Het leven met een Meester is geen snelle aaneenschakeling van incidenten, maar een langzame, gestage erosie van je eigen wil, totdat er een fundering overblijft die puur bestaat uit de wens om te dienen.
In de maanden die volgden op mijn ervaring met Vanessa, verdiepte mijn relatie met Bert zich op een manier die ik nauwelijks kan uitleggen. Waar Dick de katalysator was geweest, de vonk die het vuur had aangestoken, was Bert de architect van mijn nieuwe realiteit. Hij bouwde muren om me heen, niet om me op te sluiten, maar om me veiligheid te bieden binnen zijn regels.
Onze sessies in de P.C. Hooftstraat waren inmiddels een vast anker in mijn week geworden. Maar routine, hoe geruststellend ook, brengt het risico van voorspelbaarheid met zich mee. En Bert was veel dingen, streng, veeleisend, koud, maar hij was nooit voorspelbaar. Hij begreep de menselijke psyche beter dan wie dan ook. Hij wist dat een slavin niet alleen discipline nodig heeft, maar ook angst. De gezonde angst voor het onbekende die je zintuigen op scherp zet en je eraan herinnert dat je positie nooit gegarandeerd is.
En die angst kwam, sneller en harder dan ik had kunnen voorzien.
**********
Het was een vrijdag in november. De lucht was grijs en zwaar van de regen. Bert had me die week niet ontboden in het appartement. In plaats daarvan had ik een kort bericht ontvangen: “Vrijdagavond. 19.00 uur. Zorg dat je een tas bij je hebt voor een overnachting. Paspoort mee.” Mijn hart had een sprongetje gemaakt toen ik het las. Een overnachting. Iets nieuws, iets anders.
Toen ik om zeven uur bij Bert instapte, hij haalde me deze keer op, niet bij mijn huis, maar op een carpoolplaats langs de A4 om de werelden fysiek gescheiden te houden, viel me meteen op hoe hij gekleed was. Geen casual trui, maar een maatpak van donkergrijze wol, een wit overhemd zonder das, en schoenen die glommen alsof ze van glas waren. Hij zag eruit als een zakenman op weg naar een belangrijke deal, of een eigenaar op weg naar een veiling.
“Goedenavond, Meester,” zei ik, terwijl ik de portier dichttrok en de geur van leer en zijn aftershave opsnoof.
“Vicky,” knikte hij. Hij startte de motor van zijn zware Duitse auto en draaide de snelweg op, richting het zuiden.
Het eerste uur reden we in stilte. Bert was geen man van koetjes en kalfjes. Hij liet de stilte werken. Ik zat naast hem, mijn handen gevouwen in mijn schoot, en voelde de spanning in de kleine ruimte van de auto groeien. Waar gingen we heen? Waarom mijn paspoort?
Bij de grensovergang Hazeldonk begon mijn hart sneller te kloppen. België. We gingen naar het buitenland. Het voelde als een definitieve stap, alsof de Nederlandse wetten en mijn burgerlijke normen stopten bij de grenslijn.
“Weet je waarom we hier zijn?” verbrak Bert plotseling de stilte. Zijn stem was rustig, de stem van iemand die het weerbericht voorleest.
“Nee, Meester. U zei dat we weg gingen.”
“We gaan naar Antwerpen,” zei hij. Hij hield zijn ogen op de weg. “Er is daar een plek. Een kelder of beter, een besloten sociëteit waar mensen komen die, net als ik, de schoonheid van bezit begrijpen.”
Ik slikte. Een kelder. Het woord riep beelden op van duisternis, van vochtige muren, van dingen die ik alleen uit films kende.
“Gaan we… kijken?” vroeg ik voorzichtig.
Bert draaide zijn hoofd heel even naar mij. Een klein, koel lachje speelde om zijn lippen.
“Kijken? Nee, Vicky. Jij gaat niet kijken. Jij gaat bekeken worden.”
De woorden landden zwaar in mijn maag.
