De zomer in Broekdal was altijd zwaarder dan in de rest van de wereld. Terwijl heel Nederland leek te vertragen in een lome, vrolijke vakantiemodus van terrasjes en stranddagen, leek de tijd bij ons thuis altijd te stollen in een benauwende stilte. Ik hielp moeder met het huishouden, maar verder was er weinig te doen.
Het was eind juli en de hittegolf die over het land trok, spaarde ook ons dorp niet. De zon brandde op de donkere dakpannen van ons ouderlijk huis. Binnen, achter de zware overgordijnen die overdag dichtbleven om de warmte buiten te houden, hing een sfeer van eeuwige schemering.
Ik zat aan de keukentafel, mijn blote voeten op de koele tegels, en staarde naar de vliegen die traag achtjes draaiden om de lamp. De radio op het aanrecht stond zachtjes aan, afgestemd op de reformatorische omroep, waar een mannenkoor plechtig zong over de vergankelijkheid van het aardse leven. Het contrast met de hitte buiten, waar het leven juist zo uitbundig leek, kon niet groter zijn. Mijn zomerkleding was een compromis, een lichte rok die nog steeds ruim over mijn knieën viel en een blouse met korte mouwen die mijn schouders bedekte. Mijn vader tolereerde geen hemdjes of rokken boven de knie.
Sinds ik terug was uit Zwolle voor de zomervakantie, voelde ik me een vreemdeling in mijn eigen ouderlijke huis. De vrijheid van mijn studentenkamer, de avonden met Esther en Lydia, en vooral de gestolen momenten met Ruben, leken herinneringen uit een ander leven. Hier was ik weer gewoon Anna, de dochter van ouderling Van der Veen. Ik hielp moeder met het doppen van de sperziebonen, ik zette koffie voor vader als hij uit zijn werk kwam. Op zondag zaten we twee keer in de kerk, zwetend in onze netste kleding, terwijl de dominee sprak over het vuur van de hel dat heter was dan welke zomerzon ook.
Toch was er iets veranderd. Er hing een nieuw soort spanning in huis, een die ik zelf had veroorzaakt. Vlak voor de vakantie had ik, met mijn hart bonzend in mijn keel, verteld dat ik “verkering” had. Ik had het woord zorgvuldig gekozen, “een vriendje” klonk te werelds, te tijdelijk. “Verkering” impliceerde ernst, een doel richting een huwelijk. Ik had verteld over Ruben. Dat hij theologie studeerde aan de Viaa, dat hij uit een degelijk gezin in Zeeland kwam, en dat hij serieus in het leven stond. Ik had de delen over onze zoenen in het park, zijn hand in mijn broekje en de vlek op mijn matras uiteraard weggelaten. We waren alleen op publieke locaties samen geweest.
Vader had gezwegen, zijn lepel rustig in zijn soepkom latend zakken. Moeder had me alleen maar aangekeken, met die blik die dwars door me heen leek te gaan, alsof ze zocht naar de barstjes in mijn verhaal. Vader vroeg naar zijn studieresultaten en uit welke gemeente hij precies kwam. Uiteindelijk was de eis gekomen die ik had verwacht, hij moest zich komen voorstellen.
De herinnering aan die avond, nu twee weken geleden, stond nog steeds op mijn netvlies gebrand. Ruben was helemaal uit Zeeland gekomen, een reis van ruim anderhalf uur. Toen hij de oprit opreed in zijn vaders auto, zag ik hem even niet als de jongen die me hartstochtelijk had gezoend in mijn studentenkamer, maar als een soldaat die het vijandelijke kamp betrad. Hij had ontzettend zijn best gedaan. Hij droeg een nette pantalon en een gestreken overhemd, ondanks de warmte. Waarom hij het had gedaan begreep ik niet precies, maar onder zijn arm droeg hij zijn eigen Statenbijbel. Eigenlijk wel een geniale zet want het was een detail waarvan ik wist dat het punten zou scoren bij vader.
