Een verslavende cyclus van lust

De mist kroop over de rotsen als een levend wezen, slierten grijs die de kuststad in een sluier hulden. Ik, Elias, klom elke avond de trap van de oude vuurtoren op, mijn laarzen zwaar van zout water. De stad beneden was een spookachtig silhouet, huizen met ramen als donkere ogen, en de zee die gromde als een hongerig beest. Ik was de wachter, de eenzame visser die het baken brandend hield, maar de nachten voelden leeg, als een net dat leeg terugkwam.

Die eerste avond, toen de maan door de mist prikte, hoorde ik het. Een fluistering, niet van de wind, maar van iets diepers. Ik daalde af naar het strand, mijn lantaarn schommelend in mijn hand. De golven likten aan de rotsen, en daar, half in het schuim, lag ze. Lira. Haar huid glinsterde als parels in het schemerlicht, haar haar een waterval van zeewier dat bewoog alsof het ademde. Ze was vastgebonden, ketens van wier en steen om haar polsen en enkels, alsof de zee zelf haar had gevangen.

“Wie ben je?” vroeg ik, mijn stem ruw door de zoutlucht.

Ze tilde haar hoofd op, ogen als diepe poelen, groen en doorborend. “Lira. Gevangen door de vloek van de diepte. Kom dichterbij, Elias. Voel de roep.”

Ik wist niet hoe ze mijn naam kende, maar mijn voeten bewogen vanzelf. De aantrekkingskracht was als een haak in mijn borst, trekkend. Ik knielde bij het water, reikte uit. Mijn vingers raakten haar hand, koud en warm tegelijk, een tinteling die door mijn arm schoot als een elektrische golf. Ze glimlachte, lippen vol en nat, en de mist leek te pulseren om ons heen.

“Raak me aan,” fluisterde ze. “Door de golven heen. Daag me uit.”

Ik aarzelde, maar de hitte in mijn bloed won. Mijn hand gleed lager, over haar arm, naar de curve van haar schouder. De ketens rinkelden zacht, en een golfje water rees op, koud en prikkelend, als vingers die mijn pols grepen. Het was geen gewoon water, het voelde levend, kronkelend, en een vonk schoot door me heen, recht naar mijn kern. Mijn adem stokte. Ze lachte, een geluid als brekende schelpen, en trok me dichterbij met onzichtbare draden.

Die nacht eindigde het niet. Ik ging terug naar de toren, mijn huid jeukend van haar aanraking, dromen gevuld met diepe, donkere wateren waar lichamen versmolten in extase.

De volgende avond wachtte ik. De mist was dikker, de zee onrustig. Ze was er weer, haar lichaam half uit het water, borsten glanzend onder het maanlicht, ketens strakker nu, alsof de vloek haar testte. “Je bent terug,” zei ze, haar stem als een lokroep. “Goed. De maan groeit. Ik heb je nodig om te voeden.”

“Wat is die vloek?” vroeg ik, terwijl ik dichterbij stapte, mijn handen al reikend.

“Elke fase moet ik een minnaar verleiden,” mompelde ze, ogen half geloken. “Hun passie voedt me. Maar alleen ware chemie breekt de ketens. Raak me aan, Elias. Maak het echt.”

Ik dook het ondiepe water in, m’n kleren plakten aan mijn huid. Mijn handen vonden haar middel, glad en koel, en ik trok haar tegen me aan. De golven sloegen om ons heen, maar het was haar essentie die trilde, een bovennatuurlijke hitte die van haar huid oversprong op de mijne. Mijn vingers gleden over haar rug, daagden haar uit met druk, en ze reageerde met een zucht, haar benen wikkelend om de mijne. Een tentakel van water rees op, kronkelend om mijn dij, prikkelend, knijpend tot ik kreunde.

“Meer,” hijgde ze. “Voel de diepte.”

