DWARS LIGGEN
Als kind weet je niet eens wat een gouden lepel is, laat staan dat je weet dat je er mee in je mond geboren kan worden. Als ik weer eens kattenkwaad uithaalde zei onze nanny dat altijd, ze vond dat ik een voorbeeld moest nemen aan mijn zusje, dat ik me moest gedragen, want we waren immers met een ‘gouden lepel in de mond’ geboren. Pas later beseften we allebei hoe letterlijk waar dat was, hoe onze hotels afgeladen waren met peperduur zilveren en verguld bestek, hoe rijk onze familie was en hoe bevoorrecht we waren, omdat we ook nog eens van adel waren. Maar of ik daar blij mee was?
We groeiden op in een destijds door onze overgrootouders van een failliete graaf gekocht eeuwenoud Castle, met daaromheen een onafzienbaar groot landgoed. Het staat aan de westkant van London in de buurt van Ascot, niet heel ver van Windsor waar de Queen Elisabeth tot haar dood woonde. Het ontbrak ons aan niets. Als we met onze ouders een buitenlandse reis maakten stond hun privéjet klaar op het nabijgelegen Heathrow. Waar we ook kwamen, overal ter wereld hadden ze in hun hotels de sjiekste suites tot hun beschikking. Hier thuis in Engeland hadden we een huis vol bediendes en als we uit gingen werden we door onze chauffeurs rondgereden in een van de Jaguars of Rangerovers en heel soms zelfs de Rolls. Het maakte niet uit wat de bestemming was, of we nou naar school moesten of gingen winkelen of naar de paardenrennen gingen kijken of een van de vele teaparty’s bezochten, of wat dan ook, altijd stond er een knots van een auto met chauffeur klaar.
Een uitgestippeld leven
We hebben al die luxe omdat onze ouders de eigenaars zijn van ons familiebedrijf, ‘Royal Palmer’, een keten van vijfsterrenhotels in de hele British Commonwealth, en inmiddels ook daarbuiten. Queen Victoria zat nog lang niet op de troon, toen onze betovergrootvader Thomas Palmer een herberg begon in Londen. Het waren de gouden tijden van de Engelse koloniën, het geld van alle uit de koloniën ‘verkregen’ goederen kwam met bakken het land binnen. Niet alleen de adel maar ook de gegoede burgers reisden veel en al gauw had mijn betovergrootvader langs de grote routes een keten van meer dan tien goed door de high-society bezochte luxe herbergen annex stoeterijen voor koetspaarden, in zowel Engeland als Schotland.
De ene na de andere erfgenaam bouwde ‘Palmer’ uit, tot de keten hotels had in alle landen van het rijk. Daarna werden ook daarbuiten hotels geopend, vooral in Europa, het Verre Oosten en Amerika. Sinds onze ouders als achtste generatie aan het roer van het familiebedrijf staan breiden ze de keten nog wel uit maar richten ze zich vooral op ‘het beste van het beste’. Ieder van de hotels moet vijf sterren krijgen en dat is al bijna zo ver, ze hebben er nog maar een stuk of twintig van de meer dan driehonderd te gaan, geloof ik.
Toen ‘Palmer’ honderd jaar bestond werd onze familie door Queen Victoria in de adelstand verheven en later kende King George de vijfde het keurmerk ‘Royal’ toe, toen ze het honderdvijftigjarige jubileum vierden. En zo ontstond dus ‘Royal Palmer’, de keten van hotels die zo belangrijk is in ons leven, iets dat ons dus met ‘de gouden lepel’ werd ingegoten. In die sfeer groeiden we op, mijn tweelingzusje Gina en ik, Lola, of Gee en Loo zoals we elkaar noemen sinds we leerden praten. Onze ouders namen dat op een gegeven moment over en vaak riep mummy ons als we buiten speelden binnen met ‘GeeLoo, come home!’
Ik weet niet meer precies wanneer ik tegen het hele gedoe in opstand kwam, ik denk dat het al zo’n beetje begon toen ik vijftien was. Gee en ik zijn een eeneiige tweeling en we lijken onwijs veel op elkaar, maar neem van mij aan dat dat alleen maar van buiten is. We hebben allebei lang bijna zwart haar en donkere ogen, die als we blij zijn op glimlichtjes en als we boos zijn op vurige kooltjes lijken. Ook onze lichamen zijn als twee druppels water, niet heel groot, afgetraind doordat we allebei fanatiek aan sport doen. Maar van binnen zijn we dus heel verschillend, je zal denk ik nergens identieke tweelingzussen vinden die in hun doen en laten meer van elkaar verschillen dan wij.
Gee is lief en gezeglijk, doet altijd goed haar best en gaat overal in mee. Ik ben het tegenovergestelde van gehoorzaam en kies meestal precies de andere weg. Dat is dus ook zo als het om het hotelbedrijf gaat, al van jong af pompen mummy ’n daddy er bij ons in dat wij de volgende generatie zijn die aan het roer komt van ‘The Royal Palmer’. Gee staat daar helemaal voor open en gedraagt zich ook al als een mini-ceo, altijd goede maniertjes en met keurige kleren aan d’r lijf. Maar ik moet er écht niet aan denken, er lijkt me niks saaiers dan de hele dag te moeten denken aan hotels, te moeten praten over hotels en te moeten rondlopen in hotels. Ik wil niet dat alles voor me wordt uitgestippeld en de plannen van mijn ouders zorgden er juist voor dat ik steeds opstandiger en tegendraads werd.
