Ik stormde door de smalle straatjes van de Jordaan, mijn laarzen kletsend op het glinsterende asfalt. De regen kwam uit het niets, een zwoele herfstbui die alles deed dampen. Mijn haar plakte aan mijn nek, en mijn tas bungelde half open aan mijn schouder. Ik was te laat voor een koffiepauze, zoals altijd – een grafisch ontwerper van 28 die haar deadlines als excuus gebruikte om niet te veel te leven. Maar vandaag? Vandaag voelde ik een kriebel van nieuwsgierigheid. Misschien was het de grijze lucht die me deed denken aan verhalen die ik ooit zou ontwerpen.
Het koffietentje doemde op, een knus hoekpand met een rinkelende deurbel. Ik duwde de deur open en botste recht tegen een muur van warmte – en een man. Mijn tas kieperde om, pennen en schetsen vlogen alle kanten op. Zijn koffie, dampend en zwart, klotste over zijn overhemd en mijn rok.
“Oh nee!” riep ik, terwijl ik op mijn hurken zakte om de chaos op te ruimen. Mijn wangen brandden al, een bloos die ik niet kon verbergen.
Hij lachte, een laag, droog geluid dat warmer was dan de stoom van zijn beker. “Geen ramp. Ik had toch al een vlek nodig op dit oude ding.” Hij hurkte naast me, zijn vingers strijken langs de mijne toen hij een nat vel papier oppakte. Zijn ogen, grijsgroen als de Jordaan na regen, keken me aan met een speelse twinkeling. Max, stond er op zijn naambordje aan de bar – nee, hij was geen barista, realiseerde ik me. Hij werkte hier gewoon, tussen de planken en de geur van versgemalen bonen.
“Ik ben Sophie,” mompelde ik, terwijl ik een schets van een half ontworpen boekomslag rechtveegde. “En sorry voor de douche.”
“Max,” zei hij, zijn stem kalmerend als een zachte plaat op een regenachtige middag. “En jij bent de beste afleiding op een dag als deze. Kom, ik haal een nieuwe koffie voor je. Op mijn kosten.”
Ik stond op, mijn rok plakkerig tegen mijn benen, maar zijn glimlach maakte het draaglijk. We nestelden ons aan een tafeltje bij het raam, waar druppels ritmisch tikten tegen het glas. De geur van nat asfalt mengde zich met de romige koffie die hij voor me neerzette – met een extra shot vanille, zomaar, omdat hij het goed vond bij mijn ogen.
“Dus, wat doe je als je niet rent door de regen?” vroeg hij, leunend op zijn ellebogen. Zijn overhemd plakte licht aan zijn borst, en ik dwong mezelf niet te staren.
“Ik ontwerp boekomslagen,” zei ik, nippend aan de hete vloeistof. De warmte verspreidde zich door me heen, een welkome gloed. “Verhalen vangen in kleuren en lijnen. Jij?”
“Zijn ogen lichtten op. “Boekverkoper, twee straten verderop. Ik verkoop verhalen, jij maakt hun gezicht. Dat is een match.”
Ik lachte, een trillen in mijn borst dat voelde als een vonk. Verlegen als ik was, met mijn routine van schermen en solo-avonden, durfde ik het aan: “Vertel eens, welk boek zou jij voor mij kiezen?”
Hij dacht even na, zijn vinger tikkend op de rand van zijn beker. “Iets over een vrouw die uit haar schulp kruipt. Met een vleugje avontuur. Zoals jij, nu.”
Mijn blos kroop hoger. We praatten door, over favoriete auteurs en hoe regen de stad romantischer maakte. De middag gleed voorbij in een waas van gelach en verhalen. Toen de bui luwde, maar de straten nog glommen, stond hij op. “Kom mee naar mijn winkel. Ik heb een droog plekje – en misschien een boek dat bij je past.”
Ik aarzelde een seconde, mijn hart bonzend. Impulsief? Ik? Maar zijn grijns trok me mee. “Oké, waarom niet.”
Zijn winkel was een toevluchtsoord, een knusse boekenzaak vol stoffige planken en de zachte klanken van oude jazz uit een krakende platenspeler. De regen tikte nu gedempt tegen de etalage, en de lucht rook naar vergeeld papier en versgebakken koekjes van de bakker naast. Max hing zijn jas over mijn schouders – warm, met een vleugje van zijn geur, hout en koffie. “Beter?” vroeg hij, zijn hand even op mijn arm.
Ik knikte, de hitte van zijn aanraking contrasterend met de koele stof. We dwaalden door de gangpaden, zijn vingers die af en toe langs de mijne streken als hij een boek aanwees. “Dit,” zei hij, een oud gebonden exemplaar uittrekkend. “Over een ontwerper die verhalen tot leven wekt. Net als jij.”
Ik bladerde erin, mijn vingers tintelend. “Het voelt… vertrouwd.” Onze blikken haakten in elkaar, en de jazz vulde de stilte met een zwoele bas.
“Je bent nat geworden door mij,” mompelde hij, dichterbij leunend. “Laat me het goedmaken.” Zijn hand gleed naar mijn wang, zijn duim strijkend over mijn blozende huid. Ik voelde de warmte opborrelen, een golf die van mijn buik naar mijn tenen trok.
Ik slikte, nieuwsgierig en verlegen tegelijk. “Hoe dan?”
Zijn lippen krulden in een ondeugende glimlach. “Zo.” Hij boog voorover, zijn mond zacht op de mijne. De kus was traag, proevend, als de eerste slok koffie na regen. Mijn handen vonden zijn schouders, de stof van zijn overhemd warm onder mijn palmen. De jazz zwol aan, een saxofoon die pulseerde als mijn hartslag.
