Normaal gesproken is dit mijn vrouw haar ding. Ik kom hooguit mee als er echt iets speelt. Deze keer kon ze niet, en ik was al laat. Ik jogde half over het plein, nam de trap met twee treden tegelijk en stapte bezweet het lokaal binnen. Het lokaal was leeg en stil. De stoeltjes stonden in keurige rijtjes, kinderlijke tekeningen hingen nog op het bord geplakt met gekleurde tape. Ik bleef even staan in de deuropening, veegde met mijn mouw over mijn voorhoofd en probeerde mijn ademhaling weer onder controle te krijgen.
Achter me klonk een rustige stem: “Koffie?” Ik draaide me om. Bianca stond bij het aanrechtje in de hoek, mok in de hand. Ze droeg een donkerblauwe rok en een witte blouse, mouwen een stukje opgerold. Haar haar zat in een losse staart, een paar plukken vielen telkens terug langs haar wang als ze bewoog. Ze keek me aan met die kalme, bijna te kalme ogen: “Graag,” zei ik, en ik liep naar haar toe.
Ze reikte me de mok aan. Onze vingertoppen raakten elkaar net iets langer dan noodzakelijk. Warm porselein, en daaronder iets anders. Ik nam de mok over en voelde hoe mijn hand even trilde, van het rennen, hield ik mezelf voor. Ze gebaarde naar de twee stoeltjes voor haar bureau. “Ga zitten. Je bent precies op tijd. De vorige is net weg.”
Ik liet me zakken, nog nahijgend. De ruimte rook naar haar: licht bloemig, met een zachte vanille die zich vermengde met schoolkrijt en oud papier. Mijn eigen zweet hing er nog omheen; ik hoopte dat het weg zou ebben. Ze ging zitten, sloeg een map open, maar keek me eerst een paar seconden gewoon aan. Niet vorsend. Eerder aanwezig: “Je hebt het duidelijk gehaast,” zei ze zacht. Er zat een heel klein glimlachje in haar stem. “Alles goed?”
Ik knikte, nam een slok, zwart, precies goed, zonder dat ik het ooit had gezegd, en mompelde iets over files en een uitgelopen overleg. Ze lachte bijna onhoorbaar, een geluid dat meer in haar keel leek te ontstaan dan in haar mond. “Dat herken ik.” Ze bladerde even, maar haar ogen kwamen steeds weer bij mij terug. Niet lang. Net lang genoeg om op te vallen: “We hebben tien minuten,” zei ze, terwijl ze de map een klein stukje mijn kant op schoof. “Maar als je langer wilt blijven, er komt vanavond niemand meer.”
Ze leunde iets naar voren, ellebogen op het bureau, kin op haar gevouwen handen. De stof van haar blouse spande zich zacht over haar borst toen ze ademhaalde. Het was geen strakke blouse, geen provocerend model, maar de lichte welvingen van haar borsten tekenden zich duidelijk af onder de dunne witte stof. Ondanks de bh die ze droeg, waren de contouren van haar tepels vaag zichtbaar, twee kleine, subtiele verheffingen die zich licht aftekenden bij elke rustige inademing. Niets overdrevens. Gewoon genoeg om het op te merken.
Je blik bleef daar een fractie van een seconde te lang hangen. Niet bewust, niet opzettelijk, maar lang genoeg dat je het zelf voelde. Je ogen schoten snel terug naar haar gezicht, bang dat ze het gemerkt had. Je wangen werden warm. Je concentreerde je op de map, op de koffie, op wat dan ook.
Maar ze had het gezien. Bianca’s beroep was observeren. Ze zag dagelijks hoe kinderen hun hoofd schuin hielden als ze iets spannend vonden, hoe ze friemelden als ze logen, hoe hun ogen even wegkeken als ze iets wilden verbergen. Ze zag het bij volwassenen ook. Het was geen oordeel, geen afkeuring. Het was gewoon wat ze deed. En nu keek ze naar jou, met diezelfde rustige, aandachtige blik. Ze zei niets. Ze glimlachte niet eens extra. Ze liet de stilte even hangen, precies lang genoeg dat je wist dat ze het had geregistreerd. Toen ademde ze langzaam in, en de stof bewoog weer, bijna onmerkbaar. Alsof ze het moment verlengde zonder het te benoemen.
