Deel 5: Het Domein van de Nacht
Noot van de auteur: De cirkel is rond. De weerstand is gebroken. In deze finale vervagen de grenzen tussen mens en monster, tussen pijn en extase. Wees getuige van de laatste uren van de apothekersdochter en de geboorte van iets dat de wereld nooit had mogen zien.
De zon was eindelijk ondergegaan en de duisternis in de kelder werd dik en verstikkend. Valerius stond nu kaarsrecht overeind. Zijn ogen kleurden dieprood door het bloed dat ik hem zojuist uit mijn eigen aderen had gegeven. Hij likte zijn lippen traag af. Zijn borstkas ging in een zwaar ritme op en neer met een adem die hij technisch gezien niet nodig had. Ik voelde de hitte door mijn eigen aderen razen. Het was een kolkende stroom van vuur. Mijn huid prikte overal alsof duizenden kleine naalden tegelijkertijd naar buiten drukten. De menselijke angst smolt weg in de hitte. Er kwam een scherpe en gevaarlijke drang in mijn borstkas opzetten die mijn vingers deed trillen van ongeduld. Pastoor Meerman stapte met een vertrokken gezicht naar voren. Hij hield zijn zilveren kruis hoog geheven. De mannen achter hem grepen hun hooivorken en bijlen steviger vast. De fakkels knetterden onrustig. De vette rook vulde de kelderruimte en prikte in mijn ogen.
Valerius sprong plotseling naar voren met een snelheid die mijn ogen nauwelijks konden volgen. Hij sloeg de brandende fakkel met één krachtige beweging uit de hand van Meerman. De pastoor deinsde met een schreeuw achteruit tegen de vochtige stenen muur aan. Ik voelde op datzelfde moment de eerste vlaag van onnatuurlijke kracht in mijn eigen spieren trekken. Het was een explosie van energie. De pastoor begon luidkeels een gebed te schreeuwen. Valerius negeerde het gesnotter en greep de vette keel van de man vast. Hij kneep direct toe. Het droge kraakgeluid van brekende botten echode door de hele ruimte. De ogen van Meerman puilden uit hun kassen. Er spoot een fontein van dik, donker bloed uit zijn mond. Ik ademde de lucht diep in. Ik rook de zure en doordringende geur van het angstzweet van de dorpelingen. Mijn maag draaide niet langer om van de stank. De metaalachtige geur van vers bloed lokte me juist dichterbij. Mijn tanden knarsten hard op elkaar.
Een man met een zware bijl zwaaide het wapen naar Valerius. Het blad raakte zijn schouder met een doffe klap. Het koude vlees scheurde diep open maar de wond sloot zich binnen enkele seconden weer volledig. Valerius lachte. Het was een harteloos en ijzig geluid. Hij ramde zijn vuist met brute kracht in de borstkas van de aanvaller. Ik hoorde de ribben één voor één breken als droge takken. Een gorgelend geluid steeg op uit de keel van de man. Ik stapte opzij en voelde de koude wind door de kapotte deur waaien. Mijn natte jurk plakte aan mijn huid vast. Mijn zintuigen werden nu extreem scherp. Ik zag de aderen kloppen onder de huid van de dichtstbijzijnde dorpeling. De drang nam nu volledig bezit van me. Ik sloeg mijn hand om zijn pols heen. Ik draaide zijn arm met een ruk om tot het bot met een luide knap brak. De man schreeuwde het uit van de pijn. Ik rook zijn bloed van dichtbij en een golf van hitte trok direct tussen mijn benen door. De honger was nu officieel wakker.
