Het regende al drie dagen in Slibberdam. Geen harde, spectaculaire storm, maar een miezer die alles grijs maakte. De bakstenen van de huizen zagen er donker en zwaar uit. De rivier, die traag langs het dorp stroomde, leek dikker dan normaal, alsof het water moeite had om vooruit te komen.
Mara stond bij het keukenraam en keek naar de druppels die langzaam naar beneden gleden. Ze telde ze. Eén voor één volgden ze hetzelfde spoor over het glas, om onderaan te verdwijnen in de zwarte kitrand. Het was precies zoals haar eigen leven: een voorspelbaar pad naar beneden, zonder dat er ooit iets veranderde.
Achter haar hoorde ze het vertrouwde geluid van de krant die werd omgeslagen. Elias zat aan de keukentafel. Hij droeg zijn grijze vest, degene met de gaatjes bij de ellebogen die hij weigerde weg te gooien. Hij nam een slok van zijn koffie. Mara wist precies hoe dat klonk: het zachte tikken van de mok tegen zijn tanden, gevolgd door een diepe zucht van tevredenheid.
“De weersverwachting zegt dat het morgen opklaart,” zei Elias zonder op te kijken.
Mara antwoordde niet. Dat zeiden ze elke dag. “Morgen wordt het beter.” Het was de zin waar hun hele huwelijk op gebouwd was.
Ze keek naar haar eigen handen, die op de vensterbank rustten. Ze waren niet meer de handen van het meisje dat twintig jaar geleden met een rugzak op het station van Slibberdam stond. Haar knokkels waren wat dikker geworden en haar huid was bleek. Onder het raam, diep weggestopt in de kast, lag nog steeds diezelfde rugzak. Hij was stoffig en de ritsen zaten vastgeroest.
“Elias?” vroeg ze zacht, zonder zich om te draaien.
“Hm?”
“Weet je nog wat we zeiden? Toen we het huis kochten? Over vijf jaar, zei je toen. Over vijf jaar hebben we genoeg gespaard en dan gaan we. Dan verkopen we de boel en trekken we naar het zuiden. Waar de lucht niet grijs is.”
Ze hoorde het geritsel van de krant stoppen. Het bleef even stil in de keuken. Alleen de klok boven de koelkast tikte door. Elke tik klonk als een hamer op een spijker.
“Natuurlijk weet ik dat nog, Mara,” zei hij. Zijn stem was zacht, bijna verontschuldigend. “Maar het was een slecht jaar voor de zaak. En de auto moest gerepareerd worden. Dat weet je toch? We hebben een nieuw plan gemaakt. Over vijf jaar staan we er veel beter voor. Dan hebben we die zekerheid die we nu missen. Een mens kan niet zomaar in het diepe springen zonder zwembandjes.”
Mara draaide zich langzaam om. Elias keek haar nu aan. Zijn ogen waren goedmoedig, maar er zat een vermoeidheid in die ze niet meer kon verdragen. Hij noemde het ‘zekerheid’. Zij noemde het een gevangenis van gouden kettingen.
“We maken al vijftien jaar plannen van vijf jaar, Elias. Als je die allemaal achter elkaar legt, zijn we al drie keer de wereld rond geweest.”
Ze liep naar de tafel en bleef voor hem staan. Ze rook de geur van oude kranten en koude koffie. Op het aanrecht lag een folder van een reisbureau, die ze gisteren had meegenomen uit de bibliotheek. Er stonden foto’s op van witte stranden en een zon die zo fel was dat het pijn deed aan je ogen. Er lag een dikke, natte kring op de folder omdat Elias er zijn natte paraplu op had gelegd toen hij thuiskwam. De zon op de foto was nu een vage, gele vlek onder het vocht.
“Ik verdrink hier, Elias,” zei ze, en haar stem trilde nu echt. “Niet in het water van de rivier, maar in de tijd die maar blijft vallen. Net als de regen. Wie houdt het tegen? Wanneer houdt het op?”