“Vertel,” zei ze uiteindelijk. “Hoe gaat het thuis met hem?” De koffie was heet. De ruimte stil. Voor het eerst die dag voelde ik mijn schouders een fractie zakken. Je kijkt naar de map. Bovenop ligt een tekening: huis, zon, hond, vier poppetjes. Jullie gezin. Je wijst ernaar en leunt iets naar voren om beter te kijken. Je schouder komt daardoor dichter bij de hare, maar er is nog geen contact. Nog niet.
“Mooi hè,” zeg je rustig, terwijl je met je vingertop heel licht langs de rand van het papier gaat. “Zelfs de hond heeft de goede kleur. Thuis vergeet hij dat altijd.” Bianca leunt ook voorover. Haar hoofd draait een klein beetje jouw kant op. Je voelt de warmte die van haar afkomt, en weer die geur, nu iets dichterbij, iets persoonlijker. Je ziet de kleine sproetjes op haar neusbrug, de manier waarop haar lippen heel licht vaneen gaan als ze ademt.
Ze volgt je vinger met haar ogen. “Hij heeft er plezier in gehad,” zegt ze. Haar stem is zachter geworden, lager, alsof ze niet wil dat de gang het hoort. “Jij bent altijd de langste op zijn tekeningen.” Ze blijft zo zitten. Half over het bureau. Jullie hoofden nu dichterbij dan een leraar en een ouder normaal zouden moeten zijn. Ze kijkt naar de tekening, maar haar blik glijdt langzaam, bijna onwillig, naar jou.
Stilte. Langer dan comfortabel is. Je laat je vinger rusten op het papier, vlak bij de hare. Niet erop. Gewoon dichtbij genoeg dat de warmte voelbaar wordt. “Jij staat er ook op,” zeg je zacht, en je wijst naar het kleine figuurtje met rokje en lang haar. “Altijd met een glimlach.” Ze volgt je blik. Er trekt een heel lichte blos over haar jukbeenderen, zo subtiel dat je het bijna mist in het schemerige lokaallicht.
“Dat doet me goed,” mompelt ze. Iets in haar stem klinkt nu anders. Minder afstandelijk. “Soms vraag je je af of ze het zien, die kleine dingen.” Ze verroert zich niet. Jullie zitten nog steeds voorover geleund. Haar adem is nu dicht genoeg dat je hem op je wang voelt, heel licht. Haar pink ligt ontspannen op de rand van de map, op nog geen centimeter van de jouwe.
De klok tikt. Buiten klinkt vaag een stem in de gang, maar hierbinnen lijkt de wereld te krimpen tot alleen dit bureau, deze twee handen, deze ademhalingen. Na een paar tellen kijkt ze op. Recht in je ogen. Geen uitdaging. Eerder een vraag die ze niet hardop stelt: “Hij lijkt op jou,” zegt ze zacht. “Rustig. Maar er gebeurt van alles achter die ogen.”
Je voelt warmte naar je gezicht trekken: “Dat hoor ik vaker,” zeg je. “Maar in jouw klas lijkt hij vrijer.” Ze houdt je blik vast. Langer. Veel langer dan nodig is. “Misschien voelt hij zich gezien,” fluistert ze bijna. “Dat probeer ik.” Haar pink beweegt. Een paar millimeter. Net genoeg dat de zijkant van jullie handen elkaar raakt. Een contact zo licht dat het bijna toevallig lijkt. Maar het is niet toevallig. En jullie halen allebei geen van beiden je hand weg. Je hart slaat een slag extra. Je ademt diep in door je neus, weer die geur, en zegt, nog zachter: “Dat lukt je.”