“Ik ga je tentoonstellen,” vervolgde hij, alsof hij uitlegde wat we gingen eten. “Ik heb je nu bijna een jaar. Ik heb je gevormd. Ik heb je ego afgebroken en weer opgebouwd naar mijn wensen. Je bent volgzaam, je bent stil, je bent esthetisch aangenaam. Het is tijd om mijn werk te laten zien aan mensen die daar verstand van hebben.”
Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Tentoonstellen.
“Bedoelt u… naakt, Meester?”
“Uiteraard. Een kunstwerk verstop je niet onder een laken. Maar het gaat verder dan dat. In de P.C. Hooftstraat ben je veilig. Daar zijn Manon, de anderen en ik. Je weet wat er gebeurt. Je weet dat je veilig bent. Vanavond neem ik die veiligheid weg.”
Hij schakelde terug om een vrachtwagen in te halen. De motor brulde zachtjes.
“Je zult vastgebonden worden,” zei hij. “Niet met die onzin die je in winkels koopt. Geen spreidstangen van metaal of klemmetjes. Ik heb geen hulpmiddelen nodig om je te beheersen, dat weet je. Maar in deze kelder zijn de faciliteiten aanwezig om je fysiek volledig open te stellen. Touwen. Kettingen. Ik ga je in een X-vorm hangen. Armen wijd, benen wijd. Zodat niets, maar dan ook niets, verborgen blijft.”
Mijn ademhaling stokte. Het beeld dat hij schetste was zo levendig dat ik mijn polsen al voelde trekken.
“En,” ging hij onverstoorbaar verder, “je zult geblinddoekt zijn. Vanaf het moment dat we de kleedruimte verlaten tot het moment dat ik besluit dat het klaar is. Je zult honderden ogen op je voelen, Vicky. Je zult mannen en vrouwen horen fluisteren over je lichaam. Misschien zullen ze dichterbij komen om je te ruiken. Maar je zult niemand zien. Je zult alleen mijn stem hebben. En mijn stem is de enige wet die daar geldt.”
Ik staarde naar buiten, naar de regendruppels die strepen trokken op het raam. De lichten van de tegenliggers waren wazige vlekken. De paniek borrelde op in mijn keel. Dit was extreem. Dit was publiek.
“Maar Meester,” begon ik, mijn stem trillend. “Wat als… wat als iemand me herkent?”
“Niemand herkent je,” zei hij kortaf. “Maar… het is ook als een maskerbal, figuurlijk gesproken. De mensen die daar komen, hebben net zoveel te verliezen als jij. Advocaten, rechters, diplomaten, de top van het bedrijfsleven. Discretie is hun zuurstof. Bij herkenning zal niemand erkennen dat jij er was. Bovendien…” Hij keek me even aan, zijn blik scande mijn profiel. “…met een blinddoek en een bitje of een gag ziet niemand wie Vicky de marketingmanager is. Ze zien alleen het vlees. Ze zien alleen de slavin.”
Hij zweeg even, liet de impact van zijn woorden indalen.
“En er is nog een detail. Iets dat je uiterlijk compleet maakt. Je draagt vanavond een staart.”
“Een staart?”
“Een vossenstaart. Aan een buttplug. Ik breng hem in voordat we naar de grote zaal gaan. Het zal je vullen, het zal je continu herinneren aan je status. Je bent geen mens meer daar beneden. Je bent een huisdier. Een pronkstuk.”
Ik voelde hoe mijn onderbuik samentrok. De combinatie van angst, pure, existentiële angst om zo kwetsbaar te zijn, en een donkere, zuigende geilheid was overweldigend. Het idee dat ik daar zou hangen, gevuld, blind, wijdbeens, overgeleverd aan de blikken van vreemden, was de ultieme nachtmerrie en de ultieme fantasie tegelijk.
“Accepteer je dit?” vroeg Bert. We reden Antwerpen binnen. De straatverlichting wierp oranje schaduwen in de auto. Ik had geen keuze. Dat wist ik, en hij wist het. Ik had mezelf maanden geleden al weggegeven. Terugkrabbelen was geen optie meer.
“Ja, Meester,” fluisterde ik. “Ik accepteer het.”
“Goed. Ontspan je dan. Je hebt je energie nodig.”