We zaten in de voorkamer, de ruimte die alleen gebruikt werd voor verjaardagen en rouwbezoek. De klok tikte luid. Vader zat in zijn leunstoel, Ruben en ik op de bank, met een gepaste dertig centimeter tussen ons in. Moeder schonk koffie en presenteerde de koektrommel, één koekje per persoon, daarna ging de deksel er weer op.
“En, jongeman,” had vader gevraagd, terwijl hij Ruben over zijn leesbril heen aankeek. “Hoe sta jij tegenover de huidige ontwikkelingen in de kerk? Vind je de leer nog wel zuiver genoeg op zo’n hogeschool?” Ik zag hoe Ruben zijn handen balde in zijn schoot. Ik wist dat hij, net als ik, twijfels had, dat hij worstelde met de starheid van sommige dogma’s. Maar ik zag ook dat hij wist wat er op het spel stond.
“Ik denk dat het belangrijk is om altijd terug te keren naar de Bron, meneer Van der Veen,” had hij diplomatiek gezegd. “De Bijbel blijft het richtsnoer, ook in deze tijd.” Vader had instemmend geknikt, al bleef zijn blik kritisch.
“Dat zijn mooie woorden. Maar de praktijk is weerbarstiger. De jeugd van tegenwoordig neemt het niet zo nauw met de grenzen.”
Dat was het moment waarop mijn adem stokte. Hij had het over grenzen. Wist hij het? Rook hij de zonde aan ons?
“Wij willen het netjes doen,” had ik snel gezegd, mijn stem iets te hoog en mijn wangen rood van de spanning. “Ruben respecteert mij.”
“Jullie zijn jong,” had vader gezegd bij het afscheid. “Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Daarom…,” hij liet een stilte vallen. “Daarom, jullie zien elkaar alleen in openbare gelegenheden. Op school, bij de kring, of hier als wij erbij zijn. Geen gesloten deuren. Geen alleen-zijn op kamers. Als ik hoor dat jullie die regel overtreden, is het voorbij. Is dat begrepen?”
“Ja, meneer,” had Ruben gezegd.
“Ja, vader,” had ik gefluisterd terwijl ik naar mijn handen op mijn schoot keek.
En zo begon onze verborgen zomer. We belden elkaar elke avond. De vaste telefoon stond in de gang, waar iedereen kon meeluisteren, dus die gesprekken waren kort en oppervlakkig.
“Hoi, hoe was je dag?”
“Goed.”
“Het is warm, hè?”
“Ja.”
Het was verschrikkelijk, maar ik kon even zijn stem horen.
Voor in Zwolle had ik van vader een prepaid mobiel gekregen. Zodra ik thuis kwam moest ik hem inleveren. Daarom had ik voor de zomer een telefoon van Ruben gekregen. Die lag onder mijn kussen, als een verboden vrucht. Als ik zeker wist dat mijn ouders niet meer op mijn kamer zouden komen, stuurde ik hem berichten. En als moeder overdag in de tuin werkte en vader naar zijn werk was, belde ik hem soms fluisterend op.
“Ik mis je,” zei zijn stem dan in mijn oor, een geluid dat me tegelijkertijd troostte en opwond.
“Ik jou ook. Ik word gek hier, Ruben. Ik voel me opgesloten.”
“Nog even volhouden, An. Straks begint het semester weer.”
“Dat duurt nog vier weken,” zuchtte ik. “Ik wil je zien. Niet met mijn ouders erbij die elke beweging in de gaten houden. Ik wil jou.” Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Ik hoorde hem ademen.
“Ik kan naar Zwolle komen,” zei hij toen zacht. “Aanstaande woensdag. Ik heb de auto van mijn vader.”
“Maar mijn huis is leeg,” zei ik, en mijn hartslag versnelde. “Esther en de rest zijn ook naar huis.”
“Precies,” zei hij. Mijn hart bonkte in mijn keel.
