De zon zakte laag over het slaperige stadje Mondijk, en wierp een oranje gloed over de stoffige straten. Julia staarde uit het raam van de oude pick-uptruck die haar zus Emma bestuurde. De motor ronkte zacht, en de lucht rook naar versgemaaid gras en verre regen. Het was acht jaar geleden dat Julia hier voor het laatst was geweest. Acht jaar vol steden die nooit stil leken te staan, banen die haar opslokten, en nachten waarin ze zich afvroeg of ze haar thuis ooit zou missen. Nu, met haar dertigste verjaardag die naderde, voelde het alsof de tijd haar had ingehaald. Emma’s bruiloft was de perfecte smoes om terug te keren, maar diep vanbinnen wist Julia dat het meer was dan dat.
“Je ziet er gespannen uit,” zei Emma, haar vingers trommelend op het stuur. “Ontspan nou. Het is mijn dag, maar jij bent de eregast. Niemand bijt.”
Julia lachte kort, maar het klonk hol. “Ik ben gewoon… het is lang geleden. Alles ziet er hetzelfde uit. De bakkerij op de hoek, die ouwe eik bij het park. Alsof de tijd hier stilstaat.”
Emma knikte. “Sommige dingen wel. Andere niet. Wacht maar tot je de bar ziet. Thomas heeft hem omgetoverd tot iets speciaals voor de bruiloft.”
Bij het horen van zijn naam verstijfde Julia. Thomas. Haar eerste liefde, de jongen met de scheve grijns en handen die altijd leken te weten waar ze haar moesten raken. Ze waren onafscheidelijk geweest in hun tienerjaren, tot dat ene misverstand alles had verwoest. Ze had hem nooit uitgelegd waarom ze vertrok. Gewoon een briefje achtergelaten op zijn deurmat, en weg. Acht jaar stilte. Haar hart klopte harder tegen haar ribben, en ze draaide haar gezicht naar het raam om de blos te verbergen.
De truck stopte voor een laag gebouw met een verweerde houten gevel. Boven de deur hing een uithangbord: “De Oude Waag”. De bar waar ze vroeger stiekem biertjes dronken en over de toekomst fantaseerden. Nu was het versierd met slingers van witte linten en lampions die zacht wiegden in de avondbries. Muziek dreef naar buiten, een zachte mix van countrynummers en gelach. Julia stapte uit, haar hakken zinkend in het grind. De geur van gegrild vlees en verse bloemen vulden de lucht. Gasten liepen gemoedelijk rond, in nette jurken en overhemden, pratend over oude tijden.
Binnen was het een feest van licht en warmte. Houten tafels stonden vol met glazen en schalen met hapjes: knapperige garnalen, romige cheesecakes en versgebakken brood. De bar zelf was het hart van alles, een lange mahonie toonbank gepolijst tot glans, met flessen die schitterden onder hanglampen. Achter de bar stond een man met brede schouders, zijn donkere haar iets grijzer aan de slapen. Hij lachte naar een groepje gasten, schonk met soepele bewegingen een drankje in. Thomas. Hij zag er sterker uit, volwassener, maar die grijns was hetzelfde. Julia’s adem stokte. Ze greep Emma’s arm vast.
“Adem,” fluisterde Emma. “Hij bijt niet. Kom, laten we hallo zeggen.”
Voordat Julia kon protesteren, loodste Emma haar door de menigte. Thomas keek op, zijn ogen ontmoetten de hare. Even leek de wereld stil te vallen. Zijn glimlach vervaagde, maakte plaats voor verbazing. Hij zette het glas neer, veegde zijn handen af aan een doek, en liep om de bar heen.
“Julia,” zei hij, zijn stem laag en warm, als een deken op een koude nacht. “Ik… had niet verwacht je te zien.”
Ze slikte, haar keel droog. “Thomas. Gefeliciteerd met… de bruiloft. Het ziet er geweldig uit hier.”
Hij knikte, zijn blik gleed over haar gezicht, alsof hij elk detail in zich opnam. “Dank je. Ik heb het voor Emma gedaan. Ze verdient het beste.” Zijn ogen bleven hangen op haar lippen, een fractie te lang. De lucht tussen hen knetterde, vol onuitgesproken woorden. Julia voelde een warmte opkomen in haar borst, een echo van die zomers avonden toen zijn hand in de hare paste als een puzzelstuk.
