HET TOERNOOI
Vanmiddag is het zo ver! Eindelijk komt de Hertog weer eens naar onze stad, om aan het speciaal voor hem georganiseerde toernooi deel te nemen. Heel ’s-Hertogenbosch en omstreken staat op stelten, iedereen wil hem zien en liefst ook persoonlijk kennis met hem maken. Volgens vader is er echter geen enkele vrouw veilig voor hem en hij wilde daarom dat mijn zusje en ik thuis zouden blijven.
Jammer genoeg is vader maar een eenvoudige landjonker, met een klein landgoed aan de rand van de stad. Maar omdat hij ook iets hoogs in het stadsbestuur is werd toch onze hele familie uitgenodigd om op de hoofdtribune te komen zitten tijdens het toernooi. Hij kan het dus niet maken om ons thuis te laten. Om bij de Hertog op te vallen heb ik een slim plannetje bedacht. Ik hoop zó dat ik door hem word uitverkoren om zijn toernooidame te worden…
Vertelster
In de dertiende eeuw bestond het hertogdom Brabant uit zowel de tegenwoordige Nederlandse provincie Noord-Brabant als de Belgische provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en Waals-Brabant. De belangrijkste steden waren Brussel, Antwerpen, Leuven en ’s-Hertogenbosch. In 1267 kwam Jan de Eerste al op zijn vijftiende als Hertog op de troon en onder zijn bewind begon wat wel eens ‘De Gouden eeuw’ van Brabant wordt genoemd. Later wist hij ook nog geheel Limburg aan zijn gebied toe te voegen en ontstond er een voor die tijd groot hertogdom met veel macht.
Maar Hertog Jan van Brabant was niet alleen een slimme strateeg, hij was ook een levensgenieter. Hij hield van een goed feest, een smakelijke maaltijd en een stevig potje abdijbier. Daarnaast nam hij graag deel aan een spannend toernooi en was hij gék op vrouwen, een van de redenen waarom hij na het te vroege overlijden van zowel zijn eerste als zijn tweede vrouw nooit meer trouwde.
Sindsdien was het aan zijn hof meestal een vrolijke bedoening, waar hij jonge edelen ruimhartig in liet delen. In de functie van schilddrager of hofdame kregen zij volop kans om de wereld van de adel en het bijbehorende leven te leren kennen, om daar al doende hun eigen weg in te zoeken.
Elisabeths plannetje
‘Vrouwe Elisabeth, de freule uw moeder heeft me nu al enkele keren naar u toegestuurd om te zeggen dat u dringend wordt verwacht, de koets gaat nú vertrekken. Komt u alstublieft met mij mee!’ Het hoofd van mijn kamenier Mariken is al helemaal rood aangelopen, ik zal nu echt voort moeten maken. Voor de laatste keer inspecteer ik mezelf in de spiegel en ik ben tevreden over wat ik zie. Mijn lange blonde haren golven over mijn mooiste gewaad, dat goed kleurt bij mijn blauwe ogen en volle rode lippen. Het lage lijfje van mijn jurk stuwt mijn nog niet helemaal volgroeide boezen hoog op, waardoor mijn borsten goed zichtbaar zijn en het moet toch haast wel zeker zijn dat de Hertog zijn oog op mij laat vallen.
Als ik beneden in de hal aankom staat mijn moeder geagiteerd te doen: ‘waar blééf je nou, Elisabeth, op deze manier missen we de helft van de ridderparade!’ Dat zal wel meevallen, mijn moeder wil altijd als eerste ergens aankomen en vandaag zal dat niet anders zijn. Dan valt haar oog op mijn lijfje en zegt ze gedecideerd: ‘zo kun jij niet mee, jongedame!’ Die reactie had ik al verwacht en om haar gerust te stellen knik ik naar Mariken, die vervolgens een omslagdoek aanreikt. Als ik die eenmaal over mijn schouders en buste heb gehangen zucht moeder eens diep, waarna we eindelijk vertrekken.
Mijn zusje Mechteld loopt voorop, dan moeder en tot slot ik. Meestal stap ik als eerste in om een goede plek te hebben, maar op dit moment past mij wel wat bescheidenheid, om moeder niet nog meer te irriteren. Vader is vanochtend al vroeg te paard vertrokken, wat zijn favoriete vervoermiddel is,. Samen met zijn lijfknecht vertrekt hij iedere dag in alle vroegte in galop naar zijn werk als een van de bestuurders van de stad. Alleen op zondagen en soms op woensdagen blijft hij thuis, dan besteedt hij aandacht aan zijn landgoed.