Het plan werd gesmeed in die fluisterende minuten. Het was een leugen die veel complexer was dan wat ik ooit eerder had gedaan. Dit was geen verzwijgen meer, dit was actief bedriegen. Dinsdagavond tijdens het eten liet ik het vallen.
“Ik kreeg een mail van school,” loog ik, terwijl ik mijn aardappelen prakte. “De nieuwe boekenlijst is er eerder dan gedacht. Ik moet morgen echt naar Zwolle om ze op te halen bij de boekhandel, anders zijn ze uitverkocht. Ik wil meteen mijn kamer even een grote beurt geven voor het nieuwe jaar. Nu het zo warm is, droogt alles lekker snel.” Ik durfde niet op te kijken. Ik wachtte op de vraag: “Waarom laat je ze niet bezorgen?” of “Moet dat nu met deze hitte?” Maar vader knikte alleen maar.
“Orde en netheid zijn belangrijk. Goed dat je je verantwoordelijkheid neemt. Maar pak de vroege trein, voor de hitte op zijn hoogtepunt is.” Moeder keek me aan. Even dacht ik dat ze iets ging zeggen. Ze wist dat ik een hekel had aan schoonmaken in de vakantie. Maar ze zweeg en schepte nog wat aardappelen op mijn vaders bord.
De volgende ochtend stond ik al om zeven uur op het perron. De lucht was strakblauw en beloofde weer een snikhete dag te worden. De treinreis voelde anders. Normaal was de trein een overgangszone, een plek om langzaam te acclimatiseren. Nu voelde het als een vluchtroute. De coupé was bijna leeg. Het was vakantie, er waren geen studenten. Ik keek naar het landschap dat voorbij gleed, de droge, gele velden, de koeien die loom in de schaduw van de bomen lagen. Met elke kilometer die ik verder van Broekdal kwam, voelde ik de beklemming van thuis van me afglijden, maar er kwam iets anders voor in de plaats: een zware, zoemende spanning in mijn onderbuik. Ik dacht aan wat we gingen doen. We zouden alleen zijn. In een leeg huis. Met een bed. De regels van vader echoden in mijn hoofd: “Geen gesloten deuren. Geen alleen-zijn.” Ik brak de belofte die ik nog geen twee weken geleden had gemaakt. Was ik echt zo slecht? Was mijn vlees zo zwak? Ik raakte het kruisje om mijn nek aan.
“Het is maar voor even,” praatte ik mezelf moed in. “We gaan gewoon praten en knuffelen. We doen niets wat God echt verboden heeft. We bewaren ons.” Het waren de rationalisaties die ik nodig had om in die trein te blijven zitten.
Toen ik eindelijk aankwam in Zwolle, sloeg de hitte van de stad me in het gezicht. Het asfalt leek te dampen. Ik liep snel naar mijn studentenhuis. Toen ik de sleutel in het slot van de voordeur stak, trilden mijn handen. Binnen rook het muf en stoffig. De post lag op een stapel op de deurmat. Het huis voelde als een verlaten decor. Ik liep de trap op, mijn voetstappen hol klinkend op het hout. Nog geen tien minuten later, net toen ik mijn favoriete ring omdeed, ging de bel. Ik rende naar beneden. Toen ik de deur opendeed, stond Ruben daar. Hij zag er bezweet uit, zijn haar in de war, gekleed in een korte broek en een simpel T-shirt. We zeiden niets. Ik trok hem naar binnen en gooide de deur dicht. Op het moment dat het slot klikte, vielen we elkaar in de armen. Het was geen begroeting, het was een botsing. Zijn mond vond de mijne, hongerig, wanhopig bijna. Ik proefde het zout op zijn lippen, rook de geur van de lange autorit en zijn deo.
“Je bent er,” fluisterde ik tegen zijn hals.
“Ik kon niet meer wachten,” gromde hij.
We stonden daar in de gang, tegen de muur gedrukt, verstrengeld in elkaar. De gedachte aan schoonmaken, aan boeken halen, aan mijn ouders, alles verdampte in de hitte van zijn aanraking.