Een eigen leven
Toen we van kostschool kwamen gingen onze ouders ervan uit dat we vanzelfsprekend door zouden gaan naar de universiteit van Oxford, om bedrijfseconomie te gaan studeren, maar daar ging ik dus niet in mee. Al mijn hele leven wist ik dat ik iets met film wil gaan doen, van jongs af aan loop ik al rond met een cameraatje en neem ik alles op wat me interesseert. Het intrigeert me hoe je door dat kleine venster het leven heel anders waarneemt, hoe je een klein deel isoleert van wat er om je heen gebeurt en het daardoor uitvergroot. Als je met die beelden de juiste dingen doet ontstaat er een hele nieuwe werkelijkheid en dat is wat ik wil gaan doen, films maken, mensen laten zien wat ze niet zien, nieuwe werelden scheppen.
Hoewel ik er een hoop stampij om heb moeten maken lukte het me uiteindelijk om toestemming te krijgen om in London naar de Filmacademy te gaan. Voorwaarde was wel dat ik de tijd heb om er tot mijn achtentwintigste iets van te maken en dat ik daarna samen met Gee aan het roer van het bedrijf ga staan. Wie dan leeft wie dan zorgt, dus daar heb ik mee ingestemd. Maar toen mijn vader ook nog wilde dat ik een suite zou nemen in ‘Royal Palmer London’ ging ik dwarsliggen, daar moest ik dus echt niet aan denken om in die bekakte toestand te moeten wonen.
Ook daarin kreeg ik mijn zin en na lang zoeken vond ik uiteindelijk een kamer in een studentenhuis in South-Kensington, niet zo heel ver van de Filmacademy. Ik had bij dat samenleven met leeftijdsgenoten achteraf bezien misschien wel iets te romantische en zelfs over- geïdealiseerde beelden, ik had echt niet verwacht dat ik zó zou moeten wennen. Opgroeien in een kasteel en daarna jaren doorbrengen in een dure internaat-school, met altijd mensen om je heen die je alles uit handen nemen blijkt niet echt bevorderlijk te zijn om je sociaal te leren gedragen. Ik vond het studentenhuis vol en druk en vies en niemand ruimde erop en het om beurten koken leverde meestal smakeloos eten op en…, nou ja, het was wennen dus.
Ik stond er zo’n beetje bij en keek er vooral naar en na enkele stevige botsingen dat ik ook wel eens wat mocht doen besloot ik maar de ‘vacature’ van huispoets in te vullen. Toen ik eenmaal de smaak te pakken had kon ik bijna niet meer ophouden, wekenlang beulde ik me tussen mijn lessen door af om op alle verdiepingen de gore toiletten en badkamers op orde te krijgen, om me daarna met evenveel fanatisme te richten op de gezamenlijke keuken en living. Mijn huisgenoten wisten niet wat ze meemaakten, zo’n nuffig teruggetrokken verwend adellijk grietje dat ineens wekenlang als een tornado door hun huis trok. Toch begonnen ze het al gauw te waarderen, dat het eens níet stonk op de plee of dat de boel niet lag te verschimmelen in de koelkast, enkelen begonnen toen zelfs mee te poetsen.
Natuurlijk leerde ik op mijn beurt heel veel en misschien nog wel meer van hén. Mijn huisgenoten zijn stuk voor stuk echt eigenzinnige persoontjes en langzaam maar zeker nam ik die leefstijl over. Ik durfde me meer te laten zien en liet mijn haar in een warrig kapsel knippen. Ik begon make-up te gebruiken die ik steeds steviger aan durfde te zetten en uiteindelijk kon ik niet meer zonder. Mijn gezicht was niet compleet als ik niet de zwarte lijntjes om mijn donkere ogen trok en mijn lippen vuurrood stiftte. Verder nam ik in ieder oor een rits ringetjes en ook mijn kleding veranderde, ik ging steeds meer vintage dragen, met een voorkeur voor korte rokjes, strakke topjes en leren jackjes. Afhankelijk van het weer droeg ik lange felgekleurde kousen of liet ik mijn benen bloot, dan liefst met zó’n kort rokje dat het maar net mijn slipje bedekte.
Ook mijn medestudenten op de Filmacademy beïnvloedden mij, de meesten daar gingen nog wel een paar stapjes verder in het zich laten zien, vooral tattoos en piercings waren erg hot. Na ongeveer drie maanden liet ik mijn eerste tattoo zetten, een heel onschuldige, een vlindertje, op mijn rechterbovenarm. Achteraf was dat misschien niet zo’n goed idee, die zichtbare tattoo, ik zal nooit de gezichten van mum’n dad vergeten toen ze die voor het eerst zagen. Ze vonden het al niks hoe ik me steeds vreemder begon uit te dossen maar nu, met die tattoo, kregen ze blijkbaar helemáal het gevoel dat ze hun dochter ergens onderweg kwijt waren geraakt. En terwijl Gina dus netjes het pad afliep dat ze voor haar hadden uitgestippeld en in Oxford studeerde, werd ik steeds meer gezien én behandeld als het zwarte schaap in ons gezin.