Elias legde zijn hand op de hare. Zijn huid voelde droog en warm aan, maar ze trok haar hand niet weg. Dat was misschien wel het ergste: ze hield nog steeds van hem. Ze hield van de man die haar veilig hield, maar ze haatte de veiligheid die haar langzaam verstikte.
“Ik heb een nieuw plan,” zei hij met een kleine glimlach, alsof hij haar een cadeautje gaf. “Ik heb gisteren met de bank gebeld. Als we de hypotheek oversluiten, kunnen we over drie jaar…”
Mara hoorde de rest van zijn zin niet meer. De woorden vervaagden tot een monotoon gezoem, precies zoals het geluid van de regen tegen de dakgoten. Ze keek naar zijn lippen die bewogen, maar ze zag alleen maar muren die steeds een stukje dichterbij kwamen.
Ze liep weg uit de keuken, de gang in. Ze trok haar regenjas aan en pakte haar paraplu.
“Ga je nu naar buiten?” riep Elias haar na. “Het komt met bakken uit de hemel!”
“Ik moet even ademen,” zei ze kortaf.
Ze trok de zware voordeur achter zich dicht. De koude lucht sloeg in haar gezicht en de eerste druppels landden op haar wangen. Ze voelden aan als tranen, maar dan kouder. Ze begon te lopen, weg van de straat waar elk huis er hetzelfde uitzag, richting de rivier.
Aan de kade bleef ze staan. De rivier stroomde hard door de vele regen. Takken en afval dreven in sneltreinvaart voorbij, op weg naar ergens anders. Mara bleef staan tot haar schoenen doorweekt waren en haar voeten gevoelloos werden.
In de verte, bij het veerhuis, hoorde ze muziek uit een openstaand raam komen. Het was een oude radio die een krakerig liedje speelde. De bas dreunde zachtjes over het water. Het was een bekende stem, een rauwe stem die zong over plannen die in goud verpakt waren en over een storm die maar niet ophield.
Mara sloot haar ogen en liet de paraplu een klein beetje zakken, zodat de regen haar hele gezicht raakte.
Het was diezelfde avond nog raak. Het zachte getik van de regen tegen het raam was veranderd in een zwaarder geluid. Een ritmisch gedruppel, midden in de slaapkamer. ‘Tik. Plons. Tik. Plons.’
Elias zuchtte diep en kwam overeind. Hij liep op zijn blote voeten naar de hoek van de kamer, waar een donkere plek op het behang verscheen. “Het dak,” mompelde hij. “Ik wist het wel. Die pannen aan de achterkant zijn op. Ik had ze vorig jaar al moeten laten doen.”
Hij pakte een plastic emmer uit de badkamer en zette die onder het lek. Het geluid veranderde in een holle ‘klonk.
“Ik ga even op de vliering kijken,” zei hij, terwijl hij zijn badjas aantrok. “Misschien kan ik er een zeil overtrekken voor vannacht.”
Mara bleef in bed liggen. Ze staarde naar het plafond, naar de kring die langzaam groter werd. Het voelde alsof het hele huis langzaam aan het oplossen was in het water. Ze hoorde Elias boven haar hoofd rommelen. Het schuiven van dozen, het gekraak van de houten vloerdelen.
“Mara! Kun je me even helpen?” riep hij van boven. “Er staan hier te veel spullen voor het luik. Ik kan er niet bij!”
Met tegenzin stapte ze uit bed. De vloer voelde koud aan onder haar voeten. Ze klom het wiebelige laddertje op naar de vliering. Het rook daar naar stof, oude kranten en het wasmiddel van de lakens die er hingen te drogen. Elias stond te trekken aan een zware, blauwe kist.
“Schuif die dozen met kerstspullen eens opzij,” zei hij, terwijl het zweet op zijn voorhand stond.
Mara begon de dozen te verplaatsen. Haar handen werden zwart van het stof. Achter de kerstspullen stond een kleine, kartonnen doos die ze in jaren niet had gezien. Er zat een dikke laag stof op. De zijkant was ingedeukt. Met een vreemd gevoel in haar buik trok ze de flappen open.
