De Ontwijding van Eleonora deel 1/5

Noot van de auteur: Passie is soms als een traag werkend gif; het begint met een enkele blik en eindigt in een onherroepelijke transformatie. Dit 5-delige epos is een ‘slow-burn’ beleving. We beginnen in de verstikkende, alledaagse hitte van een dorpsapotheek en reizen stap voor stap naar de ijskoude overgave van de nacht. Heb geduld met Eleonora; haar ontwaken is intenser naarmate de weerstand langer wordt volgehouden.

Deel 1: De Lokroep van het Zwarte Huis

Ik stamp de wortels in de zware vijzel. Mijn armen branden bij elke stoot. De stenen stamper voelt ruw en zwaar in mijn klamme handen. De kraag van mijn jurk snijdt in mijn nek. De stijve stof is daar vochtig geworden en plakt genadeloos aan mijn huid. Zweet loopt in langzame straaltjes tussen mijn borsten omlaag. Ik voel hoe de natte linnen stof daar zwaarder wordt en tegen mijn tepels schuurt. De lucht in de apotheek is dik en verstikkend. Het ruikt scherp naar gedroogde lavendel en salie. Het is een geur die mijn keel dichtknijpt. Buiten op de straat hoor ik gedempte stemmen. Ik veeg mijn voorhoofd af met de rug van mijn hand en laat de vijzel even rusten.

Mevrouw Van Dijk leunt zwaar op de toonbank. Haar knokkels zijn wit en knokkelig om de knop van haar wandelstok. Ze ruikt naar oud textiel en mottenballen. “Geef me meer van die zalf, meisje,” kraakt ze. “Mijn gewrichten knarsen de hele nacht. Ik doe geen oog dicht.” Ik knik alleen maar en schep de dikke, plakkerige pasta in een aardewerken potje. Mijn vingers voelen kleverig aan. De bel boven de deur rinkelt fel. Pastoor Meerman stapt binnen. Zijn zware laarzen bonken op de houten vloerplanken. Hij brengt een vlaag koude buitenlucht met zich mee die even langs mijn benen strijkt. Zijn zwarte mantel hangt als een zwaar gordijn om zijn brede schouders. Zijn ogen fixeren zich direct op mij.

Vader komt uit de achterkamer gelopen. Zijn schort zit vol donkere vlekken van de kruidenextracten. “Pastoor, wat kan ik voor u doen?” vraagt hij met een hese stem. Meerman negeert hem volkomen. Hij loopt recht op mij af. Hij stopt pas als hij te dichtbij staat. De rand van zijn dikke buik drukt tegen de houten rand van de toonbank. Ik ruik zijn adem. Het is een zure, zware walm van gefermenteerde wijn en een ongewassen gebit. Mijn maag draait er onmiddellijk van om. Ik probeer een halve pas achteruit te doen. De houten stellingkast achter me drukt hard in mijn rug. Ik zit klem tussen het hout en zijn dwingende aanwezigheid.

“Ik kom voor zalf tegen brandwonden,” zegt hij. Zijn stem is laag en klinkt stroperig in mijn oren. Zijn hand reikt langzaam over de toonbank. Zijn vingers zijn dik en glimmen van het zweet. Hij raakt bijna mijn onderarm aan. Ik voel de hitte die van zijn lichaam afkomt. Het is een onsmakelijke warmte die mijn eigen ruimte binnendringt. “De kaarsen in de kerk roken te veel,” gaat hij verder. Zijn ogen glijden over de hals van mijn jurk. Vader begint achter me de zalf te mixen. Het mes schraapt ritmisch over de houten plank. Dat geluid gaat door merg en been.

Mevrouw Van Dijk betaalt voor haar potje en schuifelt langzaam naar de deur. De bel klingelt weer als ze naar buiten gaat. Nu zijn we alleen met hem. Meerman leunt verder voorover. Zijn ellebogen rusten nu op het hout. Zijn adem blaast warm in mijn gezicht. Ik knijp mijn ogen even dicht. “Het dorp praat over vreemde lichten bij Het Zwarte Huis, Eleonora,” fluistert hij. “Jij kent de kruiden uit het bos. Jij loopt daar vaak alleen. Heb je iets gezien?” Ik slik met moeite. Mijn keel voelt aan als schuurpapier. Ik schud mijn hoofd. “Nee, pastoor. Ik werk alleen hier. Ik weet van niets.”