Ze glimlacht niet meteen. Ze kijkt je alleen maar aan, haar ogen donkerder in het zachte licht, alsof ze je woorden even laat landen. Dan drukt haar pink heel bewust, heel licht terug: een klein, stil teken dat ze jouw aanraking voelt en beantwoordt. Ze bijt een fractie van een seconde op haar onderlip, kijkt weer naar de tekening en zegt zacht, bijna fluisterend: “Ik blijf hier vaak nog even na zo’n avond. Opruimen. Nakijken. Het is dan zo stil… en dat vind ik eigenlijk wel fijn. Die rust.”
Ze heft haar hoofd weer op en kijkt je recht aan. “Jij ook? Vind jij die stilte hier ook prettig?” Haar hand ligt er nog steeds. De aanraking voelt nu warmer, bewuster, alsof jullie allebei weten dat dit geen toeval meer is. Jullie testen hoe ver die grens rekt, zonder het hardop te zeggen. Je laat je duim traag een klein kringetje draaien over haar knokkel. Een klein gebaar, maar genoeg om haar adem even te laten stokken.
“Ja,” zeg je zacht, je stem lager dan daarnet. “Die stilte… daar denk ik soms aan. Hoe dat zou voelen als er niemand meer is. Alleen wij twee.” Ze knijpt één keer licht in je hand, een warm, kort kneepje dat door je arm trekt. Dan laat ze los, maar haar vingertoppen blijven waar ze zijn, alsof ze het contact nog niet wil verbreken.
“Volgende week vrijdag is de laatste dag voor de kerstvakantie. We ronden dan af met een leuk programma-onderdeel in de middag: ‘Wat doet mijn vader of moeder?’ De kinderen mogen iemand uitnodigen die kort en ludiek komt vertellen over zijn of haar werk. Niets saais, hoor, gewoon iets leuks, met een paar voorwerpen of een grappig verhaal erbij. Jouw zoon heeft al een paar keer enthousiast over jou verteld, dus ik dacht… misschien heb jij zin om te komen? Het duurt niet lang, en daarna is iedereen snel weg.”
Ze zegt het kalm, professioneel, met een lichte twinkeling in haar ogen die je niet helemaal kunt plaatsen. Geen woord over wat er ná de korte presentatie zou kunnen gebeuren. Maar de uitnodiging hangt daar: na schooltijd, in het lege lokaal, met niemand die nog kijkt of stoort.
Je knikt langzaam: “Half vier,” zeg je. “Ik zal er zijn.” Haar duim glijdt één keer, traag, over de binnenkant van je pols. Een rilling trekt door je arm omhoog. Dan trekt ze haar hand terug, slaat de map dicht, staat op en loopt naar het bord. Ze veegt een paar krijtstrepen weg, langzaam, bewust. Je kijkt naar de lijn van haar rug, de lichte beweging van haar heupen.
Ze kijkt even over haar schouder, haar ogen vinden de jouwe, en ze glimlacht heel klein, bijna alleen met haar mond. Dan zegt ze niets meer. Ze hoeft ook niet. Je staat op, pakt je jas. Bij de deur blijf je staan: “Tot vrijdag, Bianca.” Ze leunt met haar rug tegen het bord, armen losjes over elkaar: “Tot vrijdag,” antwoordt ze. Haar stem is warm, laag, en blijft als een belofte in de lucht hangen als de deur achter je dichtvalt.
Die avond, als de kinderen slapen, trilt je telefoon.
Onbekend nummer.
“Goedenavond” Dit is Bianca. Ik hoop dat je het niet erg vindt dat ik je nummer uit het ouderdossier heb gehaald. Bedankt voor het fijne gesprek vanavond. Fijn dat je even langer bleef om alles door te nemen.
Je leest het bericht een paar keer. Je typt, na even nadenken: “Goedenavond Bianca, Helemaal niet erg. Ik vond het ook fijn. Goed om even rustig te kunnen praten.”
Ze is online. De drie puntjes verschijnen: “Graag gedaan. Slaap lekker (lach emoji)
De rest van de week wordt het een stille, hete draad tussen jullie telefoons. Berichten die later op de avond komen, wanneer de kinderen slapen en de wereld stilvalt. Stemmemo’s die je in het donker afluistert, haar stem zachter en lager dan overdag. Foto’s van een leeg lokaal in avondlicht, of details die alleen jij herkent.