De auto gleed door de straten van Antwerpen. We parkeerden in een ondergrondse garage in het oude centrum. Toen we uitstapten, voelde de koude lucht als een klap in mijn gezicht. Bert pakte mijn tas niet. Hij liep voorop, zijn jas wapperend in de wind, en ik volgde hem als een schaduw op mijn hoge hakken. We liepen door smalle steegjes met kinderkopjes die glommen van de regen. Het had iets middeleeuws, iets sinisters.
We stopten voor een onopvallende zwarte deur in een gevel die eruitzag als een oud pakhuis. Er hing geen bordje. Alleen een kleine camera boven de deur verraadde dat dit geen gewone achteringang was. Bert drukte op een bel. De deur zoemde open.
We daalden een trap af. De lucht werd anders. Koeler, maar ook zwaarder. Het rook er naar steen, naar wierook en, heel subtiel, naar leer en zweet. We kwamen in een ontvangstruimte die luxe aandeed, met rood fluweel en gedempt licht. Een vrouw achter een balie begroette Bert bij naam. Ze kenden hem hier. Dat gaf me een vreemd soort geruststelling, hij was hier de meester, geen toerist.
“Kleedkamer 4 is vrij,” zei de vrouw. Ze gaf hem een sleutel.
Bert leidde me door een gang naar een kleine kamer. Er stond een bankje, een spiegel en een kledingrek.
“Uitkleden,” zei hij. “Alles.”
Ik deed wat hij vroeg. Mijn handen waren klam. Ik trok mijn jurk uit, mijn lingerie, mijn schoenen. Ik vouwde alles netjes op, zoals hij me geleerd had. Binnen enkele minuten stond ik naakt, in mijn bekende houding, op de koude tegelvloer.
Bert haalde iets uit zijn tas. Een blinddoek van zacht zwart leer, en een doosje. Hij opende het doosje. Er lag een metalen buttplug in, met daaraan een prachtige, volle vossenstaart van roodbruin bont.
Ik verstijfde. Dit was nieuw. We hadden nooit eerder anale spelletjes gedaan, niet met Dick, niet met Sjoerd, en zelfs niet in de P.C. Hooftstraat. Het glimmende metaal zag er in het kille licht van de kleedkamer genadeloos groot en koud uit. Mijn kringspier trok zich bij de gedachte alleen al instinctief samen.
“Draai je om,” beval hij, alsof hij mijn aarzeling niet opmerkte. “Handen op de muur. Voeten wijd.”
Ik leunde tegen de muur. Mijn ademhaling zat hoog. Ik voelde de tocht langs mijn benen en ik hoorde het geluid van glijmiddel dat royaal op de plug werd gesmeerd. Ik wilde zeggen dat ik dit misschien niet kon, dat ik te nauw was, maar ik wist dat woorden nu overbodig waren.
“Ontspan,” zei hij vlak achter mijn oor. “Adem uit. Niet vechten tegen de druk.”
Ik voelde de koude punt van het metaal tegen mijn achterste, precies tegen de gesloten en nerveuze opening. Ik ademde uit, probeerde wanhopig mijn spieren los te laten, maar mijn lichaam verzette zich. Bert duwde. Eerst voelde het als een onmogelijke invasie. Ik kreunde zachtjes en beet op mijn lip toen het breedste gedeelte naar binnen werd gedwongen. Het was een branderig, oprekkend gevoel dat op de grens van pijn lag.
“Braaf,” fluisterde Bert. “Geef je over.” Langzaam maar onverbiddelijk gleed het metaal dieper. Mijn lichaam moest zich schikken naar zijn wil. De pijn ebde weg en maakte plaats voor een vreemde, doffe volheid. De basis van de plug klikte vast tussen mijn billen, waardoor het metaal diep in mij verankerd zat. De staart hing tussen mijn benen, zwaar en zacht. Hij kriebelde tegen de binnenkant van mijn dijen.
“Sta rechtop,” zei Bert.
