White Line Fever (5/7)

FUCK YOU

En natuurlijk, nadat hij me zag in de afscheidsdienst voor zijn vader kan Jim Callaghan wél contact met me opnemen. Nog diezelfde avond pingt er voor het eerst een appje binnen, of hij me kan spreken. Liefst wil ik hem voorgoed negeren maar dat lukt me niet en dus maak ik een foto van mijn opgestoken middelvinger, zoals ik een half jaar terug voor Nate deed, die andere bedrieger. Ik stuur hem die met als begeleidende tekst ‘Fuck you, Jim Callaghan, gore bedrieger.’ Mij lijkt dat dat een duidelijke boodschap is, maar hij vindt dat natuurlijk weer niet, wat is dat toch met die kerels. Als hij reageert met de vraag wat er is, verwijder ik hem als contact en als hij me belt blokkeer ik hem. De volgende dag laat ik Vicky weten dat ik stop als vrijwilliger in het opvangcentrum, ik wil niks meer met die tent, met de poen van ACC en met Callaghan te maken hebben.

Gestalkt

Nog diezelfde dag begint ‘fuck-him Jim Callaghan’ me te stalken, hij belt aan, als ik dan niet open doe blijft hij eindeloos aanbellen en kloppen en door de deur heen roepen dat hij me wil spreken. Op een gegeven moment vraagt Francine me zelfs wie of die idioot in ons portaaltje is, of ik daar asap een einde aan kan maken. Het kost me echt alle kracht om me te beheersen en hem niet verrot te gaan schelden.

Als ik almaar niet reageer propt hij zelfs een keer een dikke brief onder de deur door, die ik ongeopend weg flikker. Als klap op de vuurpijl ligt hij als ik een paar dagen later terugkom van college zelfs languit in het halletje voor mijn deur te wachten, de boel zo blokkerend. Het enige wat ik hem dan toebijt is ‘klootzak, met jou wil ik nooit meer iets te maken hebben, flikker op’, waarna ik over hem heen loop, me niet bekommerend of ik hem pijn doe, waarna ik de deur voor zijn neus dicht knal.

Dan pas begrijpt hij het eindelijk en laat hij me vanaf dat moment verder met rust. Wat niet betekent dat ik écht rust heb, want nachtenlang jank ik mezelf in slaap, hij was mijn maatje en mijn fuckbuddy, maar dat niet alleen, ik begon echt om hem te geven…

Om fuck-him Jim Callaghan te vergeten studeer ik ieder vrij tijdstip in de drie naslagboeken met de uitleg van eindeloze opsommingen van medische begrippen, die ik voor ons eerste tentamen over twee weken moet kennen. Als ‘ontspanning’ en om die klootzak uit mijn lijf te krijgen ren ik ieder vrij uur alsof de duivel me op de hielen zit. Tegelijk is het mijn voorbereiding op de NY-marathon, die binnenkort op de eerste zondag van november wordt gelopen.

Heel lang heb ik me op die marathon verheugd, ik zag het zo’n beetje als het sluitstuk van mijn inburgering hier, maar díe lol is er nu wel van af. Toch besluit ik wel te lopen, ik laat me door die Callaghan en niemand afhouden van wat ik van plan ben. Eindelijk is het zover en ik sta in de derde shift van duizend lopers die mag starten, de wedstrijdlopers zijn dan al een half uur weg. Ik ga hem sowieso wel uitlopen, maar ben pas echt tevreden als ik een tijd van drieënhalf uur neer kan zetten. Het is snel maar dat moet me toch wel lukken.

Ik heb door er van alles over te lezen begrepen dat je of helemaal vooraan in de groep moet zien te starten en meteen flink moet doorlopen, of juist heel rustig moet beginnen om de meute eerst op weg te laten gaan en pas je eigen tempo moet pakken als het veld uit elkaar valt. Ik heb dit laatste besloten, ik ben een dieseltje dat eerst warm moet lopen en begin als een van de laatsten van deze groep op een kalme draf aan de ruim zesentwintig miles. Al heel snel krijg ik het gevoel dat ik gevolgd word en als ik achter me kijk zie ik die fuck-him Callaghan lopen. Shit, wat doet díe nou weer hier. Met zijn bekende grijns kijkt hij me aan en als ik me dan tot naast hem laat afzakken en hem toebijt ‘oprotten’ antwoordt hij doodkalm: ‘Sorry Sammy Geffen, ik heb hiervoor betaald en dus mag ik hier lopen, red je er maar mee.’