“Kom,” zei ik, en ik trok hem mee naar boven.
Mijn kamer lag direct onder het platte dak. Toen we binnenkwamen, was het er als in een oven. De lucht stond stil en was zwaar. Ik deed het raam open, maar er kwam nauwelijks verkoeling binnen, alleen het geluid van kinderen die ergens in een badje aan het spelen waren. Ruben keek om zich heen, naar mijn smalle bed, mijn bureau, mijn spullen.
“We zijn alleen,” zei hij, en de zwaarte van die woorden hing even tussen ons in. Het was de bevestiging van onze overtreding, maar ook van onze vrijheid.
“Ja,” zei ik, gespannen als een riet. “Niemand weet het.”
Hij kwam naar me toe en kuste me weer. Dit keer was het trager, dieper. Door de hitte plakte onze kleding aan ons lijf.
“Het is hier zo heet,” zei hij, terwijl hij zijn T-shirt in een vloeiende beweging over zijn hoofd trok. Ik keek naar hem. Zijn borstkas glansde van het zweet. Hij was breder geworden de afgelopen maanden, of misschien leek dat maar zo omdat ik hem nu van zo dichtbij zag, zonder dat er lagen stof tussen ons in zaten.
Mijn eigen handen gingen naar de bovenste knoop van mijn blouse, maar ik aarzelde. Mijn vingers trilden licht. De afgelopen maanden hadden we elkaars lichamen wel verkend, met handen die stiekem onder truien gleden of vluchtige aanrakingen in het veilige halfdonker onder mijn dekbed, maar we hadden elkaar nog nooit echt gezien. Niet zo. Niet in het volle licht van een zomerse middag. Er was hier niemand die ons kon betrappen, geen huisgenoten, geen ouders, maar die wetenschap maakte het moment alleen maar spannender.
Toch won de hitte, en het verlangen, het van de angst. Langzaam, knoopje voor knoopje, maakte ik mijn blouse open. Het voelde als een bekentenis. Ik liet de stof van mijn schouders glijden en stond daar in mijn witte bh en mijn rok. Het daglicht dat door de vitrage viel, voelde ineens heel fel op mijn huid. Ik kruiste instinctief mijn armen even voor mijn borsten, overweldigd door de plotselinge blootheid.
Ik zag hoe zijn blik over mijn lichaam gleed. Er zat geen oordeel in, alleen een pure, bijna aanbiddende verwondering.
“Je bent prachtig, An,” fluisterde hij, en zijn stem klonk schor.
We gingen op de rand van mijn bed zitten. De matrashoes voelde klam aan onder mijn benen. We zoenden, en zijn handen gleden over mijn rug, warm en dwingend. Toen zijn vingers de haakjes van mijn bh vonden, stopte mijn adem even. Dit was de grens. Hij maakte hem los. De bandjes gleden van mijn schouders. Ik liet de bh op de grond vallen en voelde voor het eerst de warme zomerlucht direct op mijn borsten. Het was doodeng en bevrijdend tegelijk.
Ruben stond op. Hij keek me aan, een vraag in zijn ogen, maar ook een vastberadenheid die ik nog niet eerder had gezien. Zijn hand ging naar de knoop van zijn broek.
“Mag ik…” begon hij, net als die eerste keer. Ik knikte.
“Ja.” Hij liet zijn broek zakken, en daarna zijn boxershort. Ik hield mijn adem in. In mei, onder de dekens, had ik hem voor het eerst gevoeld. Daarna had ik hem een paar keer aangeraakt, maar ik had hem nooit zo gezien. Zo… naakt. Ik had een beeld gevormd in mijn hoofd. Maar nu zag ik hem echt. Helemaal. Hij stond naakt voor me. Hij was mooi. Kwetsbaar en krachtig tegelijk. Zijn geslacht stond recht overeind. Ik voelde een schok van pure, rauwe nieuwsgierigheid, vermengd met een diepe angst. Dit was een man. En hij wilde mij.