Valerius rukte het zilveren kruis uit de handen van de stervende Meerman. Hij zette zijn tanden met een brute ruk in de hals van de pastoor. Het bloed spoot tegen de muren aan. Meerman trappelde nog even wild met zijn benen op de grond maar zijn verzet werd steeds zwakker. De overgebleven mannen deinsden vol afschuw achteruit. Ze lieten hun wapens simpelweg vallen en vluchtten naar de trap. Ik liet de man met de gebroken pols los. Ik greep een zware hooivork vast die op de stenen vloer lag. Ik trok het wapen naar me toe. Ik stak de scherpe punten met mijn volledige gewicht in de buik van een vluchtende kerel. Hij kreunde zwaar en boog dubbel. Het warme bloed gutste over mijn handen heen. De geur vult mijn neusgaten en mijn hart bonsde nu in een traag en machtig ritme. De oude angst was volledig vervangen door een jagersdrang. Ik grijnsde breed en voelde mijn hoektanden scherp in mijn mond steken.
We baanden ons een weg door de rest van de kelder. We klommen de trap op terwijl de doodskreten achter ons bleven opklinken. Lichamen sloegen met doffe klappen tegen de stenen muren aan. We bereikten de grote hal. De deuren stonden wijd open. De zwarte koets stond buiten al te wachten op de oprit. De paarden stampten onrustig met hun hoeven op de modderige grond. De nachtlucht raakte mijn gezicht aan en bracht een heerlijke koelte mee. Valerius duwde me naar voren en sprong direct achter me aan de koets in. Een laatste dorpeling rende ons nog achterna met een bijl in zijn hand. Hij struikelde over het lijk van een van zijn kameraden en viel plat neer met zijn gezicht in het warme bloed. We klommen in de wagen. De koetsier liet zijn zweep knallen met een scherp geluid. De wielen draaiden direct rond. We scheurden de donkere bossen in. De flakkerende fakkels van de achterblijvers werden steeds kleiner in de duisternis achter ons.
De koets denderde met een razende vaart over de zanderige paden van de hei. Ik hoorde het hoefgetrappel van het paard van Meerman plotseling achter ons opklinken. Blijkbaar was de pastoor nog niet dood of was het een van zijn handlangers. De koude mist sloeg in flarden door de open ramen van de koets naar binnen. Mijn tanden voelden nu permanent scherp aan in mijn tandvlees. Ik rook de zure angst van de achtervolger al op grote afstand. Mijn oren pikten het snelle bonzen van zijn hart op boven het geknars van de wielen uit. Valerius greep de deur van de koets stevig vast. Hij riep met een krachtige stem naar de koetsier om te stoppen. De paarden hinnikten luid en de wagen schokte met een brute klap tot stilstand. De modder spatte hoog op tegen de houten zijkanten.
Hij stapte als eerste uit in de kille nevel. Ik klom direct achter hem aan naar buiten. De kou van de nacht prikte aangenaam in mijn veranderde huid. Mijn adem werd zichtbaar als kleine wolkjes in de lucht. De achtervolger kwam dichterbij op zijn zwarte hengst. Het was inderdaad Meerman; hij was lijkbleek en bebloed maar hij leefde nog. Hij zwaaide wild met een zilveren zwaard boven zijn hoofd. Hij schreeuwde hysterisch over duivels, hellevuur en bloedzonde. Zijn ogen glommen waanzinnig in het bleke maanlicht. Het paard snuifde luid en stampte met zijn hoeven in de natte aarde. De geur van dierlijk zweet en verse modder vulde mijn neus. Valerius draaide zich langzaam om. Hij stapte vooruit zonder enig wapen in zijn handen. Zijn laarzen zonken weg in de zachte grond. Hij keek de pastoor recht in zijn ogen aan met een grijns die al zijn scherpe tanden toonde.
Meerman dreef zijn paard tot het uiterste aan. Hij hief het zwaard hoog in de lucht. De hengst brulde en stormde naar voren. De modder vloog in grote klodders in het rond. Valerius dook op het allerlaatste moment behendig opzij. Hij greep de teugels met één hand vast. Het paard schrok hevig en steigerde met zijn voorpoten hoog in de lucht. Meerman verloor zijn evenwicht en tuimelde naar voren uit het zadel. Ik hoorde het duidelijke geluid van krakende botten op het moment dat Valerius de man van het paard rukte. Hij sloeg hem met een vuistslag op de grond die zijn hele neus verbrijzelde. Het bloed spoot uit zijn neus. De pastoor rolde weg in de modder. Hij probeerde moeizaam overeind te komen met het zwaard nog steeds in zijn hand. Hij hijgde zwaar. Zijn gezicht was vertrokken van de pijn. Hij zwenkte het wapen naar Valerius toe. Hij stak met kracht toe met het lemmet dat flitste door de mist.