Ik kwam voorzichtig overeind. Het gevoel was overweldigend. Ik kon mijn billen niet meer sluiten, het metaal hield me permanent open. Er zat een zware druk in mijn onderbuik die uitstraalde naar voren, naar mijn gevoelige plek. Het was ongemakkelijk, maar op een perverse manier ook opwindend. Ik voelde me binnengedrongen en bezet, zelfs als ik gewoon stilstond. Bij elke kleine beweging voelde ik het gewicht van de staart zwaaien, wat de plug deed kantelen in mijn binnenste. Het schuurde zachtjes tegen mijn wanden. Het was, zoals hij had gezegd, een constante herinnering. Ik ben gevuld. Ik ben niet leeg.
“Mooi,” zei Bert. Hij bekeek me kritisch. “Het rood van de staart past bij je blonde haar. Nu de blinddoek.”
Hij bond de leren strook om mijn ogen. De duisternis was totaal. Plotseling werden mijn andere zintuigen scherper, gevoed door de druk in mijn achterste. Ik hoorde Berts ademhaling. Ik rook het glijmiddel. Ik voelde de koude lucht op mijn tepels.
“Vanaf nu ben je blind,” zei hij. “Je bent doof voor alles behalve mijn stem. Je spreekt niet, tenzij ik je een vraag stel. Begrepen?”
“Ja, Meester.” Mijn stem klonk hees.
“Geef me je hand.”
Ik reikte in het duister en voelde zijn warme, droge hand de mijne omsluiten. Het voelde veilig.
Hij leidde me de kleedkamer uit. Het lopen was moeilijk. Hij had besloten dat hakken te veel afleidden van de puurheid van de pose, dus ik was blootsvoets. Ik was blind en de plug dwong me tot een ander loopje. Ik kon mijn benen niet langs elkaar laten schuren zonder dat de staart in de weg zat. Ik moest wijdbeens lopen, voorzichtig en waggelend, me bij elke stap bewust van het ding dat diep in mij zat.
We liepen door een gang en toen… toen veranderde de akoestiek. We kwamen in een grote ruimte.
Het geluid van de ruimte sloeg me tegemoet. Het was geen lawaai, maar een soort gezoem. Gedempte stemmen, het rinkelen van kettingen, het zachte kletsen van huid op huid, en ergens in de verte zware, ritmische muziek die meer voelbaar was als bas in de vloer dan hoorbaar. De lucht was hier warmer, zwanger van opwinding en feromonen.
Ik voelde me onbeschrijfelijk naakt. Thuis of in de studio was naaktheid privé. Hier wist ik dat er mensen waren. Ik hoorde iemand lachen, een glas rinkelen. Ze waren gekleed, en ik was naakt. Het machtsverschil was direct voelbaar. Bert leidde me met vaste hand. Soms stopten we even. Dan voelde ik dat hij naar iemand knikte of zwaaide.
“Is dat haar?” hoorde ik een onbekende man vragen, vlakbij.
“Dat is haar,” antwoordde Bert. Zijn stem klonk trots, bezitterig.
“Prachtig exemplaar. Mooie lijnen.”
“Dank je. Ze is goed getraind.”
Ze spraken over me alsof ik een raspaard was dat net de ring in was geleid. Ik kon niets doen, niets zeggen. Ik kon alleen maar staan, mijn hoofd iets gebogen, voelend hoe de blik van de vreemdeling over mijn lijf gleed. De staart kriebelde tegen mijn benen.
“Kom,” zei Bert. We liepen verder. De ondergrond veranderde van tegels in ruw steen. We waren in het hart van de kelder.
“Hier,” zei Bert. Hij liet mijn hand los. Even sloeg de paniek toe. Ik had het gevoel dat ik viel. Ik stond alleen in het duister, blind, naakt, omringd door vreemden. Maar voordat ik kon wankelen, voelde ik zijn handen op mijn heupen. Hij positioneerde me.
“Er hangen hier kettingen,” zei hij in mijn oor. “Vier stuks. Ze komen uit het plafond en de vloer. Ik ga je vastmaken. Je armen gaan omhoog en wijd. Je benen gaan wijd. Je wordt een X. Een kruis op de kaart.”