Gelukkig hebben de weergoden het goed met ons voor. Het is weliswaar fris maar de zon schijnt uitbundig, alsof zelfs die blij is met de aanstaande feestelijkheden. Hoe dichter we bij de stad komen hoe drukker het wordt en uiteindelijk sukkelen we in een lange rij van koetsen, karren, ruiters en voetgangers stapvoets naar het toernooiveld, dat aan de buitenzijde van de stad op een groot terrein nabij de gracht om de wal is gebouwd.
Het is een schitterend gezicht, al van verre zijn alle wimpels en vlaggen te zien, ik heb in mijn hele leven nog niet zo’n feestelijk geheel gezien. Aan de ene lange zijde van het toernooiveld zijn alle tribunes gebouwd, met in het midden die voor de eregasten, waar wij toe behoren! Aan de andere lange zijde staat het gewone volk en aan de korte zijdes zijn de tenten geplaatst waar de ridders zich klaarmaken voor de strijd. Iets verder van het toernooiterrein vandaan is het kampement opgebouwd, met centraal de hoog boven alles uitstekende dieprode Hertogelijke tent.
Vader zit al op ons te wachten, op de eerste rij zelfs, met naast hem onze gereserveerde plaatsen. Mijn geluk kan niet op dat we zo goed zitten! Terwijl een eindeloze stroom van hooggeplaatsten, notabelen, boeren, burgers en buitenlui hun plaatsen zoeken, bekijk ik het schouwspel met een groeiend gevoel van opwinding. Mijn hele leven heb ik nog nooit zo’n kleurrijke vrolijkheid gezien. Het lijkt wel of iedereen in heel ’s-Hertogenbosch en ommelanden is uitgelopen en zich verheugt op een groots feest, waarvoor men zich in de mooiste en meest kleurrijke kleren heeft gestoken.
Parade der Ridders
Eindelijk klinkt er bazuingeschal! Vanuit beide tenten zijn gelijktijdig schitterend geklede herauten tevoorschijn gekomen, die met hun bazuinen gestoken, om de aandacht van het luidkeels pratende publiek vragen. Het bier stroomt al rijkelijk, wat vooral te merken is aan het lawaai dat iedereen maakt, maar gelukkig is het toch al snel muisstil. Er komt een man naar buiten, ook al heel bijzonder gekleed, die een hoog spreekgestoelte beklimt en daarna voorleest wat het programma van het toernooi is. Het zal vier dagen duren, met op deze eerste dag de opening en op dag vier de afsluiting. In de tussentijd zullen vele tientallen ridders met elkaar strijden, zowel met de lans als met het zwaard en de winnaar gaat steeds door naar de volgende ronde. Ook de Hertog zal deelnemen.
En dan is het zo ver, de parade van de ridders komt op gang!
Als eerste komt Hertog Jan tevoorschijn, hoog gezeten op zijn ros, gevolgd door een bijna eindeloze stoet van twee aan twee rijdende ridders, ook allen op hun strijdros, met hun lange houten lansen kaarsrecht geheven. Zonder uitzondering zijn ze in het harnas gestoken, die dankzij de voorafgaande poetsbeurten glanzen in het zonlicht. Gelukkig dragen ze nog geen helm, zodat we ze een voor een goed kunnen bekijken. Iedere ridder wordt begeleid door een van zijn schildknapen, in de meeste gevallen houden zij de teugels vast van de onrustige paarden.
Ik had niet verwacht dat de Hertog nog zo jong zou zijn, met hem vergeleken is vader al echt een oude man. Als ik zachtjes aan moeder vraag hoe oud Hertog Jan is houdt ze haar vinger voor haar mond, dat ik stil moet zijn, maar dan fluistert ze toch dat hij vijfentwintig is. Ik vind hem heel knap om te zien, zo statig en fier. Met zijn lange donkere haren die over zijn harnas uitgolven is hij een indrukwekkende verschijning.