Zijn vingers beginnen op het hout te tikken. Ze zijn slechts centimeters verwijderd van mijn hand. De druk in mijn borstkas bouwt zich op. Mijn hart slaat harde, onregelmatige klappen. Zweet prikt in mijn oksels. Vader reikt hem een potje aan. “Hier. Dat zal de pijn verzachten,” zegt hij kortaf. Meerman pakt het potje aan. Zijn lange nagels schrapen over de hand van mijn vader. Dan richt hij zijn blik weer op mij. Zijn ogen knijpen samen tot spleetjes. “Wees voorzichtig in de nacht, kind. God ziet alles. Ook de dingen die we in het donker hopen te verbergen.” Hij draait zich abrupt om en stampt naar buiten. De deur slaat met een harde klap achter hem in het slot.

Ik adem diep uit. Het is een moeizame teug lucht. Ik veeg de vijzel schoon met een ruwe doek. Mijn armen trillen nog steeds na van de inspanning van het stampen. De kraag snijdt nu nog dieper in mijn nek. Vader zucht diep en gaat verder met zijn mengsels. De zure geur van de pastoor hangt nog steeds in de kamer. Ik wil hier weg. Ik wil de deur uit. De muren van de apotheek lijken langzaam naar binnen te schuiven. Ze verstikken me.

Boven in mijn kamer sluit ik de deur achter me. De klik van het slot klinkt hard in de stilte. Mijn handen beven nog steeds. Ik veeg ze eerst grondig af aan mijn rok. Dan haal ik het kleine bundeltje uit mijn zak. De bladeren glijden in mijn handpalm. Ze voelen onnatuurlijk warm aan tegen mijn huid. Ik spreid ze uit op de houten tafel bij het raam. De kaarsvlam wankelt. Het licht valt over de bladeren en ze lijken op te gloeien. Een zachte hitte prikt in mijn vingertoppen en trekt omhoog naar mijn polsen.

Ik pak één blad op. Ik druk het stevig vast tussen mijn duim en wijsvinger. De randen knisperen zachtjes tussen mijn vingers. De hitte dringt nu dieper mijn vlees binnen. Het trekt door mijn aderen omhoog. Een geur van natte aarde en rottend blad vult de kamer. Het is een zware, vochtige lucht met een metaalachtige ondertoon. Mijn ademhaling versnelt. Mijn borsten gaan sneller op en neer achter het strakke linnen. Ik leun voorover om de geur dieper in te ademen. De warmte verspreidt zich nu door mijn hele lichaam. Het nestelt zich laag in mijn buik. Mijn dijen spannen zich onwillekeurig aan. Ik druk ze tegen elkaar om de druk die daar ontstaat te stillen. Het helpt niet.

De kaarsvlam flakkert wilder. De schaduwen dansen over de bladeren op tafel. Ik gooi het raam open. De koude avondlucht stroomt in een golf naar binnen. Het raakt mijn gezicht en mijn ontblote nek. De hitte in mijn handen verdwijnt echter niet. Ik staar naar buiten. In de verte zie ik Het Zwarte Huis. De donkere contouren steken scherp af tegen de grijze hei. De ramen zijn zwart en leeg. Ze lijken me aan te staren. Mijn hart bonkt nu in mijn keel. Ik leun zwaar op de vensterbank. Mijn vingers knijpen diep in het verweerde hout.

Daar beweegt iets. Achter een van de hoge ramen op de eerste verdieping verschijnt een schim. Een figuur stapt langzaam in het spaarzame licht. Hij is lang en staat kaarsrecht. Het is hem. Valerius. Zijn silhouet is onmiskenbaar. Hij draait zijn hoofd mijn kant op. Ik voel het gewicht van zijn blik op me drukken. Zelfs op deze grote afstand is de connectie fysiek aanwezig. Mijn adem stokt in mijn keel. De hitte van de bladeren klimt nu hoger. Het nestelt zich precies tussen mijn benen. Mijn dijen drukken nog harder samen. Ze wrijven onwillekeurig tegen elkaar aan. Een vochtige druk bouwt zich op in mijn onderbuik. Het trekt aan mijn huid.