Hij pakte mijn linkerpols. Ik voelde koud metaal, een leren manchet bekleed met zacht materiaal. Hij klikte het vast. Ik voelde hoe mijn arm omhoog werd getrokken, totdat ik op mijn tenen moest staan om de spanning te verlichten. Toen mijn rechterarm. Ik stond nu met mijn bovenlichaam volledig open. Mijn borsten werden door de houding omhoog getrokken en naar voren geduwd, mijn ribbenkast zichtbaar.
Toen hoorde ik heb onder mij. “Voeten wijd,” beval hij.
Ik schuifelde mijn voeten uit elkaar. Hij deed manchetten om mijn enkels en klikte die vast aan kettingen die in de vloer verankerd zaten. Hij trok ze strak aan. Mijn benen werden uit elkaar getrokken, veel wijder dan comfortabel was. Ik kon mijn knieën niet meer tegen elkaar doen, al zou ik het willen. Mijn kruis, mijn meest intieme plek, was nu het exacte middelpunt van de X.
De plug in mijn anus kantelde door de houding, vulde me nog voller. De vossenstaart hing vrij naar beneden, rustend tegen de achterkant van mijn dijen.
“Zo,” zei Bert. Hij stond op en deed een stapje achteruit. “Je hangt.”
Ik hing inderdaad. Ik kon niet meer bewegen, behalve een klein beetje wiebelen met mijn heupen. Ik was volledig geïmmobiliseerd. Een zeester, gespannen in een web van kettingen.
“En nu,” zei Bert, zijn stem kwam nu van iets verder weg, “nu ga ik wachten. En jij ook. Ik ga een drankje halen. Ik ga mensen uitnodigen om te komen kijken. Ik ga ze vertellen wat voor slavin je bent. Hoe graag je gevuld wilt worden.”
De paniek sloeg opnieuw toe. Hij zou mij alleen laten, verankerd in de ruimte.
“Meester, laat me niet alleen,” wilde ik fluisteren, maar ik hield mijn mond. Ik mocht niet spreken. Hij liep weg. Ik hoorde zijn voetstappen verdwijnen in het geroezemoes. De paniek verdween met zijn voetstappen. Hij had het geweten.
Daar hing ik. Alleen in het donker van mijn blinddoek, maar fel verlicht voor de wereld. Ik voelde de warmte van spots op mijn huid. Eentje scheen recht op mijn gezicht, een andere leek gericht op mijn kruis. De warmte verraadde waar de mensen naar zouden kijken.
Het duurde niet lang voordat ik merkte dat ik niet alleen was. Het begon met geluid. Voetstappen die naderden en stopten.
“Jezus,” hoorde ik een vrouw zeggen. “Kijk nou.”
“Mooi vastgemaakt,” zei een man. “Strak.”
Ik voelde hun ogen. Het was een fysieke sensatie, alsof er mieren over mijn huid liepen. Ze keken naar mijn borsten, die heftig op en neer gingen door mijn versnelde ademhaling. Ze keken naar mijn gladgeschoren intieme plek, die door de spreidstand van mijn benen volledig openlag. De lippen iets geopend, roze en vochtig. En ze keken naar de staart die uit mijn billen stak.
De schaamte was verlammend. Ik wilde mijn handen voor mijn ogen slaan, mijn benen sluiten, wegrennen. Maar de kettingen hielden me genadeloos op mijn plek. Ik kon me niet verstoppen. Ik moest dit ondergaan. En toen, langzaam, begon de schaamte te kantelen.
De wetenschap dat ik niets kon doen, dat ik geen verantwoordelijkheid had, werkte bevrijdend. Ik was een object. Ik was hier om bekeken te worden. Dat was mijn doel. En als dat mijn doel was, dan deed ik het goed. Ik voelde hoe mijn tepels hard werden, priemend in de koele lucht.
Bert kwam terug. Ik rook zijn geur voordat ik hem hoorde.
“Ze reageert goed,” zei hij tegen iemand naast hem. “Zie je hoe nat ze is? Ze hangt hier nog geen tien minuten en ze lekt al.” Ik was zijn grove manier van praten inmiddels gewend, maar nu zei hij het tegen compleet vreemden. Dat maakte het anders. Dieper. Harder.
Hij kwam dichterbij. Ik voelde zijn hand op mijn heup. Niet liefdevol, maar bezitterig. Als een eigenaar die zijn hand op de motorkap van zijn auto legt.