“Jij ook?” vroeg hij zacht. Ik aarzelde. Helemaal naakt zijn, in het licht… dat voelde als een brug te ver. Als ik mijn slipje aanhield, was er nog een barrière. Een laatste grens die ik kon verdedigen tegenover mezelf, en tegenover God.
“Ik… ik houd mijn slipje aan,” zei ik zacht. “Dat voelt veiliger.” Hij knikte begrijpend.
“Dat is goed.” Ik deed mijn rok uit en ging op het bed liggen, op mijn rug. Ik voelde me blootgesteld, kwetsbaar in mijn katoenen ondergoed, terwijl hij volledig naakt boven me kwam hangen. Het was heel ongemakkelijk. Ik had een idee wat er ging gebeuren, maar ik wist mij eigenlijk geen houding te geven. Niemand had mij verteld wat ik moest doen. Deed ik het goed? Hij steunde op zijn armen, aan weerszijden van mijn hoofd. Zijn gezicht was vlakbij het mijne. Zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd.
“We doen niets wat niet mag,” fluisterde hij, alsof hij mijn gedachten kon lezen. “Geen…. je weet wel. We blijven aan de buitenkant.”
“Beloofd,” zei ik.
Hij liet zich langzaam zakken. Het moment dat zijn naakte huid de mijne raakte, ging er een schok door me heen. Zijn borst tegen mijn borsten, zijn buik tegen de mijne. Het was een sensatie van totale overgave. Huid op huid, plakkerig en heet. Hij begon te bewegen. Eerst voorzichtig, wrijvend. Ik voelde zijn hardheid tegen mijn buik, tegen mijn schaambeen. De stof van mijn slipje was de enige scheidslijn tussen ons.
“Voel je dat?” hijgde hij in mijn oor.
“Ja,” fluisterde ik. Het gevoel was overweldigend. De wrijving, het gewicht van zijn lichaam op het mijne, de geur van zijn zweet en opwinding. Het was… verboden bijna.
Mijn handen gleden over zijn rug, naar zijn billen. Ik trok hem dichter tegen me aan, mijn lichaam reageerde instinctief. Ik spreidde mijn benen iets verder, zodat hij beter tussen mijn dijen paste. Ik voelde hoe ik nat werd, de stof van mijn slipje werd vochtig.
“Dit is geen seks,” fluisterde ik, meer tegen mezelf dan tegen hem. “Dit is niet echt.”
“Nee,” hijgde hij. “We bewaren ons.” Maar terwijl hij sneller begon te bewegen, te schuren, te rijden tegen me aan, voelde het echter dan alles wat ik ooit had meegemaakt. Ik voelde de opwinding in mijn eigen onderbuik stijgen, een strakke knoop die smeekte om losgelaten te worden. Ik voelde hoe zijn borsthaar tegen mijn tepels schuurde. Ruben begon sneller te ademen, hij maakte geluiden die ik nog nooit van hem had gehoord, diep uit zijn keel. Zijn bewegingen werden schokkerig, dwingender. Hij duwde zijn heupen stevig tegen mijn onderbuik en bovenbenen.
“Anna… oh, Anna…” Ik voelde zijn spieren spannen onder mijn handen. Hij drukte zich met alle kracht tegen me aan, en toen voelde ik het. Warme, hete schokken tegen mijn buik en de bovenrand van mijn slipje. Het vocht wat zich verspreidde tussen onze lichamen. Hij kreunde langgerekt en liet zijn hoofd in mijn nek vallen. Hij hijgde zwaar, zijn hart bonkte als een hamer tegen mijn borstkas.
We bleven zo liggen, verstrengeld in de hitte. De stilte keerde langzaam terug in de kamer, alleen verstoord door ons zware ademen. Ik voelde het vocht tussen ons in. Het was nat, glibberig en warm. Het plakte aan mijn buik en aan mijn slipje. Langzaam, heel langzaam, sijpelde de realiteit weer binnen. De roes van de opwinding trok weg en maakte plaats voor een koud besef. We hadden het gedaan. Nou ja, bijna. We hadden elkaar bevredigd. Zijn vocht lag op mijn huid.
