Liv Meulenkamp staarde naar de kleurige rozen die ze net had vastgebonden, haar vingers nog bedekt met een lichte laag aardse geur. Haar kleine bloemenzaak in de bruisende straat van de wijk voelde als een veilige haven, vol met geuren van fresia’s en lavendel die haar gedachten kalmeerden. Maar vandaag kon zelfs de zoete bloemige lucht haar niet afleiden van de brief die op de toonbank lag. Het was een uitnodiging voor het jaarlijkse wijkfestival – niet zomaar een, maar een verzoek om samen te werken met Finn Leenders, de eigenaar van die knusse boekhandel aan de overkant.
Finn. Alleen al zijn naam liet een lichte kriebel in haar borst achter. Ze had hem al maandenlang gadegeslagen vanuit haar etalage, hoe hij met die rustige, bedachtzame bewegingen boeken inrekte of met klanten praatte. Hij was het type man dat niet opviel, maar eenmaal gezien bleef hangen – donker haar dat net iets te lang was, ogen die leken te lezen in de zielen van anderen. Liv schudde haar hoofd. Ze was dertig, een vrolijke bloemiste met een hart vol poëzie die ze nooit deelde. Na haar laatste relatie, die was geëindigd in stille teleurstelling, hield ze haar gevoelens verborgen achter grapjes en boeketten. Geen risico’s meer.
De brief beschreef een ‘woorden-en-bloemenroute’ voor het festival: een wandelpad door de wijk met stops waar boeken en bloemen verhalen vertelden. Het leek perfect voor haar – bloemen als stille poëzie – maar Finn? Dat maakte het ongemakkelijk. Ze kende hem amper, alleen van beleefde knikjes over de straat. Toch voelde het als een vonk, een kans op iets meer. Met een zucht stopte ze de brief in haar tas en sloot de winkel af. Morgen zou ze hem opzoeken.
De bel van de boekhandel klingelde zacht toen Liv binnenstapte. De geur van oud papier en vers inkt vulde de ruimte, een contrast met haar bloemige wereld. Boeken stapelden zich op in hoge rekken, als fluisterende wachters. Finn stond achter de toonbank, een stapel paperbacks in zijn handen. Hij keek op, en zijn ogen ontmoetten de hare een fractie te lang.
“Liv,” zei hij, zijn stem warm maar voorzichtig. “Ik hoorde van het festival. Bloemen en boeken – klinkt als een match.”
Ze lachte, een tikje nerveus, en streek een lok haar achter haar oor. “Ja, ik dacht hetzelfde. Maar ik ben geen dichter. Mijn woorden zijn meer… bloemblaadjes. Jij bent de expert.”
Hij glimlachte, een kleine, scheve grijns die haar hart een slag liet overslaan. “We kunnen het samen doen. Kom, laten we brainstormen.” Hij gebaarde naar een tafel in de hoek, waar thee dampte in twee mokken. De samenwerking begon onschuldig: ideeën over routes, thema’s zoals ‘verloren liefdes’ met rode rozen en gedichten over hartzeer. Maar al snel voelde het intiemer. Finns vingers raakten per ongeluk de hare aan toen hij een schets doorschoof, en Liv voelde een warmte opstijgen in haar wangen. Hij trok zijn hand snel terug, zijn blik afgewend. Was dat verlegenheid? Of iets diepers?
Terwijl ze praatten, dwaalde Liv af naar een rek met poëziebundels. Ze pakte een dun boekje op, en iets viel eruit – een zorgvuldig gevouwen papiertje. Nieuwsgierig vouwde ze het open. In een net handschrift stond: *’In de stilte van een pagina bloeit een gedachte als een verborgen roos, wachtend op de juiste zon.’* Haar adem stokte. Het leek zo op haar eigen, onuitgesproken gedachten over hem – de manier waarop ze hem zag, als een rustige bloem in de schaduw van zijn winkel.