“Dit is Vicky,” vertelde hij aan het publiek dat zich blijkbaar had verzameld. “Ze denkt dat ze een carrièrevrouw is. Ze heeft een man, een huis, een auto. Maar kijk naar haar. Kijk wat ze werkelijk is.”
Hij pakte de vossenstaart vast. Ik voelde de plug in mijn binnenste bewegen. Hij trok er zachtjes aan, waardoor ik een kreun niet kon onderdrukken.
“Ze is een dier,” zei Bert. “Een willoos stuk vlees dat wacht op instructies. Ze vindt het heerlijk dat jullie kijken. Ze kan jullie niet zien, maar ze voelt jullie. Ze weet dat jullie naar haar kut kijken.”
Hij liet de staart los en liep met zijn vinger langs de binnenkant van mijn dij, omhoog, richting mijn vochtige lippen. Hij raakte me niet echt aan, hij zweefde er net boven.
“Kijk hoe ze trilt,” zei hij. “Ze hoopt dat ik haar aanraak. Ze smeekt erom in haar hoofd. Maar ik raak haar niet aan. Nog niet.”
Hij pakte een zweepje. Ik zag het niet, maar ik wist het. Ik hoorde het suizen door de lucht. Whoosh. Hij raakte me niet. Hij gebruikte het als een aanwijsstok. Ik voelde de punt van het zweepje koud op mijn linkerborst. De strengen gleden speels over mijn buik.
“Kijk naar deze tepel,” zei hij. “Hard als steen. Teken van opwinding, maar ook van angst. Die combinatie is waar ik mee werk.”
Het zweepje gleed naar beneden, over mijn buik, en stopte bij mijn gevoelige plek. Hij duwde zachtjes met het leertje tegen mijn gevoeligste plekje. Ik schokte in de kettingen, mijn heupen probeerden naar voren te komen, naar de druk toe.
“Rustig,” zei Bert streng. Het publiek lachte zachtjes. Een bewonderend, geil lachje.
“Mag ik?” vroeg een onbekende man. Mijn hart stopte. Iemand wilde me aanraken.
“Nee,” zei Bert resoluut. “Niemand raakt haar aan behalve ik. Kijken doe je met je ogen. Ze is niet te huur voor de vloer.”
Die woorden gaven me een dubbel gevoel. Opluchting dat ik niet betast zou worden door jan en alleman, maar ook een intense teleurstelling. Ik wilde meer. Ik wilde dat deze vernedering compleet werd gemaakt. Ik hing daar zo open, zo beschikbaar.
Bert ging door met zijn rondleiding over mijn lichaam. Hij benoemde elk deel van mij, analyseerde mijn reacties, voorspelde wat ik dacht. Hij had gelijk. Hij zat in mijn hoofd. Hij vertelde de vreemden dingen over mij die ik zelf nauwelijks wist. Dat ik het fijn vond om machteloos te zijn omdat ik dan niet schuldig was. Dat ik geil werd van mijn eigen objectificatie. Al die maanden had hij het geweten. Ik had geen geheimen voor hem gehad. Hij wist het al voordat ik het wist.
“Ze staat op het punt van breken,” zei Bert na een tijdje. “Ze heeft geen aanraking meer nodig om klaar te komen. Alleen het idee dat jullie naar haar kijken is genoeg.” Hij kwam vlak voor me staan. Ik voelde zijn adem op mijn gezicht.
“Luister naar me, Vicky,” fluisterde hij. “Er staan hier zeker twintig mensen om je heen. Mannen, vrouwen. Ze kijken allemaal naar jou. Ze zien hoe wijd je benen zijn. Ze zien de plug in je reet. Ze zien hoe wanhopig je bent.”
Hij bracht zijn hand naar mijn kruis. Hij raakte me niet aan, maar hield zijn handpalm vlak voor mijn gevoelige plek. Ik voelde de straling van zijn warmte als een belofte die hij niet inloste.
“Kom voor ze,” zei hij. “Laat ze zien wat een slet je bent. Kom klaar zonder dat ik je aanraak. Gebruik hun blikken. Gebruik je schaamte.”
