Het begon ooit, tussen twee wereldoorlogen in in een atelier in Parijs dat eigendom was van Balthus. Een schilder die tot op de dag van vandaag intrigeert, verwart, choqueert en verleidt. Zijn werk balanceert op de rand van het heilige en het schandalige. Want wat gebeurt er als een meisje haar jurk optilt voor de schilder, een minnaar, God of de kijker, wie zal het zeggen? En het gebeurt niet een keer. Maar talloze keren. Balthus werd beroemd of berucht door zijn verstilde, vaak erotisch geladen schilderijen van jonge meisjes, meisjes in hun liminale fase, ergens tussen kindertijd en vrouwelijkheid, tussen onschuld en verleiding. Hij schildert hen dromend, lezend, slapend… met hun benen wijd, hun rokjes verschoven, hun blik afwezig of uitdagend, soms rozig alsof ze net gevingerd of geneukt hebben. Of zijn.
Een van zijn bekendste werken is Thérèse rêvant, Thérèse droomt. uit 1938 waarin een meisje met opgetrokken rok en zichtbaar slipje dromerig achteroverleunt, terwijl de wereld met ingehouden adem toekijkt. Het is die spanning tussen het voyeuristische en het sacrale, tussen verlangen en contemplatie die zijn oeuvre zijn bedwelmende kracht geeft. Balthus hield niet van interpretatie. “Don’t talk about my paintings, look at them,” zei hij. Vrijwel altijd is er een kat te zien en daarom noemde hij zichzelf een “koning van katten”, maar hij was ook de koning van de meidenpoezen. Die waren nooit te zien. Nou ja, bijna nooit. Zijn atelier was een tempel van stilte, precisie en sensualiteit, een plek waar tijd vertraagde. Zijn werk roept morele vragen op, en moralistisch handelen. Zeker in onze tijd. Sommigen vinden zijn werk poëtisch, anderen problematisch. Misschien is Balthus juist zo krachtig omdat hij ons dwingt te blijven kijken, ook als het ongemakkelijk wordt.
Zullen we eens kennis maken met het leven van het meisje dat vaker model bij hem was in haar vroege puberteit, Thérèse Blanchard? Met haar zoals ze misschien was of vooral zoals ze zich ontwikkelde. Zoals ze de atmosfeer bezielde, ook vele jaren na haar fysieke dood. In deze verhalen leeft ze tussen fantasie en werkelijkheid, tussen atelier, museum en een wereld die de hare had kunnen zijn als ze tijd van leven had gehad. Niet de échte, maar de geschilderde Thérèse.
Thérèse zit op een stoel, achterover geleund, haar hoofd naar achter, ogen gesloten, dromend, of verloren in een andere wereld. Haar ene been ligt opgetrokken op de stoel, het andere nonchalant afhangend, haar rok omhooggeschoven tot boven haar knieën. Haar slipje is zichtbaar, zonder schaamte, zonder opzet. En naast haar drinkt een kat melk van een schoteltje. Alsof de wereld verdergaat, ook wanneer zij zichzelf verlaat. De droom uit de titel is dubbelzinnig: droomt zij? Wordt er van haar gedroomd? Is dit haar eigen fantasie, die van de schilder of die van ons, de kijkers?
De eerste keer dat ze naar het atelier kwam was spannend. Ze was te vroeg gekomen, zoals meisjes soms te vroeg vrouw worden of jongens hun zaad nog willen ophouden maar te vroeg verliezen. De stad was nog nat van dauw, haar haren nog vochtig van de miezerregen. Haar moeder had gezegd “doe maar geen onderrok aan vandaag.” Ze had geen idee hoe zij zou poseren, maar ze vermoedde dat hij het vast wel merken zou dat ze alleen een schoon wit katoenen slipje droeg. Hij liet haar woordeloos binnen, met de stilte van een man die weet dat woorden alleen maar afleiden als een lichaam zich toevertrouwt aan een ruimte waar het voor het eerst binnentreedt.