Bovenop lag een stapel oude wegenkaarten van Europa. De randen waren vergeeld en omgekruld. Daaronder lag een schriftje met een spiraalrug. Op de voorkant stond in grote, ronde letters haar eigen handschrift van vijftien jaar geleden: ‘ONZE WEG NAAR DE ZON’.
Ze pakte het schriftje op. Haar vingers trilden een beetje. Ze sloeg de eerste bladzijde om. Er viel een uitgeknipte foto van een oud, wit busje uit. Een Volkswagen, volgeplakt met bloemen.
“Elias,” zei ze schor.
“Wacht even, Mara, ik heb het zeil bijna vast,” riep hij vanaf de andere kant van de vliering, waar hij met een zaklamp tussen de balken tuurde.
Mara hoorde hem niet eens. Ze las de woorden die ze ooit met zoveel vuur had opgeschreven. ‘Dag 1: Slibberdam uitrijden en nooit meer achterom kijken. Dag 10: Slapen onder de sterren in de Provence. Dag 30: De zee zien bij Lissabon.’
Er stonden kleine tekeningen bij. Van een kampvuur. Van twee poppetjes die hand in hand op een strand stonden. Onder de tekening stond een zinnetje dat haar nu als een mes in haar hart sneed: ‘We laten ons nooit vangen door de sleur. Beloofd.’
Elias kwam met een verhit gezicht onder de balken vandaan. “Zo, dat moet het houden tot morgen. Dan bel ik de dakdekker. Wat heb je daar?”
Hij liep naar haar toe en keek over haar schouder mee. Het bleef lang stil. Alleen het suizen van de wind om het huis was te horen.
“O ja,” zei hij zacht. “Dat schriftje. Dat was uit die tijd dat we dachten dat alles vanzelf zou gaan.”
Hij wilde het schriftje uit haar handen pakken om het terug in de doos te leggen, maar Mara hield het stevig vast. Ze keek hem aan, en deze keer zag ze hem echt. Ze zag de rimpels rond zijn ogen die er vroeger niet waren. Ze zag de man die dacht dat hij haar beschermde door haar hier te houden, in dit droge, stoffige leven.
“Kijk dan, Elias,” zei ze, en ze wees naar de foto van het busje. “We hadden zelfs de kleur al uitgekozen. Marineblauw. Je zei dat je de motor zelf zou reviseren. Je zei dat we geen geld nodig hadden, alleen elkaar en de weg.”
Elias keek naar de grond. Hij wreef met zijn duim over een vlek op zijn badjas. “Mara, we waren kinderen. We wisten niets van hypotheken, of van pensioen, of van hoe de wereld echt werkt. Je kunt niet leven van de lucht en de liefde alleen. Dat weet je nu toch ook wel?”
“Maar we leven nu ook niet!” riep ze uit. Haar stem sloeg over en galmde tegen het schuine dak. “We overleven alleen maar! We wachten op een moment dat nooit komt. We sparen voor een toekomst die we elke dag een stukje verder weg duwen. Kijk naar ons, Elias. We staan op een vliering in de regen te vechten tegen een lekkend dak, terwijl we eigenlijk ergens op een strand hadden moeten liggen.”
Ze voelde de eerste traan over haar wang rollen. Hij was warm en zout.
Elias deed een stap naar haar toe en wilde zijn arm om haar heen slaan, maar ze stapte naar achteren. De kartonnen doos schoof weg over de houten vloer.
“Die gouden kettingen waar ik het over had,” zei ze zacht, terwijl de tranen nu sneller kwamen. “Jij noemt het zekerheid. Maar voor mij voelt het alsof ik langzaam verdrink in een emmer die steeds maar overloopt. En jij staat erbij en zegt dat het morgen wel weer droog wordt.”
Ze liet het schriftje vallen. Het landde met de bladzijden open op de stoffige vloer. De foto van het blauwe busje gleed onder de kast, uit het zicht.
“Ik ga naar beneden,” zei ze. “Ik kan hier niet meer tegen.”