Maandagavond: rond half elf: Bianca: “De kinderen zijn net naar bed. Ik zit nog even met een kop thee in het lokaal: nakijken. Denk aan hoe leuk vrijdag wordt met jouw verhaal. Heb je al iets bedacht?
Jij: “Iets over een typische dag op kantoor, met die ene rare meeting waar iedereen in lachen uitbarstte. Hij vindt het altijd grappig als ik dat vertel.”
Bianca: “Klinkt goed. De kinderen houden van echte verhalen. En ik ook (lach emoji) (Je voelt al dat het niet alleen over de kinderen gaat.)
Dinsdagavond: Bianca stuurt een foto: het lege lokaal bij schemering, zon die rood door de ramen valt, stoeltjes netjes opgestapeld: “Zo ziet het eruit als de bel net gegaan is. Rustig. Bijna… leeg.”
Jij: ”Mooi licht. Maakt het lokaal anders. Alsof het wacht op iets.”
Bianca: (na een minuutje): “Misschien wel.”
Woensdagavond, later: Bianca: “Vandaag droeg ik weer die witte blouse. Die van ons gesprek. Voelt een beetje gek om hem aan te hebben, wetend dat jij hem gezien hebt… en dat je misschien iets langer keek dan je van plan was. (Je hart slaat een slag over. Ze zegt het niet beschuldigend, eerder met een lichte, speelse twinkeling in de woorden. Ze heeft het dus écht gezien, en ze herinnert je eraan zonder het hardop te benoemen als iets fout.)
Jij: “Ik… ja. Ik probeerde niet te staren. Maar het lukte niet helemaal. Sorry als het opviel.”
Bianca (na een korte pauze): “Het viel op. Maar het stoorde niet. Integendeel. Ik dacht eraan tijdens de les. Elke keer dat ik iets op het bord schreef, voelde ik je blik nog… ergens in mijn rug. Of lager. (Je ademt scherp in. Ze geeft niet alleen toe dat ze aan jou dacht terwijl ze werkte – ze koppelt het direct aan dat moment waarop jij keek, en maakt het fysiek, zintuiglijk. De hitte bouwt op zonder dat iemand het expliciet benoemt.)
Donderdagavond, laat: één stemmemo: (Haar stem kalm, professioneel, maar met een zachte, bijna warme ondertoon die er overdag niet altijd is): “Goedenavond. Ik heb net alles nog een keer nagekeken voor morgen. De presentatie is helemaal klaar. Denk dat de kinderen het leuk gaan vinden wat je meebrengt… goed gereedschap is tenslotte het halve werk, toch?”
Een korte pauze, haar ademhaling rustig, maar je hoort een lichte glimlach in haar stem bij die laatste zin: “Tot morgen. Slaap lekker.”
Je speelt het één keer af, dan nog een keer. De zin over “goed gereedschap” blijft hangen. Je typt terug: “Dank je. Ik zorg dat ik alles bij me heb en goed opgeborgen. Tot morgen, Bianca.”
Je verstuurt het en voelt meteen de lichte kick: het is onschuldig genoeg om te ontkennen als het ooit ter sprake komt, maar de woorden “goed opgeborgen” hangen daar als een stille echo van haar opmerking. Het is een kleine, ondeugende bal die je terugkaatst; precies hard genoeg om haar te laten glimlachen (of blozen) als ze het leest.
Ze reageert niet meteen. De drie puntjes verschijnen even, verdwijnen, verschijnen weer. Dan: Bianca: (Lach emoji) “Goed om te horen. Tot morgen dan.”
Die ene emoji zegt meer dan woorden. Ze heeft het begrepen. En ze vindt het leuk.
Vrijdagochtend, vroeg: “Bianca: Goedemorgen. Alles staat klaar hier. Ik heb er zin in.”
Jij: “Ik ook!”
Bianca: “Mooi. De deur staat op een kier als je komt.”
