaam onder het truitje.
Ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel. Keek naar opzij. Weg van papa.
Langzaam, heel langzaam schoof hij mijn truitje omhoog.
Zijn vingers langs mijn ribben. Langs mijn pas gekochte behaatje.
Als ware het vanzelfsprekend deed ik mijn armen in de lucht.
Papa trok mijn truitje uit. Hij liet het naast me op de grond vallen.
Zijn ademhaling was hoorbaar.
Hij knielde voor me neer. Sloeg zijn armen rond mijn linkerbeen en knuffelde het alsof het een
geliefde was. Ik voelde hem de spijkerstof die mijn bovenbeen bedekte, kussen. Zijn handen lagen nu
op mijn billen. Langzaam liet hij ze naar voren glijden, naar de sluiting van mijn spijkerbroek.
Een voor een maakte hij de knoopjes los. Kort daarna trok hij mijn broek naar beneden.
Automatisch stapte ik er uit.
Opnieuw knuffelde papa mijn, nu blote, been. Hij kuste het. Ik voelde hem snuiven aan mijn
string.
Plots stond hij op.
Met een ruk verdween hij achter mijn rug. Ik kon hem niet meer zien. Enkel voelen.
Ik voelde zijn handen op mijn schouders. Ze voelden zwaar.
Rustig liet hij zijn handen over mijn rug naar beneden glijden. Rustig, tot aan de sluiting van mijn
behaatje.
Ik had mijn hoofd nog altijd opzij gedraaid. Vanuit mijn ooghoeken probeerde ik hem te zien. Ik zag
hem niet.
Papa maakte de sluiting los. Hij was er handig in.
Ik keek naar beneden, naar mijn borstjes.
Ik zag de bandjes van mijn behaatje onder begeleiding van zijn vingers naar beneden glijden. Mijn
tepeltjes werden zichtbaar. Hij gooide het stukje ondergoed voor mijn voeten op de grond.
Ik voelde de handen van papa om me heen geslagen worden. Ik keek naar beneden. Langzaam legde hij
zijn grote handpalmen over mijn borstjes. Ik voelde hem zachtjes hijgen in mijn oor.
Hij drukte mijn borstjes tegen mijn borstkas. Het deed een klein beetje pijn. Ik slikte een kreuntje
in.
Papa kwam weer voor me staan. Hij hurkte. Nam de hiel van mijn rechterschoen in zijn hand en liet me
er uit stappen. Mijn linkerschoen volgde. Sokjes droeg ik niet.
Daarna kuste hij mijn knieën. Mijn bovenbenen. Het textiel van mijn string. Daarna mijn navel en
buikje, maar mijn borstjes sloeg hij over.
Mijn een hart dat als een razende tekeer ging, keek ik naar beneden naar papa, terwijl hij zijn weg
naar boven vond langs mijn lichaam.
Papa stond weer op. Ging dicht tegen me aan staan.
Om hem aan te blijven kijken, moest ik mijn hoofd in mijn nek leggen.
Ik legde mijn hoofd in mijn nek.
Papa’s handen gleden over mijn onderrug. Ze gleden naar beneden en ik voelde hoe hij rustig, bijna
elegant, in mijn stringetje gleed. Hoe hij zijn handen op mijn billen legde.
Zachtjes masseerde hij ze.
Ik keek hem aan. Hij keek naar mij.
Ik hoorde, vóélde zijn ademhaling.
Hij hoorde de mijne. Dat kon niet anders.
We bleven elkaar strak aankijken, toen hij me, zijn handen nog altijd op mijn billen, stevig tegen
zich aan duwde.
Mijn borstjes prikten in zijn overhemd. Ik voelde zijn borstkas op en neer gaan.
Hij masseerde mijn billen.
Hij was papa, de man die mij had gemaakt. Door hem bestond ik.
Ik was zijn dochter. Ik bestond voor hem. Het was volkomen logisch.
Ik voelde de harde zwelling in zijn spijkerbroek.
Met zijn handen op mijn billen duwde hij me er tegenaan. Liet me er tegenaan schuren.
Hij masseerde mijn billen, trok ze van elkaar.
We keken elkaar strak aan. Geen moment lieten onze blikken elkaar los.
Hij was er voor mij, maar vooral was ik er voor hem.
Mijn gezicht kwam tot het zijne. Ik voelde zijn warme ademhaling.
Ik voelde hem hijgen. Ik voelde de opwinding.
Mijn lippen raakten die van papa. Heel even maar. Een flinterdunne aanraking.
Per ongeluk?
Iedere keer dat hij me, zijn handen op mijn billen, tegen zijn zwelling duwde, raakte mijn lippen
die van papa. Heel even. Razend snel. Heel lichtjes.
Ik keek hem aan. Hij hoorde me zachtjes hijgen.
Ik slikte. Sloot mijn ogen. Probeerde mijn lippen te tuiten om hem te zoenen.
Papa hield echter afstand.
Telkens als ik mijn hoofd, bijna onopvallend, ook maar íéts naar hem toe bewoog, bewoog hij een
stukje van me af, waardoor enkel de flinterdunne aanraking bij iedere keer dat hij me tegen zijn
zwelling duwde, resteerde.
Voorzichtig draaide ik nog mijn hoofd, probeerde hem met mijn tong te verleiden tot een zoen.
Het bleef bij hijgen en voelen.
Zo stonden we even. Lip aan lip. Papa en ik. Elkaar strak aankijkend. Opwinding die zich blééf
opbouwen.
Zijn handen in mijn stringetje. Zijn handen op mijn billen. Masserend.
Ik, op dat kleine stukje ondergoed na, naakt.
Zoals het hoorde.
Daar was ik voor.
Papa had mij gemaakt. Zonder hem was ik niets. Zonder hem had ik nooit bestaan.
Dus was ik voor hem. Bestond ik enkel voor hem.
Zo hoorde het.
Daar ben ik voor.
Toen gleden zijn handen uit mijn broekje. Deed hij een stap terug.
Uit zijn binnenzak haalde hij een zwarte, lederen band. Een lederen band met een metalen ring.
Ik stak beide armen vooruit.
Papa gespte de band open en bevestigde hem stevig rond mijn linkerpols. Ik keek opzij. Hij keek me
niet aan.
Opnieuw ging hij met zijn hand in zijn binnenzak en haalde een tweede band tevoorschijn.
De tweede band ging rond mijn rechterpols.
Ik liet mijn armen weer hangen. Keek naar beneden. Naar mijn slanke, naakte bovenlichaam. Ik zag
mijn borstkas op en neer gaan.
Plots zag ik de hand van papa.
Hij haalde een vinger door een van de ringen. Hij liep voor me uit.
Ik drentelde achter hem aan.
Hij leek zo groot. Hij wŕs groot. Letterlijk, maar zéker ook figuurlijk.
Voor papa was ik op aarde.
Hij trok me met zich mee aan de metalen ring.
We gingen de woonkamer binnen. Het licht ging niet aan.
Daar rechts was een deur.
We liepen naar rechts.
Ik wist het al.