Emma onderbrak hen met een knuffel. “Ik laat jullie even. Ik moet de taart checken.” Ze knipoogde en verdween in de menigte.
Thomas gebaarde naar een hoektafel, weg van het gedruis. “Wil je iets drinken? Voor old times’ sake?”
Ze aarzelde, maar knikte. Ze liepen samen, hun schouders bijna rakend. De bar voelde vertrouwd, met de geur van eikenhout en vers gezette koffie vermengd met de zoete noten van bloemen. Ze gingen zitten, en Thomas haalde twee glazen bier van de tap. Het schuim borrelde op, koel en uitnodigend.
“Je ziet er goed uit,” zei hij, zijn vingers trommelend op het glas. “Stadse glans past bij je.”
Julia nam een slok, de bitterheid kalmeerden haar zenuwen. “Jij ook. Eigenaar van de Inn. Dat had ik niet zien aankomen. Je was altijd meer het type voor avontuur, niet voor settelen.”
Hij lachte zacht, maar er zat een randje aan. “Leven verandert je. Na… nou ja, na jij wegging, heb ik hier mijn plek gevonden. Dit stadje gaf me stabiliteit. Jij? Nog steeds in de grote stad, jagend op grote dromen?”
Ze keek naar haar handen, de ringloze vingers die ooit zijn initialen hadden gekrast in boomschors. “Ja. Marketingbaantje, appartement met uitzicht op verkeer. Het is… vol, en niet altijd makkelijk.” De woorden hingen zwaar, en ze voelde zijn blik, zoekend, alsof hij de barsten in haar pantser zag.
De avond golfde voort. Gasten dansten op de houten vloer, jurken zwiepten op als bloemblaadjes. Emma en haar verloofde openden de dans, hun lach vulde de ruimte. Julia en Thomas praatten in flarden, over banen, familie, het weer. Maar onder de oppervlakte borrelde het verleden op. Telkens als hun knieën elkaar raakten onder de tafel, trok er een schok door haar heen, warm en bekend.
Later, toen de muziek zachter werd, liepen ze naar buiten voor frisse lucht. De nacht was koel, sterren prikten hier en daar door de wolken. Ze leunden tegen de houten reling van de veranda, glazen in de hand.
“Weet je,” zei Thomas, starend naar de donkere velden, “ik heb me vaak afgevraagd waarom. Dat briefje. Geen uitleg. Ik dacht dat we forever waren.”
Julia’s hart kneep samen. Ze herinnerde het zich levendig: de geruchten die ze had gehoord, een vriend die zei dat Thomas met een ander ging. Jong en onzeker, had ze het geloofd. In plaats van te praten, was ze gevlucht. “Het was stom,” mompelde ze. “Een misverstand. Iemand zei… dingen. Ik was bang, Thomas. Bang om gekwetst te worden.”
Hij draaide zich naar haar toe, zijn ogen glanzend in het maanlicht. “Ik heb je gemist. Elke dag. Maar ik snap het nu. We waren kids. Volwassen zijn betekent littekens dragen, maar ook leren vergeven.”
Ze reikte uit, haar vingers vonden de zijne. Zijn huid was ruw van het werk, maar de aanraking zond een golf van warmte door haar arm. “Vergeving,” herhaalde ze. “Denk je dat we dat kunnen? Na al die tijd?”
Hij kneep zacht, zijn duim strijkend over haar knokkels. “Misschien. Als we het proberen.”
De bruiloftsgasten begonnen naar buiten te stromen, bijna schreeuwend om een laatste dans. Maar Julia hoorde het amper. Ze stonden daar, hand in hand, de wereld kromp tot dit moment. De barlampen flikkerden achter hen, een zacht geel licht dat beloften wierp.
De volgende dag hielp Julia met de opruiming. De bar was een chaos van confetti en lege glazen, maar de zon scheen door de ramen en liet stofdeeltjes dansen in de lucht. Emma was al weg, op huwelijksreis, maar had Julia achtergelaten met een sleutel en een knipoog. “Maak het af. En praat met hem.”