Vrijdagmiddag: Je arriveert iets voor drie uur op school, zoals afgesproken. Je zoontje is nog in de klas,
maar zodra de bel gaat, rent hij enthousiast naar je toe. “Papa! Je gaat vertellen over je werk!”
Bianca vangt je blik over de hoofden van de kinderen heen. Ze glimlacht rustig, professioneel, maar haar ogen blijven een seconde langer hangen. “Fijn dat je er bent.”
De presentatie verloopt soepel. Je vertelt over je werk, laat een paar grappige voorwerpen zien, de kinderen lachen en stellen vragen. Bianca staat aan de zijkant, armen losjes over elkaar, en kijkt naar je. Niet alleen naar wat je zegt, maar hoe je staat, hoe je gebaart, hoe je lacht. Haar blik is aandachtig, warm, en af en toe glijdt hij naar je handen. Je voelt het. Zij weet dat je het voelt.
Als het uur om is, bedankt ze je hardop voor de hele groep. “Wat een mooi verhaal. Dank je wel.” De kinderen klappen, pakken hun tassen, en druppelen de gang in.
Je helpt nog even opruimen, zoals je had beloofd. Bianca en jij alleen in het lokaal nu. Ze loopt naar het bureau, pakt wat spullen bij elkaar. Jullie bewegen synchroon, zonder woorden nodig te hebben. Als je een map van het bureau pakt, reikt zij tegelijkertijd naar dezelfde hoek. Haar vingers strijken langs de rug van je hand, langzaam, alsof het per ongeluk is, maar ze trekt niet meteen terug. De aanraking blijft hangen, warm, bewust. Ze kijkt omlaag naar jullie handen, dan omhoog naar jou. Haar lippen gaan een fractie van een, maar ze zegt niets.
Even later reikt ze langs je heen naar een plank in de kast. Haar borst raakt heel licht je rug, een zachte druk die amper een seconde duurt. Je voelt haar adem in je nek. Ze fluistert bijna: “Dank je. Je bent handig.”
Je draait je half om. Jullie staan nu oog in oog, op nog geen armlengte. Ze kijkt naar je mond, dan naar je ogen. Haar wangen hebben een lichte kleur. Ze bijt even op haar onderlip, hetzelfde gebaar als maandagavond, en zegt zacht: “Het is nu echt stil, hè.”
Je knikt. “Ja. Precies zoals we het ons voorstelden.”
Dan klinkt er geluid in de gang. Voetstappen.
Je vrouw komt binnen, met jullie zoontje nog even aan de hand. “Hoi schat, ik was toch in de buurt en hij wilde je nog even zien na je verhaal.” Ze kijkt rond, glimlacht vriendelijk naar Bianca. “Wat een leuk lokaal. Dank je wel voor alles.”
Bianca knikt, professioneel en warm tegelijk. “Graag gedaan. Hij was geweldig vandaag.”
Je vrouw kijkt op haar horloge. “Ik moet door, ik heb nog een afspraak. Kom je mee, lieverd?” Ze trekt jullie zoontje zachtjes mee. Hij zwaait enthousiast. “Tot straks papa!”
De deur valt dicht achter hen.
Stilte.
Jullie staan alleen.
Bianca loopt langzaam naar de deur, draait de sleutel om, een zacht klikje. Ze leunt even met haar rug tegen het hout, armen losjes langs haar lichaam. Ze kijkt je aan, zonder haast.
“Nu is het echt leeg,” zegt ze zacht.
Je loopt een stap dichterbij. De ruimte krimpt tot alleen jullie twee, het bureau, de late middagzon die langzaam dooft.
Mooie opbouw, ben benieuwd hoe dit verder gaat lopen.
TheThe,
Mooie opbouw van de spanning; misschien iets te lang..
Een open einde met een twist, waardoor een lezer verschillende scenario’s zou kunnen invullen..
Een derde persoon waardoor Bianca en “Jij” af en toe wat moeilijker te volgen zijn en waardoor de vaart in het verhaal teveel wordt afgeremd.
Je blijft een goede schrijver, maar hier ga ik niet verder dan 4 sterren.
Mvg