Ze klom het laddertje af, haar bewegingen houterig en zwaar. In de slaapkamer hoorde ze nog steeds het geluid van het water in de emmer. ‘Tik. Plons. Tik. Plons.’ Elke druppel voelde als een seconde van haar leven die ze nooit meer terug zou krijgen.
Ze ging op de rand van het bed zitten en staarde naar haar koffer, die boven op de kledingkast stond. Hij was klein en blauw. Net als het busje op de foto.
De volgende ochtend was de wereld nog steeds grijs. De regen was zachter geworden, een fijne nevel die aan alles bleef plakken. In de keuken hing de geur van gebakken brood, maar het rook niet gezellig. Het rook naar een poging om alles weer normaal te maken.
Elias stond bij het aanrecht. Hij had zijn nette overhemd al aan voor zijn werk bij de drukkerij. Hij sneed het brood met precieze bewegingen, alsof er de avond daarvoor op de vliering niets was gebeurd.
“Ik heb de dakdekker gesproken,” zei hij, zonder om te kijken. “Hij komt tussen de middag. Het valt mee, zei hij. Een paar verschoven pannen en wat nieuw loodwerk. Met een paar honderd euro is het opgelost.”
Mara zat aan tafel en staarde naar haar kopje thee. De damp sloeg neer tegen haar brilglazen. Ze dacht aan het schriftje op de vliering, dat daar nu waarschijnlijk lag te verstoffen in het donker.
“Fijn,” zei ze. Haar stem klonk hol, alsof ze uit de verte sprak.
Elias kwam bij haar zitten en legde een bordje met een boterham voor haar neer. “Kijk me eens aan, Mara.”
Ze tilde haar hoofd op. Zijn ogen zochten de hare, smekend om een teken dat de storm was gaan liggen. “Ik weet dat het gisteren even te veel werd. Die oude spullen… dat doet wat met een mens. Maar we hebben het hier toch goed? We hebben een dak boven ons hoofd, ook al lekt het een beetje. We hebben werk. We hebben elkaar. Dat is wat telt in het leven, toch?”
Hij pakte haar hand vast. Zijn vingers voelden klam aan. “Ik heb gisteravond nog even gekeken naar de cijfers. Als we dit jaar niet op vakantie gaan, kunnen we dat extra potje voor de camper sneller vullen. Misschien over vier jaar al, in plaats van vijf. Wat denk je daarvan?”
Mara keek naar zijn gezicht. Ze zag de oprechtheid in zijn ogen, en dat was misschien wel het pijnlijkste van alles. Hij geloofde het echt. Hij dacht echt dat hij haar gelukkig kon maken met een nieuwe tabel in een Excel-bestand. Hij zag niet dat ze aan het stikken was. Hij zag niet dat elke ‘vijf jaar’ een jaar was waarin ze een stukje van haar ziel verloor.
“Vier jaar,” herhaalde ze zacht. “Dat zijn bijna vijftienhonderd dagen, Elias. Vijftienhonderd dagen waarin het waarschijnlijk drieduizend keer zal regenen in Slibberdam.”
Ze trok haar hand langzaam terug. “Ik kan niet meer wachten op de zon, Elias. Ik ben bang dat als ik nog langer wacht, ik vergeet hoe ze eruitziet.”
Ze stond op, liet haar ontbijt onaangeroerd staan en liep de trap op. Elias riep haar nog na, iets over dat ze niet onredelijk moest zijn, maar ze hoorde het alleen nog als een vaag geruis.
In de slaapkamer pakte ze de kleine blauwe koffer van de kast. Ze smeet hem op het bed. De rits gaf een scherp, protesterend geluid. Ze graaide in haar kast. Geen nette kleren voor de bibliotheek, maar haar oude spijkerbroeken, een dikke trui en haar wandelschoenen.
Ze liep nog één keer naar de vliering. Het was er koud en de emmer was bijna vol. Ze pakte het schriftje van de vloer en veegde het stof eraf. Ze zocht naar de foto van het blauwe busje, maar die lag te ver onder de kast. Ze liet hem liggen. De herinnering was pijnlijk genoeg.