Ik kan mijn ogen niet van hem afwenden. Zijn schim beweegt niet meer. Hij staat daar alleen maar te wachten. De lokroep hangt in de nachtlucht als een tastbaar gewicht. Mijn lichaam reageert heftig. Mijn spieren spannen zich tot het uiterste aan. Koud zweet breekt uit op mijn rug. De geur van de aarde vult mijn neusgaten en mengt zich met mijn eigen lichaamshitte. Ik bijt hard op mijn lip. Ik proef de ijzeren smaak van bloed. Mijn hand glijdt naar mijn hals en drukt daar tegen mijn kloppende ader. Het verlicht de spanning niet. De opwinding groeit ongehinderd door. Ik hijg zachtjes. Mijn dijen trillen nu onbeheerst terwijl zijn schaduw daar blijft staan in het verre donker.

Ik trek mijn schoenen uit. Ik zet ze zonder geluid neer bij de deur. Mijn blote voeten raken de houten vloer. Het hout voelt ijskoud en onverzettelijk aan. De planken drukken in mijn voetzolen. Er trekt een lichte schok door mijn enkels omhoog. Ik bijt weer op mijn lip. Ik mag geen geluid maken. Mijn hart gaat als een gek tekeer. Ik zet de deur op een kleine kier en luister. Beneden in de kamer kraakt een stoel. Mijn vader beweegt zich in zijn onrustige slaap. Al mijn spieren spannen zich aan. Mijn schouders trekken op. Ik ben klaar om te vluchten.

Ik glijd de gang in. Mijn voeten staan plat op de koude vloer. Bij elke stap voel ik de winterse kilte dieper mijn huid binnendringen. Het trekt door naar mijn botten. De trap wacht op me in het duister. Ik ken elke trede. Ik weet precies waar de planken kraken. Mijn hand grijpt de leuning vast. Het hout voelt ruw onder mijn palm. Ik zet mijn voet op de eerste tree. Het hout geeft iets mee. Een laag gekraak snijdt door de absolute stilte. Ik bevries onmiddellijk. Ik houd mijn adem in. Mijn oren zijn gespitst op elke beweging beneden. Er gebeurt niets. Mijn vader snurkt weer door. Het is een nat en ronkend geluid. Ik adem langzaam en bevend uit. Zweet parelt nu op mijn voorhoofd.

Ik daal verder af. Stap voor stap. Mijn tenen krullen om de randen van de treden om mijn gewicht te verdelen. De vierde tree geeft een scherpe piep. Mijn maag krampt samen. De spieren in mijn benen trillen van de enorme inspanning om stil te blijven. Ik zie voor me hoe zijn deur plotseling opengaat. Hoe hij op de trap verschijnt. Mijn handen knijpen harder in de leuning. Mijn nagels graven zich in het hout. Beneden bereik ik eindelijk de vloer. Mijn voeten zijn nat van het angstzweet dat de kou vasthoudt. Ik sluip naar de achterdeur. De ijzeren grendel voelt roestig aan onder mijn vingers. Ik duw hem langzaam open. De scharnieren piepen zachtjes. De nacht slokt het geluid direct op.

Buiten slaat de mist onmiddellijk toe. De damp is dik en vochtig. De kou grijpt mijn huid vast. Het dringt moeiteloos door mijn dunne nachthemd heen. Ik voel hoe mijn tepels onmiddellijk hard worden onder de stof. Ik huiver over mijn hele lichaam. Mijn armen zijn strak om mijn middel geslagen. Ik zet de eerste stap op het grindpad. De scherpe stenen prikken in mijn voetzolen. Ze zijn koud en oneffen. De mist lijkt aan mijn gezicht te kleven als een nat masker. Druppels parelen op mijn wangen. Ik hijg nu al kort en raspend. Terwijl ik door de tuin sluip, voel ik de struiken tegen me aan strijken. Ze zijn kletsnat van de dauw. Mijn voeten zakken diep weg in de zachte grond. De modder zuigt aan mijn tenen. Ik moet ze met kracht losmaken. Elke stap maakt een zuigend geluid dat veel te luid klinkt in de doodse stilte van de nacht.