Ze stopte het briefje snel terug, maar haar gedachten tolden. Was dit van hem? Een signaal? Finns stem haalde haar terug. “Alles goed?”
“Ja, gewoon… geïnspireerd.” Ze glimlachte, maar vanbinnen borrelde een opwinding op. Misschien was hij net als zij, een romanticus die woorden gebruikte om te flirten zonder het hardop te zeggen.
De dagen erna vulden zich met ontmoetingen. Ze werkten aan de route: Liv bond bloemen aan lantaarnpalen, Finn hing kleine plaquettes met citaten. Elke keer was er die onderstroom. Finn was warm als hij over boeken praatte, zijn ogen oplichtend bij een mooie regel. Maar dan, als hun blikken te lang hingen, werd hij afstandelijk, mompelend over deadlines. “We moeten focussen,” zei hij eens, terwijl hij een stap achteruit deed toen ze te dichtbij stond om een bloem vast te maken.
Liv voelde de verwarring groeien. ’s Avonds belde ze Mila, haar beste vriendin, die altijd alles doorzag.
“Vertel,” zei Mila door de telefoon, haar stem enthousiast. “Die Finn – hij kijkt naar je alsof je zijn favoriete boek bent. Maar waarom die hot-and-cold?”
“Ik weet het niet,” zuchtte Liv, terwijl ze in haar kleine appartement op de bank plofte. “Ik vond een briefje in zijn winkel. Iets poëtisch, over rozen en gedachten. Het voelde… persoonlijk.”
Mila lachte. “Dat is het! Hij probeert je te zeggen wat hij voelt zonder het te zeggen. Ga ervoor, Liv. Je verdient dit.”
Maar Liv twijfelde. Ze was bang voor teleurstelling, voor het idee dat hij haar zag als alleen een buurvrouw. Toch bleef ze komen, en de briefjes bleven opduiken. Een tweede in een roman over verloren liefdes: *’Woorden zijn als bloemblaadjes – fragiel, maar ze vallen niet zomaar.’* Een derde, in een bundel over eenzaamheid: *’Soms wacht een hart in de schaduw, tot de zon van een glimlach het raakt.’* Elk raakte haar dieper, spiegelde haar eigen stille verlangen naar hem. Ze begon te geloven dat Finn een geheime romanticus was, die haar gevoelens aanvoelde en ze voorzichtig peilde.
Finns wisselende gedrag voedde de spanning. Op een middag, terwijl ze buiten een bloemengirlande vastmaakten, leunde hij te dichtbij. “Je werk is prachtig, Liv. Het brengt de woorden tot leven.” Zijn adem rook naar koffie en papier, en voor een moment dacht ze dat hij haar zou kussen. Maar hij draaide zich om, mompelend: “Ik moet even iets checken in de winkel.”
Verward volgde ze hem. Binnen struikelde ze bijna over een doos met nieuwe boeken die Steven, Finns onhandige medewerker, had neergezet. Steven was een goedhartige reus, altijd struikelend over zijn eigen voeten. “Sorry, Liv! Ik ruimde net op.”
Geen probleem, dacht ze, maar terwijl ze hielp, viel er weer een briefje uit een boek. Dit keer vouwde ze het open in het zicht van Steven. *’Haar lach is als lentebloesem, onverwacht en vol belofte.’* Haar hart bonsde. Dit was te persoonlijk – het moest over haar gaan.
Finn kwam binnen, zijn gezicht bleek. “Wat is dat?”
“Ik… vond dit weer.” Ze hield het omhoog, haar stem trillend. “Finn, als dit een hint is, dan… ik voel het ook.”
Hij staarde, zijn ogen wijd. “Dat is niet… wacht.” Hij griste het briefje weg, zijn handen beefden. Steven keek ongemakkelijk van hen weg.