Valerius blokkeerde de slag simpelweg met zijn onderarm. Het zilver beet diep in zijn vlees weg. Donker bloed drupte op de grond maar hij vertrok geen spier en voelde blijkbaar geen pijn. Hij greep de pols van Meerman vast. Hij draaide de arm net zo lang tot het bot brak met een scherpe en definitieve knap. De pastoor schreeuwde het uit van ellende en liet het zwaard vallen. Hij probeerde met zijn vrije hand naar de keel van Valerius te klauwen. Valerius rukte de man echter dichterbij zijn lichaam. Hij zette zijn tanden met een brute kracht in zijn schouder. Het vlees scheurde hoorbaar open. Het bloed gutste warm en overvloedig over hun kleren heen. Ik rook de metaalachtige hitte van het stromende bloed. Mijn mond vulde zich onmiddellijk met speeksel. De kou van de nacht liet mijn rug rillen van genot. De honger in mijn binnenste groeide tot een onhoudbaar punt. Mijn vingers trilden nu van pure opwinding.
Meerman spartelde en trapte nog even met zijn benen in de lucht. Hij gorgelde onverstaanbaar over zonden en de eeuwige hel. Valerius tilde de man moeiteloos boven zijn hoofd op. Hij sloeg het hoofd van de pastoor met een enorme klap tegen een grote steen op de grond aan. De schedel kraakte als een eierschaal. Het lichaam van de man schokte nog een laatste keer met een wanhopige kreet die wegstierf in de mist. Het paard galoppeerde in blinde paniek weg in de duisternis. Valerius liet het slappe lijk eindelijk los. Het viel als een zware zak neer op de grond. De ogen van de pastoor staarden star en levenloos in de hemel boven ons. Valerius veegde zijn bebloede mond af met de rug van zijn hand. Hij draaide zich langzaam naar mij om. De koude wind bewoog zijn haar. Hij knikte kort dat we nu echt moesten gaan.
We klommen terug in de koets. De koetsier liet de paarden onmiddellijk weer aansporen. We reden in een razend tempo verder door de uitgestrekte hei. Het bloed aan onze handen voelde kleverig en warm aan. Mijn zintuigen bleven op scherp staan. De nacht sloot zich nu definitief om ons heen als een vertrouwde deken.
De koets schudde en trilde over de hobbelige zandweg. De houten wielen ratelden onophoudelijk terwijl we door de nacht raasden in de richting van de grens. De paarden hijgden zwaar en het witte schuim stond op hun monden door de enorme inspanning. Binnen in de wagen drukte Valerius me hard tegen zijn borstkas aan. Zijn ijskoude huid drukte direct tegen mijn eigen warme vlees aan. Ik voelde de hardheid van zijn lid door de dikke stof van zijn broek heen drukken. Mijn dijen openden zich instinctief voor zijn nabijheid. Ik greep zijn schouders stevig vast. Mijn nagels groeven zich diep in zijn marmeren vlees in. Hij beet plotseling zijn eigen pols open met zijn tanden. Het donkere bloed welde er dik en heet uit weg. Het stroomde over zijn arm omlaag. De geur van ijzer en oud leer vulde de kleine ruimte van de koets volledig op. Mijn hart klopte wild tegen mijn ribben aan. Ik boog me voorover en zette mijn lippen tegen de open wond aan. Ik zoog het bloed gulzig op. Het smaakte zoutig en metaalachtig maar ook onnatuurlijk zoet. Er trok een brandende hitte door mijn keel naar binnen die in mijn maag bleef branden als vloeibaar vuur.