De weg naar Het Zwarte Huis ligt voor me uitgestrekt. In de verte zie ik de contouren van de hei en het bos. De nachtwacht patrouilleert ergens in de nabijheid. Hun lantaarns zien eruit als vage, gele vlekken in de dichte mist. Mijn spieren verstrakken. Mijn dijen en kuiten branden van de spanning. Ik loop gebukt met een gekromde rug. Mijn ogen scannen de witte sluier voor me. Een tak kraakt luid in de verte. Ik duik onmiddellijk neer. Mijn knieën zakken in de diepe modder. Mijn hart ramt tegen mijn borstkas aan. Mijn adem stokt in mijn keel. Niets beweegt. Alleen de wind laat de mistflarden wervelen. Het strijkt koud over mijn nek. Ik sta moeizaam op en loop door. Mijn voeten voelen zwaar aan door de aanklevende modder.

De hoge heg van Het Zwarte Huis doemt op uit het niets. De lange doorns glinsteren in het zwakke maanlicht dat even doorbreekt. Ik grijp de rand van de takken vast. De doorns prikken direct in mijn handpalm. Ik negeer de pijn en duw mezelf er tussenuit. De takken scheuren langs mijn armen. Een doorn haakt diep in mijn onderarm. Het trekt mijn huid open in een lange lijn. Ik voel het warme bloed onmiddellijk opwellen. Het druppelt over mijn huid en vermengt zich met de koude modder. Ik bijt op mijn tanden tegen de pijn. Ik wurm mezelf verder door de dichte begroeiing. Mijn schouders schuren langs de ruwe stammen. Mijn nagels breken terwijl ik me vastgrijp in de zachte aarde. Mijn nachthemd scheurt met een luid geluid. De natte stof trekt nu strak over mijn borst. Een doorn raakt mijn dij en snijdt diep in mijn vlees. Het warme bloed voelt plakkerig aan op mijn been.

Ik hijg nu harder. Mijn ademhaling klinkt ruw en onregelmatig in mijn keel. Mijn longen branden van de enorme inspanning. Zwarte modder vult de ruimtes onder mijn nagels. Het is koud en kleverig. Nog een tak zwiept in mijn gezicht en snijdt in mijn wang. Het bloed prikt in mijn linkeroog. Ik duw door. Mijn hele lichaam trilt van de pijn en de kou. De spieren in mijn rug schreeuwen het uit. De heg geeft eindelijk mee. Ik val aan de andere kant op het gras neer. Ik zit op mijn knieën en hijg diep. Mijn borstkas gaat wild op en neer. Bloed en modder lopen in sporen over mijn huid. De kas ligt vlak voor me. Het glas glinstert dof in de nacht. Ik dwing mezelf om op te staan. Mijn benen voelen week aan. De lokroep in mijn binnenste trekt me onvermijdelijk verder.

Ik duw de zware glazen deur open en stap naar binnen. De koude mist van buiten slaat onmiddellijk om in een muur van vochtige hitte. De warme lucht raakt mijn gezicht. Het voelt zwaar en plakkerig aan op mijn bezwete huid. Mijn adem stokt even. Mijn longen vullen zich met de warme, natte lucht. De hitte zakt diep in mijn borstkas weg. Het zweet breekt meteen weer uit op mijn voorhoofd. Grote druppels rollen over mijn slapen naar beneden. Ik proef de zilte smaak in mijn mondhoeken. De deur klikt achter me in het slot. De hitte sluit zich als een deken om me heen. Het drukt op mijn schouders. Mijn natte nachthemd plakt nu volledig aan mijn borst vast. De dunne stof kleeft aan mijn borsten en mijn tepels staan pijnlijk hard onder de druk. Mijn hart bonst sneller dan ooit. Er klinkt een dof gedreun in mijn oren. Ik veeg met mijn mouw over mijn gezicht maar het zweet blijft komen. Het mengt zich met de modder die ik heb meegenomen van de heg.