De tegenslag kwam die avond. Mila belde in paniek: een fout in de planning van het festival – de route was dubbel geboekt, en hun project dreigde geschrapt te worden. Liv rende naar de boekhandel, waar Finn en Steven in chaos zaten. Boeken lagen verspreid, notities verkreukeld. “We verliezen alles,” mompelde Finn, zijn gebruikelijke rust verdwenen.
In de haast pakte Liv een stapel papieren op om te helpen sorteren. Tussen de festivalnotities gleed een velletje uit – een lijst met Finns handschrift, maar dit keer geen poëzie. Het was een notitie: *’Privé-poëzie in lade 3 bewaren. Niet tussen boeken leggen.’* Ernaast stond Stevens naam, met een krabbel: *’Sorry, baas, ik dacht dat het voor de etalage was.’*
Livs adem stokte. Ze keek op, en Finns blik ontmoette de hare. De waarheid daagde. “De briefjes… die waren niet voor mij?”
Finn zuchtte diep, wrijvend over zijn gezicht. “Nee. Ik schrijf ze voor mezelf. Altijd al gedaan, sinds ik klein was. Steven moet ze per ongeluk tussen de nieuwe levering hebben gestopt. Ik was doodsbang dat je ze zou vinden – dat je me zou zien als een sentimentele idioot.”
Schaamte kleurde zijn wangen rood, en hij keek weg, bang voor afwijzing. Liv voelde een golf van opluchting en tederheid. “Maar ze raakten me, Finn. Elke regel voelde als wat ik voor jou voel. Ik dacht dat jij… dat je me probeerde te bereiken.”
Hij keek op, zijn ogen vol verbazing. “Echt? Ik… ik heb maandenlang geprobeerd professioneel te blijven. Omdat ik bang was. Jij bent zo levendig, Liv, en ik ben maar een boekverkoper met woorden in mijn hoofd. Maar ja, ik voel het ook. Al die tijd.”
De miscommunicatie piekte in een stilte, zwaar van onuitgesproken emoties. Steven mompelde iets over thee halen en verdween discreet. Liv stapte dichterbij, haar hand op de zijne leggend. “Dan deel je ze nu met mij. Echt.”
Finns vingers sloten om de hare, warm en stevig. “Goed. Laten we het festival redden – samen.”
De weken erna werkten ze door de chaos heen. Mila hielp met publiciteit, haar enthousiasme een welkome boost. “Zie je wel?” zei ze tegen Liv. “Soms zijn de beste verhalen die van misverstanden.” Steven bood zijn excuses aan, maar zijn fout had iets moois ontketend.
Hun eerste echte moment kwam laat op een avond in de boekhandel, na een lange brainstorm. De winkel was leeg, alleen het zachte licht van een lamp. Finn trok haar zacht naar zich toe, zijn armen om haar heen. “Dit is geen briefje,” fluisterde hij, zijn lippen tegen haar voorhoofd. “Dit is echt.”
Liv tilde haar gezicht op, en hun kus was zacht, warm, oprecht – geen gebaar van grootse romantiek, maar van twee mensen die elkaar eindelijk durfden toelaten. Zijn handen gleden over haar rug, en ze voelde de hitte van zijn lichaam, de vertrouwde geur van papier vermengd met haar bloemige parfum. Het was een belofte, stil en diep.
Het festival brak aan onder een stralende zon. De woorden-en-bloemenroute slingerde door de wijk, met Livs boeketten naast Finns citaten. Bij de laatste stop hing een nieuwe plaquette – geen verborgen briefje, maar een officiële tekst, gedrukt en gedeeld: *’In de schaduw van woorden bloeit een hart als een roos, wachtend op de zon van jouw lach.’*
Liv stond ernaast, Finns arm om haar middel. Ze wist dat deze woorden alleen voor haar waren. De menigte applaudisseerde, maar voor hen was het het begin van iets magisch – een verhaal geschreven in bloemen en inkt, vol belofte.