Ik trok me even terug, blozend. “Dit is… impulsief voor mij.”
“Goed impulsief?” vroeg hij, zijn adem warm tegen mijn oor.
“Ja,” fluisterde ik, en dit keer nam ik het initiatief. Mijn lippen vonden de zijne, hongeriger nu. Zijn handen gleden naar mijn taille, trokken me dichterbij. De jas gleed van mijn schouders, en ik voelde de hitte van zijn lichaam tegen het mijne, een cocoon in de schemerige winkel. Zijn vingers streken over mijn rug, plagend licht, en ik huiverde – niet van de kou, maar van de tinteling die opvlamde.
We struikelden naar een zithoek achterin, omringd door torens van boeken. Hij tilde me op de rand van een oude leunstoel, zijn knieën tussen de mijne. “Je bent mooi als je bloost,” mompelde hij, zijn lippen nu op mijn nek, warm en vochtig. Ik boog mijn hoofd achterover, de geur van zijn huid – muskus en regen – vulde mijn zintuigen. Mijn handen gleden onder zijn overhemd, voelend de gladde warmte van zijn borst, het ritme van zijn adem die sneller werd.
“Max,” zuchtte ik, mijn vingers in zijn haar gravend. Hij kuste lager, over mijn sleutelbeen, zijn handen die de knopen van mijn blouse losmaakten met een trage, attente zorg. De stof viel open, en de koele lucht kuste mijn huid, maar zijn mond volgde meteen, warm en uitnodigend. Een golf van hitte trok door me heen, pulserend, en ik drukte me tegen hem aan, voelend hoe zijn opwinding groeide, hard en belovend tegen mijn dij.
“Jij maakt me gek,” gromde hij zacht, zijn handen op mijn heupen, knedend… zachtjes met een speelse druk. Ik lachte, een trillend geluid, en trok hem naar me toe voor een diepe kus. Onze tongen dansten, traag en dan sneller, als de jazz die om ons heen zweefde. Mijn rok schoof omhoog, zijn vingers streken over mijn dijen, plagend langs de rand van mijn ondergoed. Ik hijgde in zijn mond, de sensatie een warme kriebel die zich opbouwde, laag en intens.
“Vertel me wat je wilt,” fluisterde hij, zijn ogen zoekend in de mijne, kwetsbaar en warm. Ik dacht aan zijn rust, hoe hij mijn chaos kalmeerde, en durfde het: “Jou. Nu.”
Hij glimlachte, dat droge, charmante trekje, en tilde me op, zijn armen sterk om me heen. We bewogen naar de achterkamer, een klein kantoor met een versleten bank en stapels ongeopende dozen. De regen tikte harder nu, een ritme dat matchte met ons. Hij legde me neer, zijn lichaam over het mijne, kussend en strelend met een attentheid die me deed smelten. Zijn handen verkenden, zacht en dan hongerig, voelden elke curve, elke trilling. Ik boog me naar hem toe, mijn nagels over zijn rug, en voelde hem sidderen – een kwetsbare echo van zijn eigen recente breuk, die hij eerder had laten doorschemeren in een terloops verhaal over een ex die te voorspelbaar was.
“Je bent anders,” mompelde hij tegen mijn huid, zijn lippen op mijn borst, warm en nat. “Je maakt verhalen echt.” Ik lachte zacht, mijn handen gleden lager, hem van zijn broek bevrijdend. Zijn opwinding sprong vrij, hard en heet in mijn greep, en hij kreunde, een laag geluid dat door me heen trilde. Ik leidde hem, impulsief en nieuwsgierig, en hij volgde, glijdend in me met een langzame, diepe stoot die ons beiden deed hijgen.
De sensatie was overweldigend – warm, pulserend, een ritme dat bouwde als de jazz. Zijn heupen bewogen, traag en dan sneller, zijn handen in de mijne verstrengeld. Ik sloeg mijn benen om hem heen, elke golf voelend, elke stoot die dieper ging, de hitte die opvlamde tot een gloed. Mijn blos was nu overal, mijn lach mengde zich met zuchten, en hij kuste me door, zijn tong spelend met de mijne.
“Meer,” fluisterde ik, mijn nagels in zijn rug, en hij gehoorzaamde, zijn tempo versnellend, de bank kreunend onder ons. De climax bouwde op, een tintelende druk die barstte in een golf van genot – mijn lichaam spande zich, trillend, en hij volgde, warm en diep, zijn kreun in mijn oor klonk als een belofte.
We lagen daar, hijgend, de regen nu een zachte fluistering buiten. Zijn vingers streken door mijn haar, attent en teder. “Dat was… onverwacht goed,” zei ik, blozend maar grijnzend.
Hij lachte, dat droge geluid weer. “Goed genoeg voor een tweede hoofdstuk?”
Ik knikte, mijn nieuwsgierigheid gewekt. Terwijl we ons aankleedden, wees hij naar een schetsboek op het bureau. “Dat is mijn geheim,” zei hij, een tikje kwetsbaar. “Ik teken. Boekomslagen, in mijn vrije tijd. Nooit laten zien, tot nu.”
Ik pakte het op, bladerend door lijnen die verhalen ademden – net als de mijne. “Dit inspireert me,” zei ik, impulsief een potlood grijpend. “Laten we er eentje samen maken. Voor ons verhaal.”
Zijn ogen lichtten op, en hij trok me naar zich toe voor een zachte kus. “Tot snel, Sophie. Dit is nog maar het begin.”
Buiten was de regen gestopt, de straten glimmend in het afnemende licht. Ik liep naar huis, mijn tas lichter, mijn stappen lichter. Voor het eerst in tijden voelde ik me niet routineus – maar vol vonken, klaar voor het volgende hoofdstuk.