Fuck-him-Jim-Callaghan’s story

Oké, ik trek een sprintje, hij zoekt het maar uit, maar niet veel later loopt hij alweer als een schaduw pal achter me, omdat de grote groep voor ons nog steeds compact is en het tempo hindert. En dan zegt hij: ‘Sammy, je moet echt een paar dingen weten…’ en of ik nou wil of niet, ik moet het wel aanhoren want met mijn vingers in mijn oren lopen is geen optie, en stoppen al helemaal. En dus loop ik daar, met die waarschijnlijk uit zijn nek kletsende miljardair pal achter me.

En dan gaat hij los: ‘Sammy, mijn vader is met zijn privéjet verongelukt niet ver van Mexico-City, in de bergen bij Guerrero. Ik ben er meteen met een hulpploeg naartoe gevlogen en we hebben ruim een etmaal moeten zoeken om het vliegtuig te vinden, het lag in een diep ravijn. Iedereen bleek dood te zijn en het was ploeteren om zijn lichaam en dat van de andere mensen met helikopters te bergen. Al die tijd had ik geen bereik met mijn mobiel, de reddingsploeg had wel een satelliettelefoon maar die mocht ik niet gebruiken voor privégesprekken.

Toen we na bijna drie dagen thuis kwamen was de chaos compleet, in ACC moest eerst het testament worden geopend voordat ik allerlei noodzakelijke besluiten kon nemen, iedereen wilde van alles en nog wat van me, ondertussen moest ik de begrafenis van mijn vader voorbereiden, mijn telefoon was ram- en ramvol gelopen met berichten en echt, op een gegeven moment had ik geen idee meer waar te beginnen met het op orde brengen van die puinhoop…’

‘Wat je moet weten Sammy, is dat het me heel erg spijt dat ik je niet kon bellen en er later helemaal niet meer aan toe kwam. Ik wist even niet meer wat het belangrijkste was, maar nu het te laat is weet ik dat inmiddels wel…’

Als ik zwijgend almaar doorren gaat hij verder: ‘Hoe het komt weet ik niet, ik kom uit een familie van gezinnen met steeds maar éen kind. Mijn overgrootvader Per Andersson is toen hij met mijn overgrootoma vanuit Zweden hiernaartoe emigreerde een bouwbedrijfje begonnen, dat al snel begon te groeien omdat Manhattan in die tijd ruimtegebrek had en steeds meer de hoogte in ging. Zij kregen éen zoon, Magnus, mijn opa. Hij trouwde met Mary O’Neil, mijn oma en samen kregen zij mijn mummy, Kaitlyn. Zij trouwde weer met mijn pa, Josef Callaghan en toen ik geboren werd stierf zij tijdens de bevalling…’

Nog steeds zwijg ik en na weer even wachten gaat Jim verder: ‘mijn familie heeft hard gewerkt om ACC groot te maken maar toen na de dood van mijn mummy eerst oma van verdriet stierf en amper een paar jaar later opa verongelukte doordat hij uit een bouwlift viel, stond daddy er ineens als een niet-Andersson alleen voor. Dat was het moment waarop de naam Callaghan in de firmanaam kwam en het is vooral dad geweest die het tot een groot internationaal bedrijf wist op te bouwen, met vestigingen hier in New York, in London en in Mexico-city. Er werken inmiddels wereldwijd meer dan vijftigduizend mensen en dat is nu mijn zorg geworden.’

Ik reageer nog steeds niet maar langzaam druppelt zijn verhaal wel bij me binnen en of ik nou wil of niet, het ontroert me. Opnieuw gaat Jim verder: ‘mijn dad was eigenlijk altijd op reis, ik ben opgevoed door nanny’s die kwamen en gingen, ik weet al niet meer hoeveel ik er had. Ik kreeg álles wat mijn hartje begeerde, alleen geen knuffels van mijn mummy, laat staan een warm thuis. Toen ik achttien werd wilde daddy dat ik in het bestuur van ACC kwam maar dat kon ik toen nog niet opbrengen en we werden het eens dat ik tot mijn vijfentwintigste de tijd kreeg om te studeren en de wereld te verkennen. Ik koos toen voor techniek en bouwkunde, omdat me dat wel lag en ook wel van pas zou komen. En ondertussen ben ik niet de wereld gaan verkennen, want daar zou ik nog tijd genoeg voor krijgen, ik koos er voor om tijdens vakanties op verschillende van onze bouwprojecten anoniem een tijdje als gewone arbeider mee te gaan werken, om op die manier het bedrijf te leren kennen. En toen ik er achter kwam dat we allerlei sociale projecten sponsorden ben ik ook in een shelter gaan werken, waar ik jou dus ontmoette…’