Hij gromde laag en dierlijk. Hij trok mijn jurk met één ruk omhoog. De stof scheurde met een luid geluid kapot. Mijn blote huid werd direct blootgesteld aan de koele lucht in de koets. Zijn marmeren handen grepen mijn heupen in een ijzeren greep vast. Hij trok me strakker op zijn schoot naar zich toe. Het warme bloed drupte nog over mijn kin omlaag. Ik likte het gulzig van mijn lippen af. Mijn lichaam reageerde met een enorme golf van hitte tussen mijn benen. Ik voelde mezelf direct kletsnat worden. Ik wreef mijn kruis hard over zijn broek heen. De druk van zijn erectie voelde hard en onverbiddelijk aan tegen mijn vlees. Valerius beet met kracht in mijn onderlip. Er vlamde een scherpe pijn op in mijn mond maar het genot schoot onmiddellijk door mijn hele lichaam heen. Ik slaak een luide kreun uit. Hij greep mijn borsten vast en kneep erin tot mijn tepels pijnlijk hard werden onder zijn vingers. De koets helde plotseling over een diepe kuil heen. Ik viel naar voren zodat mijn open mond zijn nek raakte. Ik proefde zijn koude huid. Het smaakte naar zout, zweet en bloed. Hij tilde mijn heupen op. Hij liet me in één keer op zijn schoot zakken met zijn broek inmiddels geopend. Zijn lid gleed diep in me naar binnen. Het voelde nat, strak en overweldigend aan.
Ik hijgde zwaar bij elke beweging. Ik bewoog koortsachtig op en neer. De wrijving vulde mijn hele wezen. De hitte in mijn kern bouwde zich razendsnel op. Het bloed dat ik zojuist had gedronken begon nu echt te werken in mijn lichaam. Er trok een scherpe en felle pijn door mijn borstkas heen. Mijn ribben leken van binnenuit te breken door de verandering die gaande was. De pijn vermengde zich direct met de harde stoten van Valerius die steeds dieper ging. Hij greep mijn vlees stevig vast. Mijn eigen tanden voelden nu extreem strak in mijn tandvlees aan. Ze rekten zich zichtbaar uit; ze werden lang en vlijmscherp. Ik opende mijn mond wijd en beet met kracht in zijn schouder. Zijn eigen koude bloed stroomde opnieuw mijn mond binnen. De pijn in mijn borst veranderde nu definitief in een vuur van onstuitbare kracht. Het trok door mijn armen en benen heen. Ik klauwde zijn rug volledig open met mijn nagels. Mijn spieren spanden zich aan met een nieuwe en brute sterkte. Ik draaide hem met één krachtige beweging om in de krappe koets. Ik klom bovenop hem. Ik bereed hem nu hard en snel. Mijn heupen sloegen met geweld tegen de zijne aan.
De extase bouwde zich op naar een ongekend hoogtepunt. Mijn climax kwam eindelijk met een scherpe schreeuw die door de nacht galmde. Mijn hele lichaam schokte heftig terwijl de transformatie definitief toesloeg. De laatste menselijke zwakte smolt simpelweg uit mijn botten weg. Er bleef alleen nog maar een rauwe en allesverslindende honger over. Het was een trek die alles wilde bezitten. Valerius stootte met geweld omhoog en vulde me volledig op. Hij gromde luid. Zijn handen grepen mijn nek in een dwingende greep vast. Ik voelde me op dat moment zijn gelijke. Ik was sterk en koud van binnen. Mijn tanden zonken diep in zijn koude vlees in en trokken nog meer bloed weg. De ontlading overspoelde ons beide in de absolute duisternis van de koets. De pijn was voorgoed voorbij. De kracht golfde ongehinderd door mijn aderen heen. Ik keek op hem neer. Mijn groene ogen zagen nu alles scherp in het donker. De honger had het breekbare meisje uit de apotheek definitief verslonden. Er bleef alleen nog maar de vrouw over die vanaf nu naast hem zou jagen.