Ruben tilde zijn hoofd op en keek me aan. Zijn ogen stonden wazig, maar ik zag ook de schrik erin terugkomen.
“Sorry,” zei hij zacht. “Ik wilde niet… Ik kon het niet tegenhouden.”
“Het geeft niet,” zei ik, maar mijn stem klonk dun. Hij rolde van me af en ging op de rand van het bed zitten. Ik zag de witte, parelmoerachtige vloeistof op mijn buik en op de rand van mijn ondergoed. Het zag er zo… menselijk uit. Zo fysiek. Ik pakte het pakje met zakdoekjes van mijn nachtkastje en begon het onhandig weg te vegen. Het was een onhandige, gênante handeling die alle romantiek van het moment wegnam.
“Is dit…” begon ik, terwijl ik mijn buik probeerde schoon te vegen. “Is dit zondig, Ruben?” Hij wreef met zijn handen door zijn haar.
“Ik weet het niet, An. De Bijbel zegt dat we het huwelijk niet mogen vooruitlopen. Dat hebben we niet gedaan. En we hebben… we zijn niet tot het uiterste gegaan.” Hij klonk alsof hij zichzelf probeerde te overtuigen.
“Maar het voelde wel zo,” zei ik zacht. “Het voelde als… van elkaar zijn.”
“Misschien is dat wat telt,” zei hij. Hij pakte mijn hand, die nog plakkerig was. “Dat we van elkaar houden.”
Het afscheid was gehaast. De tijd was sneller gegaan dan we dachten en ik moest de trein terug halen om op tijd thuis te zijn voor het avondeten. We kleedden ons snel aan. De geur van seks hing, onmiskenbaar, in de kleine kamer. Ik zette het raam wijd open, hopend dat de wind het zou meenemen voordat mijn huisgenoten terugkwamen na de vakantie.
“Ik bel je vanavond,” zei Ruben bij de deur. Hij kuste me, maar het was vluchtig. De schuld was alweer gearriveerd, als een ongewenste gast.
In de trein terug naar Broekdal zat ik bij het raam. De zon stond laag en wierp lange schaduwen over de velden. Ik voelde me vies en schoon tegelijk. Op mijn kamer in de wasmand zat het bevlekte slipje dat ik had verwisseld voor een schone. Ik durfde het niet aan te houden, bang dat moeder het zou ruiken als ze de was deed. Ik dacht aan de preek van vorige week, over het lichaam als tempel van de Heilige Geest. Heb ik mijn tempel ontheiligd? vroeg ik me af. Of heb ik hem juist geëerd door te genieten van wat God geschapen heeft? Ik raakte het kruisje in mijn nek aan. Het metaal was warm door de hitte van de dag. Ik dacht aan Rubens gewicht op mij, aan de manier waarop hij mijn naam had geroepen. Ondanks de angst, ondanks de leugens tegen mijn ouders, wist ik een ding zeker, ik wilde dit niet meer missen. Ik was een grens overgegaan. Niet de grens van maagdelijkheid, die technische lijn waar we ons zo krampachtig aan vasthielden. Maar een grens in mijn hoofd. Ik was niet langer het meisje dat passief wachtte. Ik was een vrouw die begeerde en begeerd werd.
Toen de trein het station van Broekdal binnenreed en ik de kerktoren boven de bomen zag uitsteken, zette ik mijn masker weer op. Ik streek mijn rok glad en mijn oog viel op mijn handen. Ik schrok mij rot. Ik was straal vergeten dat ik in Zwolle mijn ringen om had gedaan. Die mochten ze thuis absoluut niet zien. Gehaast deed ik ze af en stopte ze in mijn portemonnee. Ik pakte mijn tas en stapte uit, terug de benauwde wereld in. Maar vanbinnen brandde een geheim vuur dat niemand kon doven.