De geur van de kas slaat op me neer. Het is een dikke en zoete walm. Het ruikt naar vochtige aarde en rottend blad. Er hangt ook een vlezige bloemengeur in de lucht die in mijn neus blijft hangen. Ik snuif de lucht diep in. Mijn keel knijpt zich bijna dicht. Grote, dikke bladeren hangen laag over het smalle pad. Ik raak er eentje aan. Mijn vingers glijden over het oppervlak. Het blad voelt warm aan. Het is zacht en ruw tegelijkertijd. Het voelt als vlees dat ademt onder mijn vingertoppen. Een grote bloem naast me zucht hoorbaar. De bloemblaadjes bewegen in de stilstaande lucht. Ik deins onmiddellijk terug. Mijn hand trilt. Druppels condens vallen van het glas op mijn arm neer. Ze voelen koud en scherp aan. Mijn benen plakken vast in de vochtige grond. Mijn schoenen maken een zuigend geluid in de modderige bodem. Ik loop verder. Mijn heupen schuren tegen de dikke stengels aan. De stengels buigen maar breken niet. Ze prikken in mijn dijen door de natte stof heen.

Ik zoek het lichtgevende kruid waarover de pastoor sprak. Mijn ogen knipperen tegen de schemering. Ik duw de bladeren met kracht opzij. Mijn vingers zijn nat en glibberig van het vocht in de kas. Mijn hartslag hamert nu in mijn hele lichaam. Het ritme trekt door mijn polsen heen. Ik voel ogen op me gericht. Er rust een zware druk in mijn nek. Het voelt alsof iets me volgt zonder een enkel geluid te maken. Zweet loopt in een constante straal over mijn ruggengraat naar beneden. Het kriebelt irritant tussen mijn schouderbladen. Mijn nachthemd plakt steeds strakker aan mijn lijf vast. Bij elke beweging trekt de stof aan mijn huid. Mijn borsten gaan heftig op en neer met mijn snelle ademhaling. Een bloem opent zich vlak voor mijn gezicht. De kroon is breed en bloedrood. Het ding zucht weer. Een zachte luchtstroom raakt mijn wang aan. Het is warm en vochtig. Ik zoek koortsachtig verder. Mijn vingers tasten door de dichte bladeren. Ik jaag op dat gloeiende groen dat me hierheen heeft gelokt.

De hitte bouwt zich nu op in mijn kern. Er ontstaat een lichte, pulserende druk laag in mijn onderbuik. Ik bijt op mijn lip en proef weer het bloed van de doornwond. De planten lijken zich dichter om me heen te drukken. De stengels raken constant mijn armen aan. De bladeren kleven vast aan mijn natte huid. Mijn tepels schuren pijnlijk tegen de stof van mijn hemd. Ze zijn extreem hard en gevoelig geworden. De geur van de bloemen wordt steeds sterker. Het ruikt vlezig en zoet. Het vult mijn longen tot ik moet hijgen. Iets beweegt in de diepe schaduw voor me. Het is een schaduw die niet bij de planten past. Ik verstijf onmiddellijk. Mijn ademhaling stokt. Zweet loopt over mijn borst naar beneden. De druppels glijden in de plooi tussen mijn borsten. De spanning kruipt omhoog. Er zit een knoop in mijn maag. Ik zet toch een stap vooruit. Mijn vingers trillen hevig. Ik zoek naar het kruid dat alles belooft maar ik vind het nog niet.

Ik sta eindelijk gebogen over het lichtgevende kruid. De kleine blaadjes gloeien met een zacht licht in mijn handpalm. Mijn vingers voelen plakkerig aan van het vocht. De hitte in de kas drukt zwaar op mijn blote huid. Het zweet parelt op mijn voorhoofd en loopt in warme stroompjes over mijn nek omlaag. Mijn hemd kleeft nu volledig aan mijn rug vast. De stof schuurt bij elke ademteug pijnlijk tegen mijn borsten aan. Ik raak een van de gloeiende bladeren aan. Ik voel de zachte textuur onder mijn vingers. Mijn hart bonst harder en harder. Het ritme dreunt door mijn hele borstkas heen.