De koets bonkte gestaag over de onverharde weg verder. De wielen grepen in de zwarte modder. We passeerden eindelijk de grens. De laatste Nederlandse kerktorens vervaagden langzaam in de dikke ochtendmist achter ons. Ik zat rechtop op de bank. Ik leunde met mijn gezicht naar het raampje toe. De zon kwam langzaam op boven de verre hei. Er braken strepen licht door het grijze wolkendek heen. De warmte van de zon raakte mijn huid aan maar ik voelde het niet meer als warmte. Het liet alleen nog maar een kille tinteling achter op mijn armen en mijn bleke gezicht. Mijn vingers grepen het leer van de bank stevig vast. De kleine scheurtjes in het materiaal voelden extreem scherp aan onder mijn nagels. Ik staarde naar buiten. De bomen en struiken flitsten in een razend tempo langs de koets heen. Ik zag elk detail van elk blad. Ik zag de fijne aderen en de glinsterende dauwdruppels met een onnatuurlijke helderheid.
Valerius zat rustig naast me. Zijn hand rustte bezitterig op mijn dij. Ik trok me geen millimeter terug. Zijn kou was nu ook de mijne geworden. Onze huiden versmolten met elkaar zonder de oude hitte die ik ooit had gekend. Alle geluiden om ons heen drongen met kracht door in mijn oren. Het kraken van het leer vulde de hele koets. Ik hoorde de paarden zwaar hijgen. Ik zag hun flanken op en neer gaan. Ik zag hun aderen kloppen onder de dikke vacht alsof ik een röntgenblik had. Ik hoorde de hartslag van de koetsier door de houten wanden heen. Het was een steady en onverstoorbare dreun die in mijn hoofd echode. Het deed me happen naar adem door de opwinding die het opriep. De honger in mijn onderbuik draaide zich om als een scherpe knoop. Mijn maag krampte samen. Mijn tanden knarsten onwillekeurig op elkaar. Mijn ogen vingen elk klein detail op van de omgeving. De stenen op de weg rolden weg. Ik telde de scheuren in de rotsen terwijl we voorbijreden. De hele wereld was scherp en intens geworden. Ik werd overspoeld met de geur van natte aarde en het zweet van de paarden.
Ik draaide me langzaam naar Valerius om. Mijn hand gleed over zijn harde borstkas heen. Ik voelde geen enkele warmte meer in mezelf. Er was alleen nog maar de koude druk van zijn spieren onder mijn palm voelbaar. De zon klom inmiddels hoger aan de hemel. Het felle licht sneed door het kleine raampje naar binnen op mijn witte huid. De stralen brandden niet meer. Ze voelden simpelweg koud aan. Ze trokken aan mijn vlees op een vreemde manier. Ik deinsde instinctief terug in de veilige schaduw die hij me bood. Mijn lichaam zocht direct naar de duisternis van zijn gestalte. De honger in mijn keel groeide per minuut. Ik slikte moeizaam. Mijn tong streek over mijn tanden heen. Ik voelde de scherpe randen die nu permanent aanwezig waren. Ik was klaar om te grijpen. De oude menselijke wereld bleef achter als een vage en zwakke herinnering aan onschuld. Ik was nu een jager. De dichte bossen voor ons strekten zich uit als mijn nieuwe territorium. Elke schaduw tussen de bomen was vanaf nu een belofte van prooi en van de nacht.
Mijn adem stokte even in mijn keel. Ik greep de arm van Valerius stevig vast. De geluiden in mijn hoofd werden steeds luider. Het bonken van mijn eigen hart was nu traag, krachtig en onverwoestbaar. Ik wist zonder twijfel dat de apotheek en het dorp voorgoed verdwenen waren uit mijn leven. Er bleef alleen nog maar de eeuwige trek over die me voortdreef naar het onbekende. De zon rees hoger en het licht vulde de hele koets. Ik voelde het niet meer als een vijand. Het was slechts een sluier die we vanaf nu simpelweg konden negeren. We gleden steeds dieper de bossen in. De grens lag voorgoed achter ons.