Ik kuste haar, hard en hongerig, lippen zout en zoet. Haar tong danste, en een visioen flitste door mijn hoofd: ons zwevend in onderwatergrotten, lichamen verstrengeld in een dans van licht en schaduw. De tinteling werd sterker, een puls die mijn lendenen deed kloppen. Ik duwde haar tegen de rots, mijn handen verkenden haar lagere regionen, vingers glijdend over de zachte welving van haar heupen, en ze lachte weer, uitdagend.

“Je daagt me,” zei ik, stem schor. “Nu lok jij.”

Ze draaide zich, water spattend, en haar hand greep me vast door de stof heen, stevig, plagend. De ketens rinkelden losser, een scheur in de wier. De nacht escaleerde, onze aanrakingen ruwer, de golven meeslepend. Ik voelde haar paranormale kern, een hitte die mijn bloed deed koken, mijn lichaam liet trillen als onder stroom.

Daarna, liggend op het natte zand, haar hoofd op mijn borst, fluisterde ze: “Dit is pas het begin. De vloek hongert naar meer.”

De stormachtige nachten volgden snel. De maan zwol op, en met elke ontmoeting bouwde de spanning. Ik klom niet meer de toren in zonder haar roep te voelen, een tinteling in mijn aderen. Op de derde nacht brulde de zee, donder rommelend boven de mist. Ik rende naar het strand, regen striemend in mijn gezicht. Lira wachtte, haar lichaam bloot in het schuim, ketens half ontbonden, hangend als slangen.

“Elias,” riep ze over het geraas heen. “De storm voedt de vloek. Bind me losser.”

Ik waadde het water in, golven tot mijn middel. Mijn armen om haar heen, tilde ik haar op, mijn greep stevig op haar billen, haar tegen me aan trekkend. Ze hijgde, haar nagels in mijn rug, en een golf van zeewater wikkelde zich om ons heen, tentakels die mijn kleren scheurden, mijn huid blootlegden. Het was koud, maar haar lichaam brandde, een bovennatuurlijke hitte die mijn erectie deed opzwellen, ik reed tegen haar natte lichaam.

“Neem me,” fluisterde ze, lippen bij mijn oor. “Diep. Maak de ketens breken.”

Ik duwde haar tegen een rots, water spattend, en stootte in haar, hard en ritmisch, de branding meesleurend. Elke beweging was een uitdaging, mijn heupen botsend, haar benen strak om me heen, knijpend. Haar fluisteringen vulden mijn geest: visioenen van extase in de diepte, lichamen fuserend met de oceaan, orgasmes als tsunami’s. De tinteling escaleerde, haar essentie doorsijpelend in mij, makend dat mijn zintuigen ontploften, kleuren in het donker, geluiden als sirenen roepen.

Ze kreunde, luid boven de storm, haar binnenste om me heen knijpend, nat en strak. Ik voelde de ketens knappen, een scheur in de lucht, en een golf energie schoot door ons, schokkend, extatisch. We kwamen samen, mijn zaad vermengend met haar zeewater-essentie, een climax die de mist deed oplichten als vuurwerk.

Maar de vloek gaf niet op. Elke nacht werd intenser, ons spel verslavender. Op de vierde nacht, onder een volle maan die doorbrak als een zilveren oog, wachtte ze op het droge strand, ketens nog aan haar enkels maar losser, haar lichaam glinsterend van anticipatie.

“Je bent mijn redding,” zei ze, me in het zand neer trekkend. “Voed me nu, Elias. Maak het eeuwig.”

Ik kleedde haar uit, mijn handen ruw, en zij mij, haar vingers als golven over mijn borst, mijn buik, lager. De aantrekkingskracht was onweerstaanbaar, een chemie die vonkte als bliksem. Ze klom op me, haar heupen bewogen in een perfect ritme, diep en traag eerst, dan harder, stotend met een ritme dat de grond deed trillen. Haar borsten deinden, nat van zweet en zee, en ik greep ze, kneep, daagde haar uit.