Een donkere schaduw beweegt achter me. Ik draai me langzaam om. Mijn schouders staan strak van de spanning. Daar staat hij. Zijn gezicht is lijkbleek in het zwakke licht. Zijn huid zit strak over zijn hoge jukbeenderen gespannen. Zijn ogen zijn donker en houden me onverbiddelijk vast. Hij ademt niet. Zijn borstkas blijft volkomen stil staan. Geen op en neergaande beweging. Geen enkele zucht. Ik probeer een stap achteruit te doen. Mijn voeten zijn diep verzonken in de vochtige grond. Mijn hart klopt wild in mijn keel. Mijn bloed voelt warm en snel aan.

Hij beweegt veel sneller dan ik kan reageren. Zijn hand schiet plotseling naar voren. Hij grijpt mijn pols vast. Zijn vingers voelen ijskoud aan. Het is een dodelijke kou die direct door mijn hete en natte huid heen snijdt. De kou trekt tot diep in mijn botten. Ik ril over mijn hele lichaam. Al mijn spieren spannen zich tegelijkertijd aan. De schok van de kou rent omhoog door mijn arm. Het laat mijn vingers tintelen. Mijn huid begint te branden op de plek waar hij me aanraakt. Mijn eigen zweet mengt zich daar met zijn ijzige kou. Ik hijg. De adem stokt weer in mijn keel.

De kou verspreidt zich nu razendsnel door mijn lijf. Mijn hart slaat een slag over. Het is een harde klap tegen mijn ribben aan. Tegelijkertijd bouwt een enorme hitte zich op in mijn onderbuik. Het is een diepe en pulserende druk die mijn dijen dwingt om samen te knijpen. Mijn tepels verharden zich nog verder. Ze drukken pijnlijk tegen de natte linnen stof van mijn nachthemd aan. Een golf van rauwe hunkering trekt door me heen. Het is onverwacht en overweldigend. De angst knijpt hard in mijn maag maar de hitte in mijn bloed wint het gevecht. Het maakt mijn knieën week en krachteloos. Mijn ademhaling wordt snel en onregelmatig. Ik probeer zachtjes aan zijn greep te trekken maar hij houdt me vast. Zijn vingers knijpen diep in mijn vlees. De sensatie stuurt een schok omlaag naar mijn kern. Daar hoopt vocht zich op. Het voelt warm en nat aan tussen mijn benen.

Hij trekt me met een ruk dichterbij. Zijn lichaam drukt zich hard tegen het mijne aan. Hij voelt koud en onbuigzaam aan door zijn kleren heen. Mijn borsten raken zijn harde borstkas aan. De stof schuurt ertussen. De kou bijt in mijn huid op de plekken waar we elkaar raken. Het maakt mijn tepels nog harder dan ze al waren. De scherpe pijn gaat langzaam over in een duister genot. Ik hijg met mijn lippen van elkaar. Ik voel hoe hij zijn lippen tegen mijn hals drukt. Ze voelen koud en droog aan. Zijn tanden ontbloten zich langzaam. Ze zijn scherp en wit in het schemerige licht van de kas. Hij ademt nog steeds niet. Zijn greep om mijn pols wordt nog strakker. Zijn mond opent zich precies tegen mijn hard kloppende ader in mijn hals aan. De hunkering explodeert nu in mijn binnenste. Het is een rauwe en dierlijke drang die mijn hele lichaam vult. De dreiging van zijn tanden raakt eindelijk mijn huid aan.

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Damian

Sommigen zoeken de zon. Ik schrijf voor wie de schaduw durft in te stappen. Geen zoete romantiek, geen vluchtige prikkels. Mijn werk leeft waar controle breekt en verlangen een rauwe, duistere vorm aanneemt. Mijn verhalen raken de grens tussen psychologische diepte en fysieke overgave — intens, onverbloemd, zonder excuses. Betreed mijn dossiers alleen als je bereid bent de veilige paden achter te laten.

Dit verhaal is 91 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

Plaats een reactie