Het is tijd voor mijn plannetje, en hoewel ik doodzenuwachtig ben ga ik het toch doorzetten, ik wil in mijn leven wel iets meer meemaken dan altijd maar suf thuis zitten. Gelukkig staat er behoorlijk wat wind, waardoor het lijkt dat ik mijn omslagdoek op natuurlijke wijze kwijtraak en niet veel later dwarrelt het kledingstuk voor de tribune op het zand. De hertog is al dichtbij en ziet het maar houdt zijn paard niet in. Hij geeft een signaal aan de schildknaap naast hem. Die komt op me toe lopen, raapt mijn omslagdoek op en geeft hem aan me terug.
Het is een leuke jongen om te zien met zijn halflange blonde haren en bruine ogen. Hij kijkt me iets langer dan het fatsoen eigenlijk toestaat aan, dan zegt hij, zachtjes, zodat niet iedereen mee kan luisteren: ‘Zijne Genade de Hertog verzoekt u deel te nemen aan het openingsfeest, vanavond.’ Het is gelukt, mijn plannetje heeft succes! Ik kijk moeder aan, om toestemming vragend. Ze kan nu natuurlijk niet meer weigeren, ze twijfelt even maar dan knikt ze instemmend. Daarna kijk ik de jongen weer aan en hij roept iets in me op dat me behoorlijk opwind. Ik had al wel vaker vlinders in mijn buik maar nu lijken het er heel veel te zijn. Voor even is de Hertog helemaal vergeten en houd ik me alleen nog maar bezig met die leuke schildknaap. Ik hoop hem vanavond nog een keer terug te zien.
Direct na de openingsparade, nog voor aanvang van het toernooi, slaat de Hertog een aantal mannen tot ridder, en als mama fluistert dat die grote blonde man Floris de vijfde en Graaf van Holland is bekijk ik hem geïnteresseerd, misschien is hij er vanavond ook wel bij. Hij lijkt me ongeveer even oud als Hertog Jan en zo te zien kunnen ze het goed met elkaar vinden. Als de Hertog alle kandidaten tot ridder heeft geslagen begint eindelijk het toernooi.
De hele dag wordt er strijd geleverd op het veld en eerlijk gezegd was het in het begin wel opwindend maar vind ik het na een tijdje toch behoorlijk saai worden. Je kan door die harnassen niet eens goed zien welke ridder erin zit, het enige houvast zijn hun vaandels en daar heb ik helemaal geen verstand van. Iedere keer wordt na veel gedoe een van beiden van zijn paard gesmeten, waarna de overwinnaar een triomfrondje rijdt en na een pauze het volgende stel aan de beurt is.
Het Feest
Ik ben dan ook blij als de avond aanbreekt en het tijd is voor het grote feest, dat begint met een enorm eetfestijn. In de grote tent zijn lange tafels opgesteld die nu vol worden gestapeld met gebraad, groenten en fruit. Het valt me op dat vooral de ridders duidelijk meer voelen voor het vlees, ze vallen erop aan alsof ze in maanden niet gegeten hebben. Daarbij laten hun manieren nogal te wensen over, botjes worden door hen zo maar achter zich op de grond gegooid. Ondertussen gaan de kruiken met bier en wijn steeds maar rond en al gauw is het een behoorlijk opgewonden boel geworden.
Met een aantal andere dames heb ik een plaatsje gekregen aan de lange tafel waaraan ook de Hertog is gezeten. Aan hun kleding is te zien dat het allemaal ongehuwde dames zijn, de meesten niet veel ouder dan ik. Ik verdenk enkelen zelfs ervan dat zij een publieke vrouw zijn. Mariken vertelde mij laatst nog dat sommige dames zich ertoe verlagen om voor geschenken of geld voor iedere heer die dat wenst beschikbaar te zijn.
Terwijl de avond vordert worden de heren steeds losser tegenover ons, en steeds vaker moet ik blozen als er iets wordt geroepen tegen ons dames, dat te maken heeft met de ‘gemeenschap van het vleesch’. Ik ben echt geen onwetend domkopje meer. Mijn kamenier Mariken heeft me alles verteld over wat mannen zoal met vrouwen doen en ook vertelde ze mij dat daar kindjes uit voort kunnen komen. Daarom gaf ze me voor mijn vertrek een kruidenelixer te drinken, dat ervoor zorgt dat zo’n kindje nog even wegblijft. Blijkbaar heeft ze het idee dat ik me tot een dergelijke gemeenschap zal laten verleiden. Nou, dat moet ik nog eens zien, hoewel mijn nieuwsgierigheid ernaar wel steeds meer toeneemt.
X. Zara