**De late rit**
Rond half drie ’s nachts in een grauwe buitenwijk van Rotterdam stopte de zwarte Skoda Octavia bij de stoep voor een smoezelig flatgebouw. De taximeter tikte op € 47,80. Achterin zat een man van begin dertig, pak verkreukeld, das los, ogen rood van te veel bier en te weinig slaap. Hij heette Mark, werkte als accountmanager bij een middelgroot verzekeringskantoor en had net de zoveelste mislukte klantborrel overleefd.
De chauffeur draaide zich half om. Breed, kalend, achter in de veertig, nek als een boomstam. Op zijn dashboard hing een leren polsband met noppen en een sleutelhanger in de vorm van een kleine stalen handboei.
“ contant of pin?” vroeg hij met een stem die klonk alsof hij grind at.
Mark graaide in zijn portemonnee. Leeg. Creditcard al over de limiet. Hij mompelde iets over “morgen pinnen” en “appje sturen”.
De chauffeur lachte kort, geluidloos bijna.
“Nee jongen. Geen appjes. Geen morgen. Jij betaalt nu.”
Mark voelde de sfeer in de auto kantelen. De portieren zaten nog steeds op slot. Centrale vergrendeling. Hij lachte nerveus.
“Serieus man, ik heb het echt niet—”
“Jawel. Je hebt wél.” De chauffeur wees met zijn kin naar de achterbank. “Trek je broek uit. Tot op je enkels. Nu.”
Mark staarde hem aan. Dacht even dat het een grap was. Totdat de man een mes uit het zijvakje haalde – niet om te dreigen, maar om het lemmet achteloos langs zijn eigen onderarm te laten glijden, alsof hij zichzelf schoor. Het staal glansde onder het straatlicht.
“Je mag kiezen,” zei hij kalm. “Of je betaalt met je reet, of ik bel een paar maten die minder geduldig zijn dan ik. En die rekenen rente.”
Mark trilde. Maar zijn handen gingen al naar zijn riem. Schaamte, angst en een zieke, onverklaarbare opwinding mengden zich. Hij wurmde zijn broek en boxer omlaag. Zijn pik hing slap en klein tegen zijn dij.
De chauffeur stapte uit, liep om de auto heen en opende het achterportier. Hij was groter dan hij van voren leek. Hij duwde Mark opzij, ging naast hem zitten en trok de deur dicht. Het interieur rook naar leer, sigaretten en iets metaalachtig.
“Handen op je rug.”
Mark gehoorzaamde. Er klikten twee paar handboeien om zijn polsen – echte, geen speelgoed. De chauffeur greep hem bij zijn nekvel en duwde zijn gezicht tegen de rugleuning van de voorstoel.
“Je gaat niet gillen. Je gaat niet smeken. Je gaat nemen wat ik geef. Als je braaf bent, breng ik je daarna gewoon thuis. Als je lastig doet, blijf je hier tot de ochtendploeg komt aflossen.”
Hij ritste zijn eigen broek open. Wat tevoorschijn kwam was dik, half hard en al nat aan de eikel. Hij spuugde in zijn hand, smeerde het ruw over Marks opening en duwde zonder waarschuwing naar binnen.
Mark beet op zijn lip tot bloed. Een gesmoord geluid ontsnapte. De chauffeur gromde tevreden en begon te stoten – niet snel, niet zacht, maar diep en methodisch, alsof hij een machine in bedrijf stelde.
“Tellen,” commandeerde hij. “Hardop. Elke stoot. Vanaf één.”
Mark begon te tellen. Bij veertien huilde hij al. Bij drieëndertig schokte zijn lichaam ongecontroleerd en spoot er een dun straaltje zaad op de achterbank – zonder dat hij ook maar aangeraakt was.
De chauffeur lachte laag.
“Goed zo. Extra korting.”
Hij trok zich terug, veegde zichzelf af aan Marks overhemd en maakte de boeien los.
“Contant is veertig. Rest mag je aflossen in natura. Volgende week donderdag, zelfde tijd, zelfde plek. Anders kom ik je ophalen. Begrepen?”
Mark knikte alleen maar, kapot, besmeurd, trillend.
De chauffeur startte de motor weer.
“En voortaan,” zei hij terwijl hij de straat op reed, “neem je altijd contant mee. Of je laat je creditcard thuis.”
Bij het volgende stoplicht keek hij in de binnenspiegel.
“En Mark?”
“Ja?”
“Volgende keer mag je vooraan zitten. Dan mag je zuigen terwijl ik rijd.”
Mark zei niets meer.
Hij keek alleen maar naar buiten, naar de natte straatverlichting die over zijn gezicht gleed, en voelde hoe iets in hem voorgoed was gebroken – en tegelijkertijd, op een zieke manier, eindelijk wakker geworden.
—