Ze hing haar jas op, aan een haakje dat er vast niet voor bedoeld was. Zonder schaamte, zoals alleen meisjes kunnen die nog niet geleerd hebben wat ze later moeten verbergen. Hij vroeg haar niet om te poseren, maar gewoon om er te zijn. Nou dat deed ze, ze liet zich vallen op de stoel als op een bed van wolken. Trok haar been op, instinctief, haar rok viel open, de lucht hield even zijn adem in. Iets te ver open misschien, maar wat gaf het, het lag zo lekker. En dan, voorzichtig, terwijl zijn kwast nog niet durfde, maar zijn blik al schilderde bracht ze haar hand tussen haar dijen, om even te voelen of ze daar nog was. Of het klopte. Of wat ze daarstraks in het trappenhuis stiekem had gedaan nog nazinderde in haar vingers. Ze dacht aan het geluid dat haar vinger maakte toen ze zacht bij zichzelf naar binnen ging, aan de warmte die haar overspoelde en hoe ze hoopte dat de deur niet openging toen ze kwam. Ze kwam, met haar billen tegen de muur, met een schuin oog naar de deur van het atelier. Nu zat ze daar. Met het naspel nog in haar wangen, de smaak van haar eigen geheim tussen haar dijen. En ze droomde. Niet van prinsen of katten. Maar van zichzelf.
De schilder keek naar haar. Hij zou haar niet aanraken, hij zou haar, het beeld van haar alleen bewaren, vastleggen. Zo schilderde hij haar, alsof hij haar bevroor in de tijd nadat ze zichzelf met haar vingers had opengemaakt. Maar ook zij bekijkt hem, zoals alleen meisjes dat kunnen die weten wat mannen verbergen. Met dat gevoel tussen haar benen wordt ze nat. Van hem en van al die mensen waarvan ze hoopt dat die later naar haar zullen kijken. En zich al kijkend zullen afvragen hoe lekker ze kon masturberen en of de schilder haar ontmaagd heeft. En geneukt. En hoe vaak. Dat zal een schilderij je nooit vertellen, maar haar lichaam weet het.
Op het doek zit ze gevangen in olieverf, en toch leeft haar natheid verder in elk oog dat naar haar kijkt. Niet omdat ze wil verleiden, maar omdat ze al verleid is door de gedachte dat ze niet meer van zichzelf is. Ze is van hen, van jou, van iedereen die blijft hangen bij de plooi van haar slip, bij het zachte vlees boven haar knie, bij de kat die drinkt, onwetend, maar oh zo dichtbij. En met elke blik wordt haar lichaam wakker, als een mond die gesmoord is maar zich van binnen vult met vocht. Er ontstaat een trilling tussen haar benen, nee geen orgasme, maar ze voelt een gestage, gloeiende roep die aan haar schaamlippen ontsnapt: ik word gezien, ik word begeerd, ik besta niet meer alleen in mijn droom, maar in duizend hunkerende ogen die mijn kutje willen zien en me daar willen aanraken.
En daar, in dat natte weten, ligt haar ware extase. Niet in de daad, eerder of later misschien door de schilder verricht, niet door de aanraking, maar door het bekeken worden door zovelen die zichzelf verliezen in wat zij nooit echt aan hen zal geven. Ze laat het gebeuren, ontvangt het tussen haar gespreide benen, zoals regen valt op huid die niet smeekt maar openstaat. Ze oogt afwezig, ver weg, in werkelijkheid is ze diep in zichzelf gekeerd. Dat natte kutje van haar komt er niet zo maar, het is ook geen golf, maar langzaam wordt haar slipje doordrenkt met vocht, als een doek die zich volzuigt met een geur die ze herkent maar nog niet durft te benoemen. Ze voelt het tussen haar benen gebeuren, ze wordt zonder hand aangeraakt. Alsof de penseel van Balthus op het doek haar klitje, haar schaamlippen strelen. Er kijkt iemand. Er kijken er heel veel. Ze voelen haar zonder haar ooit te raken. Ze worden nat of stijf als ze naar haar kijken, willen haar kussen, stiekem masturberen en ze horen haar fluisteren, zonder dat ze haar lippen beweegt: “Ik ben niet aan het dromen. Jij wel. Van mij.” Ze opent haar ogen. Langzaam. Zoals een bloem weet wanneer de zon haar raakt. “Ik voel je. Ik voel jullie allemaal. En dat is wat me zo nat maakt.”
Haar slip is doordrenkt. Maar ze beweegt niet. Ze zit daar nog steeds, als een heilige, of een zondares die haar straf al heeft geproefd en er zoeter door is geworden. “Mijn droom begon nog vóór jij binnenkwam,” zegt ze nu, harder. “Maar dit, dit is geen droom meer. Dit is het lichaam dat weet dat het bekeken wordt, en zich daarom opent als een wond die eindelijk wil bloeden. Dus vraag me niet of ik droom. Vraag me liever of jij wakker genoeg bent om te voelen wat je van me maakt. Of je durft te leven met de fantasie die ik in je opwek.”