Inmiddels serieus luisterend ren ik in een rustig tempo zwijgend verder, met Jimmy nog steeds in mijn kielzog. ‘Weet je Sam, het was op geen enkele plek een optie om mijn echte naam te gebruiken, want dan zou ik door de mand vallen als ‘het zoontje van’, daarom nam ik de achternaam van oma. Achteraf snap ik hoe dat voor je voelt, ik had je op tijd in vertrouwen moeten nemen. In de plaats daarvan hoorde je toen het daarvoor te laat was niks van me en moest je tussen al die vreemde mensen in de kerk in de gaten krijgen hoe het zat. Pas toen ik zag hoe je daar uit die bank wegvluchtte kreeg ik door wat ik had aangericht. Een andere naam, een ander leven, superrijk terwijl we zo vaak praatten over hoe oneerlijk alles verdeeld is, je móest je wel bedrogen voelen. Ik heb dat zó fout gedaan, het spijt me zo ontzettend, lieve Sammy.
Sorry, I’m really really very sorry.’

Dan wordt het op het joelen en klappen van de toeschouwers na weer stil en als ik na een halve minuut of zo achter me kijk is Jimmy weg. Pff, heb ik tenminste weer rust. Maar de hele marathon lang blijft zijn verhaal door mijn hoofd spoken…

Strafexpeditie

Het is voor begin november nog steeds behoorlijk warm en ik ben blij dat ik alleen maar een kort sportbroekje en een bijpassende sportbeha heb aangedaan, het zweet gutst van me af tegen de tijd dat ik arriveer. Onderweg bij de waterposten heb steeds zoveel mogelijk flesjes water opgepikt want anders zou ik nu goed uitgedroogd zijn. Terwijl ik uitgeput en bezweet sta na te hijgen komt er ineens een groot boeket witte rozen in beeld. Enkele seconden later komt daarachter vandaan het hoofd van Jimmy, een beetje verlegen grijnzend: ‘voor jou Sam, om je te feliciteren. En om nog een keer sorry tegen je te kunnen zeggen.’

Ohw, nou, dat heeft hij dus onthouden, dat ik van witte rozen houd. Maar wat moet ik verder met die gast, het begon me de afgelopen dagen net te lukken hem een klein beetje uit mijn systeem te duwen en nou zit hij er weer midden in. Want ik kan wel doen of dat niet zo is maar ik voel het aan de kriebels in mijn buik, hij draagt weer zijn vertrouwde sloeberige skaterskleren waarvan ik weet dat er een behoorlijk lekker lijf in zit. En hoewel hij zijn haren behoorlijk wat korter liet knippen voor de begrafenis van zijn dad zitten ze nou zo lekker warrig dat hij onwijs sexy oogt. Terwijl ik zo sta te wiebelen duwt Jimmy die rozen zowat in mijn snufferd terwijl hij aandringt: ‘please Sam, het spijt me echt heel erg, kunnen we weer vriendjes worden?’

Ik vind niet dat hij het verdient, maar misschien is de tijd wél rijp voor een kleine strafexpeditie, fuck-him, wat kan mij ’t schelen. Met mijn rechterhand pak ik de rozen aan, daarna steek ik mijn linkerhand naar hem toe en als hij die vastpakt lopen we Central park uit, naar de eerste de beste buslijn die ons naar Chelsea brengt. Eenmaal binnen in mijn appartementje neem ik niet eens de tijd om te douchen, ik trek Jimmy achter me aan mijn slaapkamer in waar ik hem gebaar zich als de wiedeweerga uit te kleden. Daar is-tie weer, die übergeile blije grijns van hem als hij weet dat we gaan neuken en blijkbaar wist hij dat dit ging gebeuren want zijn paal staat er in zijn broek al overduidelijk klaar voor. Maar hij weet nog niet wat hem te wachten staat…

X. Zara

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Zara

Hi, fijn dat je mijn verhalen leest, ik hoop dat je ze leuk vindt.
En jouw reactie is altijd welkom!
Liefs. Zara

Dit verhaal is 3847 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

1 gedachte over “White Line Fever (5/7)”

  1. De wending is abrupt en eigenlijk wel logisch. De klifhanger daar en tegen … wordt het een eenmalig allerlaatste heftige vrij partij of wordt het wanneer we maar kunnen gaan we elkaar plezieren met heerlijke orgasmes … Leuk Zara.

    Beantwoorden

Plaats een reactie