Toen ze weer beneden kwam, stond Elias in de gang. Hij hield zijn aktetas vast, klaar om naar zijn werk te gaan. Toen hij de koffer zag, werd hij lijkbleek. Zijn mond viel een stukje open.
“Wat doe je nu?” vroeg hij. Hij probeerde te lachen, een onzeker, bibberend lachje. “Ga je een weekendje naar je zus? Is dat het?”
Mara schudde haar hoofd. Ze trok haar regenjas aan en pakte haar autosleutels van het haakje. “Ik ga rijden, Elias. Richting het zuiden. En ik stop pas als de ruitenwissers niet meer aan hoeven.”
“Maar je kunt niet zomaar weggaan!” riep hij uit. Hij zette zijn tas neer en deed een stap naar haar toe. “We hebben afspraken! De dakdekker komt straks! Ik heb vanmiddag een vergadering over de nieuwe persen! Je kunt me niet zo laten zitten!”
“Ik laat je niet zitten, Elias,” zei ze, terwijl ze de deur opende. De koude wind woei naar binnen en deed de post op het tafeltje in de gang ritselen. “Ik laat mezelf niet langer zitten. Dat is het verschil.”
Ze liep naar haar oude autootje dat op de oprit stond. Elias bleef in de deuropening staan. Hij zag er klein uit in de grote omlijsting van hun solide, bakstenen huis. Hij riep iets, maar zijn stem werd weggespoeld door een plotselinge vlaag van wind en regen.
Mara stapte in en startte de motor. Het ding pruttelde en protesteerde, maar sloeg aan. Ze reed de oprit af, de straat uit waar ze vijftien jaar lang elke dag dezelfde route had genomen.
Toen ze de grens van Slibberdam passeerde en de provinciale weg opdraaide, voelde ze een vreemde druk op haar borst. Geen pijn, maar een soort bevrijding, alsof een veel te strak korset eindelijk was losgemaakt. Ze zette de radio aan.
Eerst was er alleen maar ruis, maar toen ze aan de knop draaide, vulde de auto zich met een stem die precies wist hoe ze zich voelde. Een rauwe, eerlijke stem die zong over goede bedoelingen, over plannen die vastliepen in de modder en over de eeuwige vraag wie de regen kon stoppen.
Mara keek in haar achteruitkijkspiegel. Slibberdam was nog maar een grijze vlek in de mist. Ze keek weer naar voren, naar de weg die zich voor haar uitstrekte, glimmend van het water. De tranen stroomden nu ongehinderd over haar wangen, maar ze veegde ze niet weg. Voor het eerst in jaren voelde ze zich niet meer verdoofd.
Ze zong zachtjes mee met de radio, terwijl ze het gaspedaal iets dieper intrapte. De regen kletterde nog steeds tegen de voorruit, maar voor Mara was de storm voorbij. Ze was eindelijk onderweg.
===== Noot van de auteur =====
Lieve lezer,
Soms hoor je een liedje dat precies vertelt hoe je je voelt, ook al is het meer dan vijftig jaar geleden geschreven. Voor mij is ‘Who’ll Stop the Rain‘ van Creedence Clearwater Revival meer dan alleen een klassieker uit de radio. Het is een lied over de moed die nodig is om de regen in je eigen leven te stoppen.
Ik schreef dit verhaal voor iedereen die wel eens het gevoel heeft dat ze vastzitten in de plannen van een ander. Voor iedereen die wacht op een zon die maar niet lijkt door te breken. Mara leerde mij dat je soms niet moet wachten tot de bui overtrekt, maar dat je gewoon moet beginnen met rijden. Ook als je nog niet precies weet waar de weg naartoe gaat.
Ik hoop dat dit verhaal je heeft geraakt en dat je, de volgende keer dat je dit nummer hoort, even aan Mara denkt in haar kleine blauwe autootje.
Liefs,
Vlinder