Het zwarte schaap
Nou ja, als je dat dan toch bent kan je je er ook maar het beste naar gedragen, het geeft veel vrijheid. En zo ging ik steeds meer mijn eigen gang. Ik voelde me qua looks aangetrokken tot de punk en emo-wereld, en liet me door die jongens en meiden in de Londense scene mee sleuren, met alle gevolgen die dat had voor mijn lichaam. Inmiddels heb ik op meerdere plekjes van mijn lijf tattoos laten zetten, van een schorpioen net boven mijn altijd kaalgeschoren kutje tot het woordje ‘F.U.C.K’ verspreid over de bovenste kootjes van de vier vingers van mijn rechterhand.
Dit was helaas niet zo’n slimme actie, ik liet het doen in een bezopen bui toen ik met wat mede-studenten een nachtelijke kroegentocht deed en ze me uitdaagden dit te doen. We zaten in de kroeg en een van de jongens zei me dat ik lijk op Miss Seamonster, een goth-meid die te vinden is op pornpics.com, zij heeft die tattoo ook op haar vingers. Nou ja, en toen ging ik dus de mist in want JC, ze lijkt echt op mij en dan wilde ik die tattoo dus ook wel. Ik ging misschien nog wel iets verder, omdat ik aan de binnenkant ‘YOU’ liet zetten, stom idee natuurlijk maar het leek me leuk om eerst FUCK en dan in een handomdraai YOU te kunnen laten zien. Foutje dus en sindsdien draag ik aan die hand meestal een zwart handschoentje, met tot de gewraakte tekst afgeknipte vingers.
Verder heb ik inmiddels niet alleen meer ringetjes in mijn oren maar ook door mijn onderlip, mijn tepels en mijn klitje. Verder heb ik door mijn onderlip ook nog een staafje met een mini-diamantje laten zetten, leek me wel geinig. De nagels van zowel mijn vingers als mijn tenen houd ik altijd strak zwartgelakt, mijn lippen zijn tegenwoordig donkerpaars en mijn ogen zijn als ik onder de mensen kom altijd maar dan ook altijd heel smoky met dikke zwarte randen opgemaakt. Onder mijn rechteroog liet ik een zwart ‘schoonheids’ vlekje tatoeëren en wat mijn haar betreft is het altijd ‘n zorgvuldig opgemaakte ‘warboel’.
Op één gebied wil het maar niet lukken, en dat is het hebben van seks. Al enkele jaren terug heb ik me laten ontmaagden, maar ik kan echt niet zeggen dat dat een erg glorieus moment was. De zoon van society-vrienden van mum’n dad viel die eer te beurt terwijl onze ouders buiten in de tuin zaten te leuteren, maar die jongen had geen enkel idee wat je moet doen om het een meisje ook naar de zin te maken. Hij prikte zijn pik in no time in me, schoof heel pijnlijk voor mij een paar keer op en neer en klaar was hij, waarna hij zonder me te bedanken vertrok, me met zijn ongewenste zaad gevuld achterlatend. En nu word ik over een paar maanden negentien en heb ik nog steeds geen lekkere seks gehad. Iedereen heeft het er altijd over dat er niks leukers is dan te neuken maar ik weet dus nergens van.
Bijna jaloers kijk ik toe hoe in ons huis zo ongeveer iedereen het met iedereen doet terwijl blijkbaar geen van die jongens ooit op het idee komt het eens met mij te proberen. Ann, een meisje dat aan de lopende band wél seks heeft en waar ik steeds meer mee optrek zegt dat dat komt omdat ik nog steeds te ladylike ben. Volgens haar hebben jongens geen zin in complicaties met meisjes, ze willen alleen maar zonder gedoe erop, hun pik erin steken en dan lekker neuken. Op een of andere manier lijk ik volgens Ann uit te stralen dat ze dat simpele neuken met mij niet voor elkaar gaan krijgen, dat ik daar toch te kakkineus voor ben. Ze zal wel gelijk hebben want zelfs die toch behoorlijk gretig erop los seksende punk- en emo-boys moeten me niet, ook al gooi ik me toch regelmatig in de aanbieding. Lekker dus, heb ik me eerst ontworsteld aan ‘Old England’ thuis en kreeg ik daarna hier in ‘New England’ met nieuwe vooroordelen te dealen. Nou ja, mijn tijd zal nog wel komen…
X. Zara
Leuk verhaal. Zelf bedacht of ergens ‘geleend’? Met jou schrijfstijl zou je misschien eens kunnen overwegen om iets langers te schrijven en bij een uitgever aan te kloppen om er een boek van te maken (zonder summiere verwijzingen naar seks, die in jouw bijdrage ‘sowieso’ erg summier en oninteressant zijn),
Succes!, zonder de cynische bij-bedoeling waarmee zo’n wens vaak gepaard gaat.