Ik lig hier, bedenkt Thérèse, met mijn ogen gesloten, alsof ik slaap, maar eigenlijk luister ik. Niet naar stemmen, niet naar woorden, maar naar het zachte ruisen van wat ik ben. De kat likt melk uit een kom; elk geluid lijkt een echo van iets in mij. Ik voel de houten stoel onder me, de koude vloer aan mijn tenen. Mijn knie rust hoog, mijn rok is wat opgeschoven, niet expres, maar ook niet helemaal per ongeluk. De lucht raakt mijn huid, en het tintelt, vreemd en intiem tegelijk. Ergens voor me, onzichtbaar door mijn gesloten ogen, beweegt hij. Zijn penseel, zijn adem, zijn blik. Ik weet dat hij kijkt. Soms voel ik het, als een licht dat over mijn huid glijdt, niet echt aanraking, maar bijna. En ik denk: waarom schaam ik me niet? Misschien omdat het kijken van een schilder anders is dan dat van de wereld. Hij ziet niet mijn benen, hij ziet lijnen. Hij ziet niet mijn huid, maar licht. Of misschien troost ik mezelf met die gedachte.
Er is iets aan het veranderen in mij, iets wat ik nog niet kan benoemen. Ik voel het als een trage golf van binnenuit. Het is het soort weten dat je niet leert, maar wordt. Soms, als ik droom, lijkt het alsof ik in water zweef, en mijn lichaam niet langer mijn lichaam is, maar een zachte vorm van verlangen.
Niet verlangen naar iemand, maar naar ervaren. Naar het moment dat ik mezelf zal begrijpen. De kat tilt haar kop even op en kijkt me aan. Haar ogen zijn goud, haar tong roze. Zij lijkt te weten wat ik nog niet weet, dat er in elk wezen een grens ligt tussen onschuld en ontwaken, en dat ik daar nu precies sta, balancerend. Ik glimlach, zonder dat iemand het ziet. Mijn hoofd kantelt verder achterover. De wereld wordt warm, traag, en heel stil. En ik denk: als hij dit schildert, zal het lijken alsof ik droom. Maar in waarheid, ik bén de droom. Jouw natte droom.
Balthus schilderde haar met haar tederheid, niet met haar lust. Zijn penseel volgt geen geile blik, maar een trage verkenning van het bestaan tussen werelden: tussen het meisje dat ze is en de vrouw van wie ze nog niet weet dat ze die gaat worden. Dat is vanuit het perspectief van Thérèse. Maar vanuit het perspectief van Balthus is de penseel de verbeelding van zijn erecte geslacht, dat de tederheid van het meisje met zijn wellustige kwast wil vullen. Zijn penseel volgt zijn geile blikken, een subtiele verkenning waarin hij het meisje dat haar benen wijd heeft tot de vrouw maakt waarvan zij op het moment dat zij op die stoel ligt nog geen weet heeft, maar de kloppende paal tussen zijn benen wel. Menig mens heeft zich afgevraagd of de schilder haar bemind, geneukt, genaaid heeft. Wéten doen we het niet, want hij heeft er met geen woord over gerept, hij zwijgt er over in alle talen. Het is net zo geheim als de inhoud van haar witte slipje.
Of toch niet? Laten we eens goed kijken: de kat op het schilderij drinkt gewoon haar melk. Alsof er niets aan de hand is. Alsof het lichaam van een meisje net zo gewoon is als een kom melk. En precies dat is het onuitstaanbaar mooie aan dit doek: het weigert te kiezen tussen sacraal en banaal. De kat weet niet beter dat dit een dag is al die andere dagen. Een gewone dag. Want het ís ook een gewone dag. En toch ook weer niet. Want de kat vertelt haar eigen verhaal: zij is symbool van wat er onder dat slipje tot leven is gekomen: zoals de kat de melk gedronken heeft zo heeft de poes van het meisje de witte vloeistof van de schilder geconsumeerd en tot zich genomen als een kostbare lekkernij.
Meidenkut en mannenzaad horen bij elkaar als poes en melk is de minder onschuldige boodschap die de schilder subtiel verwoord en aan de kijkers van het schilderij meegeeft. Zij droomt op de stoel waarop ze zit weg in een post-orgastische roes van haar eerste of zoveelste beurt in diens atelier. Ondertussen drinkt de kat haar melk alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is. Schilders neuken nu eenmaal vrouwen en meiden. Oud en jong. En soms té jong. Dat weet iedere kat en poes.