“Harder,” gromde ik, omrollend zodat ik bovenop lag, mijn stoten diep, bezweet, meedogenloos. Haar fluisteringen werden kreten, visioenen van onderwaterwerelden waar we zweefden, lichamen versmolten in een dans van licht en lust. De paranormale hitte bouwde op, haar essentie een vuur dat mijn aderen vulde, maakte dat elke zenuw zong van extase.

We bereikten de piek samen, een explosie van energie. Golven ectoplasmatisch licht om ons heen, schokkend door mijn lijf, haar binnenste melkend om me heen tot ik leeg was, schokkend van genot. De laatste keten brak, een luide scheur, en ze viel slap in mijn armen, lachend.

“Je hebt me bevrijd,” hijgde ze. “Nu zijn we vrij.”

Ik hield haar vast, bezweet en uitgeput, de mist trok op. De toren straalde in de verte, maar de wereld voelde anders, voller, dieper.

De vijfde nacht was de laatste, of zo dacht ik. De maan kromp, maar de aantrekkingskracht groeide. Ik liep naar het strand, hart bonzend, wetend dat dit het einde was van de vloek. Lira wachtte in het ondiepe, haar lichaam puur nu, geen ketens meer, haar ogen straalden.

“Elias,” zei ze, stem als zijde. “Kom. Vier onze vrijheid.”

Ik stapte het water in, armen om haar heen, kussend met een honger die nooit stilde. Dit keer was het rauw, bezeten! Haar handen grepen mijn haar, trekkend, terwijl ik haar optilde, benen om mijn middel. Ik stootte in haar, hard en diep, water spattend om ons, met alleen de maan als getuige. Haar nagels krasten, tot bloedens aan toe, over mijn rug. Bloed vermengde zich met het zoute water, en de hitte was overweldigend. Golven die mijn huid deden gloeien, mijn climax opbouwend als een storm.

“Geef het me,” fluisterde ze, heupen draaiend, nat en strak. “Alles.”

Ik gaf toe, stootte harder en dieper, ons zweet vermengde zich met de zee, tot de extase ons overspoelde. Mijn zaad vulde haar, een puls van energie die ons beiden deed schokken, lichamen fuserend in een paranormale golf, visioenen van eeuwige diepten, lust die de grenzen van vlees overschreed.

Ze lachte toen het ebde, maar haar ogen veranderden. Groen werd dieper, als afgronden. “Dank je, Elias. Je hebt me herboren.”

Ik voelde het toen, een koude tinteling in mijn borst, spreidend als inkt in water. Mijn huid glinsterde, parelachtig, en een honger groeide. Niet naar eten, maar naar de volgende aanraking, de volgende verleiding.

“Wat… wat heb je gedaan?” stamelde ik, terugdeinzend.

Ze zwom omhoog, half in het water, glimlach triomfantelijk. “De vloek was nooit van mij. Ik droeg hem, maar jouw passie heeft hem overgedragen. Nu ben jij de geest, Elias. De zeemeermin van de rotsen. Je zaad heeft mijn krachten gevoed, en nu lok jij de volgende.”

Nee! Ik keek naar mijn handen, schubben glinsterend in het maanlicht, een staartvorm die mijn benen vervingen, wild slaand met nieuwe, onweerstaanbare verlangens. De mist sloot zich om me heen, en ik hoorde de roep van de zee: Een verslavende cyclus van lust.

Maar in plaats van te vechten, voelde ik de opwinding. Lira dook onder, lachend, en ik volgde, half mens, half waterwezen, de diepte in duikend. Daar wachtte ze, armen open, en ik greep haar, volgde haar in de stroming, een eeuwige dans van extase en mysterie. De vloek was gebroken, of misschien juist vervolmaakt. En de nachten rekten zich uit, oneindig met beloften van meer.

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Anoniem

De schrijf(st)er van dit verhaal heeft er voor gekozen anoniem te blijven. Derhalve is er geen verdere informatie bekend over deze auteur.

Dit verhaal is 2 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

Plaats een reactie