De koets stopte met een harde schok voor de torenhoge, ijzeren poorten van het kasteel. Ik stapte als eerste uit de wagen. De wielen kraakten nog na op de bevroren grond. De ijzige berglucht drong direct diep in mijn longen naar binnen. Het bracht echter geen kou die me deed huiveren. Mijn huid voelde strak en onbreekbaar aan tegen de elementen. Ik balde mijn vuisten hard samen om de rauwe kracht te testen die nu door mijn botten stroomde. Valerius kwam naast me staan. Hij legde zijn hand op mijn onderrug. Onze lichamen raakten elkaar aan in een stille maar krachtige claim op dit nieuwe domein. De grijze stenen muren rezen dreigend voor ons op. De randen van de torens sneden scherp in het bleke maanlicht dat over de toppen viel. Ik liep erheen. Mijn vingers gleden over de ruwe oppervlakte van de muur. De textuur voelde vast en koud aan. Mijn vlees duwde ertegenaan zonder dat ik enige pijn voelde.
Ik draaide me traag om naar het oosten. De verre horizon gloeide nog na van de afwezige zon. Ik staarde naar de vage lijn van bossen en dorpen die we voorgoed achter ons hadden gelaten. Valerius kwam vlak achter me staan. Ik voelde zijn ademhaling in mijn nek roeren. De hitte van zijn nabijheid wakkerde mijn eigen koude kern onmiddellijk aan. Er golfde geen enkele spijt door me heen over mijn oude leven. Er was alleen nog maar de felle en allesoverheersende honger die in mijn keel brandde. Mijn tanden drukten zich hard tegen mijn onderlip aan tot ik mijn eigen koude bloed proefde. De smaak lag dik en metaalachtig op mijn tong. Ik voelde de onweerstaanbare drang om te grijpen en te nemen wat ik wilde. Zijn ogen vonden de mijne in de schemering. We keken elkaar lang aan. Onze pupillen verwijdden zich volledig in het donker van de poort. De belofte van de eeuwige jacht hing als een tastbaar gewicht tussen ons in. Mijn hand drukte zich hard op zijn borstkas. Ik voelde de absolute stilte van zijn hart. Die stilte was nu ook de mijne geworden.
Hij tilde mijn kin met zijn vingers omhoog. Zijn koude lippen raakten de mijne aan. Zijn tong drong onmiddellijk diep naar binnen. De smaak van bloed vermengde zich met onze innerlijke hitte. Mijn lichaam reageerde met een scherpe en krachtige trek in mijn onderbuik. Ik duwde hem met mijn nieuwe kracht hardhandig terug tegen de stenen muur aan. Mijn nagels groeven zich in zijn brede schouders in. Hij trok mijn gescheurde jurk nu volledig van mijn lichaam weg. Zijn handen gleden over mijn borsten heen. De druk was hard, bezitterig en onverbiddelijk. Ik hijgde zwaar. De honger dreef ons beiden naar een koortsachtig ritme van stoten en grijpen. De snijdende bergwind blies over ons heen maar het deed ons niet stoppen. Ik zette mijn tanden diep in zijn nek vast. Het bloed vloeide rijkelijk. De extase raasde door mijn hele lichaam heen. Elke beweging ging dieper. Onze lichamen smolten definitief samen in de rauwe eenheid die we zelf hadden gekozen.
We stonden op de drempel van ons nieuwe rijk. Ik duwde de zware, eikenhouten deuren met mijn eigen handen open. Valerius tilde me met één arm op. We stapten samen de diepe duisternis van het kasteel in. De poorten sloten zich achter ons met een dreun die de hele nacht vulde. De nacht is eindelijk gekomen. En wij omarmen haar met een ijskoude honger.
Einde