Het was een onmogelijke opdracht, dacht ik. Klaarkomen zonder wrijving, zonder aanraking? Maar mijn lichaam dacht er anders over. De spanning in mijn spieren, het getrek van de kettingen, de volheid van de plug en de intense mentale druk van de situatie creëerden een cocktail die explosiever was dan welke vibrator dan ook. Ik begon te hijgen. Ik spande mijn bilspieren aan, wat zorgde voor beweging van de plug. Ik duwde mijn bekken naar voren, naar zijn hand die me niet aanraakte.
“Ja,” moedigde Bert me aan, luid genoeg voor iedereen om te horen. “Doe het. Laat het lopen.”
Ik kreunde, luid en ongegeneerd. In het begin was er paniek. Mijn lichaam zocht wanhopig naar tegendruk, naar een vinger, een tong, iets. Ik vocht tegen de leegte. Maar toen voelde ik de plug kantelen door mijn bewegingen. Het koude metaal drukte van binnenuit tegen mijn zenuwbanen, hard en onverbiddelijk. Dat was de sleutel. Ik kneep mijn spieren samen rond het staal, ritmisch, wanhopig. Bij elke samentrekking zond de plug een schokgolf naar voren, naar mijn gevoelige plek die klopte en zwol in de koele lucht, reikend naar de warmte van Berts hand.
Plotseling viel alles weg. De stemmen, de muziek, de ruimte. Er was alleen nog maar die dwingende, pulserende hitte tussen mijn benen. Ik realiseerde me dat ik geen fysieke aanraking nodig had. De schaamte was de aanraking. De wetenschap dat twintig paar vreemde ogen zagen hoe ik hier hing, wijdbeens en lekkend als een loops dier, was geiler dan welke handeling dan ook. De vernedering vulde het gat waar de wrijving had moeten zijn. Ik balanceerde op de rand van de afgrond. Mijn ademhaling stokte. Mijn hersenen schreeuwden om controle, maar mijn lijf schreeuwde om verlossing. Ik moest het toelaten. Ik moest stoppen met proberen en gewoon vallen. Laat me vallen, dacht ik. Laat me verdrinken. En toen brak de dam. De controle glipte uit mijn vingers en ik stortte de diepte in. Ik was alleen nog maar een knooppunt van zenuwen in het midden van een kruis. De ontlading begon in mijn tenen, trok omhoog langs mijn strakgespannen benen en explodeerde in mijn onderbuik.
“Ah! Meester!” gilde ik.
Mijn lichaam schokte in de kettingen. De manchetten sneden in mijn polsen en enkels, maar ik voelde geen pijn, alleen maar een verblindend wit licht achter mijn blinddoek. Ik kwam klaar, heftig, schokkend, lekkend. Ik voelde hoe mijn vocht vrijkwam en langs mijn dijen droop, zichtbaar voor iedereen. Toen de golven wegebden, hing ik slap in de kettingen. Ik kon niet meer op mijn benen staan, de manchetten hielden me overeind. Ik hijgde, het zweet liep over mijn rug.
Er klonk applaus. Eerst aarzelend, toen luider. Mensen klapten. Voor mij. Voor mijn orgasme. Voor mijn totale onderwerping.
Bert kwam dichtbij en kuste me op mijn voorhoofd. “Braaf,” zei hij. “Heel braaf.”
Hij maakte me niet los. Hij liet me hangen, nagloeiend, tentoongesteld in mijn meest kwetsbare moment. Ik hoorde het publiek napraten, hoorde de bewondering in hun stemmen. Ik was gereduceerd tot een kunstje, een object. En terwijl ik daar hing, blind en gevuld, besefte ik dat ik nog nooit zo gelukkig was geweest. Dit was waar ik voor gemaakt was.
**********
Wat ik toen nog niet wist, terwijl ik daar hing, was dat er in de schaduw twee paar ogen waren die me niet alleen bekeken met bewondering, maar met een heel specifiek doel. Ogen die meer wilden dan alleen kijken. En dat Bert, mijn Meester, op het punt stond een aanbod te krijgen dat zelfs zijn grenzen van bezit zou testen.