Thomas werkte naast haar, veegde tafels af met een doek die naar frisse citroen rook. Ze werkten in stilte, maar het was een comfortabele stilte, geladen met mogelijkheden. Af en toe ving ze zijn blik, en er flitste een glimlach over zijn gezicht, warm als de ochtendzon.
“Vertel me over je leven,” zei hij uiteindelijk, terwijl hij een stoel optilde. “Echt leven. Niet de mooi opgepoetste versie.”
Julia leunde tegen de bar, haar jurk van gisteren nog aan, verkreukeld maar zorgeloos. “Het is een rollercoaster. Goede dagen waarop ik denk dat ik het heb, slechte waarop ik me afvraag waarom ik niet hier bleef. Jij? Dit plekje runnen, alleen?”
Hij schudde zijn hoofd. “Niet alleen. Vrienden, familie. Maar ja, er mist iets. Of iemand.” Zijn stem daalde, en hij stapte dichterbij. De geur van zijn aftershave mengde zich met de houtnoten van de bar, en Julia voelde haar adem versnellen. Zijn hand raakte haar wang, zacht, aarzelend. “Ik heb nooit opgehouden van je te houden, weet je dat?”
Tranen prikten in haar ogen. Ze legde haar hand over de zijne. “Ik ook niet. Ik was gewoon te bang om het te zien.”
Hun lippen vonden elkaar in een kus die traag begon, vol voorzichtige herkenning, en dan dieper werd, hongerig naar verloren tijd. Zijn armen sloegen om haar middel, trokken haar dicht, en ze voelde de stevigheid van zijn borst tegen de hare. De wereld smolt weg, alleen het zachte gekraak van de vloer en hun ademhaling bleven over. Het was geen tienerkus, vol vuurwerk en onzin. Dit was echt, geworteld in jaren van wachten.
Ze maakten zich los, voorhoofden tegen elkaar. “Tweede kans?” fluisterde hij.
“Ja,” zei ze, lachend door haar tranen. “Laten we het proberen.”
De dagen die volgden waren een wervelwind van kleine momenten. Julia’s verjaardag kwam, en Thomas organiseerde een etentje in de bar, alleen voor hen twee. Kaarsen flakkerden op de tafels, en hij had haar favoriete taart gebakken: chocolade met frambozen, net als vroeger. Ze praatten tot diep in de nacht, over de jaren die ze hadden gemist. Over haar mislukte relaties in de stad, zijn worsteling om de bar draaiende te houden na zijn vaders dood. De littekens waren er, maar ze voelden lichter aan in elkaars aanwezigheid.
Op een avond wandelden ze door het park, waar de eik nog stond, zijn bast gegroefd met oude initialen. Julia’s vinger volgde de letters: T + J. “Weet je,” zei ze, “ik dacht altijd dat we veranderd waren. Maar hier, met jou, voel ik me weer mezelf, als vanouds. Alsof de tijd heeft stilgestaan.”
Thomas trok haar naar zich toe, zijn lippen in haar haar. “We zijn veranderd. Volwassen geworden. Maar de kern? Die is hetzelfde. En dat is genoeg voor een tweede kans.”
Terug in de bar, met de deuren op slot en de lichten gedimd, dansten ze langzaam op een oude, nostalgisch krakende, plaat. Zijn handen op haar heupen voelden vertrouwd, en ze liet zich leiden, haar hoofd op zijn schouder. De emotionele wonden genazen niet in een dag, maar elke aanraking, elke lach, bouwden een brug over de kloof.
Toen Julia’s tijd in Mondijk ten einde liep, stond ze voor een keuze. De stad riep, met haar baan en haar leven. Maar Thomas’ ogen smeekten stil om meer. “Blijf,” zei hij simpel, zijn hand op de hare. “Of kom terug. Geef ons dit…”
Ze koos voor beiden. Een compromis: halve weken in de stad, weekends hier. Het was niet perfect, maar het was echt. En op de dag dat ze vertrok, kuste hij haar op de veranda van de herberg, met de zon die opging over het stadje. “Dit is ons begin,” mompelde hij.
Julia glimlachte, haar hart vol. De littekens zouden slijten, vergeving had ze geheeld. En in de armen van haar eerste liefde, voelde de toekomst als een belofte, warm en vol hoop.
Het verhaal begint goed maar ik wacht op het vervolg. Een tweede kans?