Het sprookje van ‘Roodkutje’
Er was eens een allerliefst jong meiske. Eenieder die haar zag werd een beetje geil van haar, maar het allermeest haar grootvader. Die kreeg nooit genoeg van het naar haar te kijken en hij wist van gekkigheid niet wat hij haar allemaal zou geven om haar maar zo mooi en lief mogelijk te laten zijn en vooral haar veel bij zich op bezoek te hebben. Zo gaf hij haar een mooi kort zomerjurkje zodat hij maar vaak de blote benen kon zien en als hij geluk had zelfs haar onderbroekje. Op een dag had het meisje helemaal geen schoon broekje meer in de kast en dacht ze: dan maar even zo naar Opa hoor. Opa was blij haar te zien en zette haar op schoot, maar zo onhandig dat haar jurkje helemaal omhoog schoof! Domme Opa, dacht ze. Opa zuchtte diep en zeide: “Oh, meisje wat een mooi rood haar heb jij op je kutje; ik noem je voortaan Roodkutje” en zo bleef het.
Op een dag zei moeder: “Roodkutje, breng deze worst en bier eens naar Opa, want verders eet hij niks en dan wordt hij slap en ziek. En op het pad blijven, anders val je nog en breken de flessen bier en dan heeft Opaatje niks!” “Ik zal er goed aan denken moeder”, zei Roodkutje en ging op pad. Grootvader woonde in het bos, een half uur gaans van het dorp. Huppelend ging het meisje haar weg. Het jurkje speelde om haar benen en vaak genoeg kon een ieder zien waarom zij Roodkutje werd genoemd. Zo heerlijk de zomerwind om je blote muisje, dacht het meisje. En daar even buiten het dorp kwam ze de Grote Boze Man tegen. Roodkutje wist helemaal niet dat hij een boosaardig karakter had en was in het geheel niet bang.
“Dag Roodkutje” zei de man vriendelijk. “Dag grote meneer”, zei ze lief terug. “Waar ga jij zo huppelend naar toe kindje. En wat heb je daar in onder je rokje voor roods?”, vroeg de man, terwijl hij een hand in zijn broekzak stak. “Naar grootvader, want die zuipt alleen maar en vergeet te eten, dan wordt hij ziek zegt moeder, en onder mijn kleedje is mijn kutje, wat Opa zo mooi vindt.” “ Waar woont Opa dan lief kind.?” “ Een kwartiertje verderop, bij de drie eikenbomen, daar is zijn huisje” Zo’n heerlijk fris jong meisje dat is een mals kutje voor mij, dacht de man, ik moet zien dat ik eerder bij Opa ben dan zij. Hij bleef even met haar oplopen en zei “Kijk eens meisje wat een leuke bloemen daar naast het pad. Vooral die roze met dat kopje er bovenop ruiken heerlijk”
De vogeltjes zongen, de bloemen geurden en Roodkutje bukte zich en rook aan de kopjes. Een heerlijke geur was het en het leek wel of er onder in haar buik iets begon te kriebelen. Ze drukte haar hand er tegen tussen haar benen, maar toen werd het alleen maar erger! Ze kneep de benen van schrik steeds samen en het werd nóg erger. Toen nam ze het kopje van de bloem in haar roze mondje. Oh, wat heerlijk. Waarom doe ik dat, dacht ze. Het waren toverbloemen in het bos! Toen ze het kopje lekker afsabbelde werd de bloem groter en veel dikker. En de kriebel werd nóg erger. Toen kwam er honing uit de bloem en een stuip sloeg door het meiske en nog een paar, maar het was heerlijk en ze zeeg op de grond. Heel haar hand was kleverig en nattig. Oh, wat een gekke bloemen dacht ze en in een rare stemming vervolgde ze haar weg. Natuurlijk was de Boze Man er al lang. Die had aangebeld en riep met hoge stem “Ik ben het Roodkutje met lekker bier.” Opa riep: “De deur is los, ik ben te dronken om op te staan!”
De boze man ging naar binnen, sloeg Opa bewusteloos en bond hem vast in de gangkast. Hij ging gauw op Opa’s bed liggen en trok het stinkende dekentje over zich heen. Bedacht zich en rukte de broek van zijn kont. En weer onder de deken. Het dekentje stond als een tent omhoog, zo verheugde de man zich op Jong Kutje. Een beetje raar vond Roodkutje het wel, de deur bij Opa stond nooit zomaar open en het voelde eng, terwijl Opa toch altijd zo lief was met haar. Ze trok de gordijnen open en daar lag Opa, de deken helemaal opgetrokken en de pet over de ogen. Een soort tent van de deken gemaakt. “Oh Opa, wat hebt u daar onder de deken verstopt?” vroeg ze en Grootvader antwoordde “Een hele mooie toverbloem speciaal voor jou lieverd” “ Mag ik kijken?“ en meteen stak het brutaaltje haar kopje onder de deken.
Waarachtig, daar stond net zo een mooie bloem als daarnet in het bos. Hij was wel groter, en hij leek wel te beven in de wind. Het rook sterker dan in het bos en er stond een drupje honing al op, te wachten op haar tongetje. Gauw zoog Roodkutje het er af en meteen ging haar buikje weer zo heerlijk kloppen en kriebelen dat ze de benen stijf tegen elkaar klemde. Begerig zoog ze naar meer honing, maar Opa riep “Stop even, anders ontploft de bloem schatje.” Met een rood hoofdje kwam Roodkutje onder de deken uit. “Oh, Opa wat heeft u een grote neus.” “Dan kan ik jou beter ruiken lieverd”, en meteen tilde hij haar hoog op. “Jeetje, wat bent u sterk Opa!” “Komt door jou biertje schat!”, en daar laat hij haar zakken, maar andersom, per ongeluk komt haar rokje over zijn hoofd gevallen en die grote neus tussen haar kleverige benen. Oei! Dat komt aan. Ze hoort Opa snuiven en de toverbloem wordt nog groter voor haar gezicht.
“Oh, Opa, wat een grote tong!” “Dan kan ik je beter likken kleine schat van Opa!” En daar schuift die grote lap over haar mosseltje en af en toe lijkt het wel zelfs een stukje naar binnen. “Oh, Opa, lekker, het kriebelt zo hard in mijn buik Opa!” Glob, glob, glob, doet Opa. “Vergeet je de bloem niet Roodkutje van me?” Dat was waar ook, Roodkutje boog voorover en zoog de honing uit de bloem, en net als in het bos spoot de bloem en stuipte haar buikje, maar veel meer, veel harder en veel langer. Ze plofte ademloos op Opa. Sterke handen tillen haar weer andersom op. “Oh, Opa wat een grote handen!” “Ja, schatje, zo kan ik je beter pakken”, en daar zet Opa haar op handen en voeten op de grond. “Opa!, wat voel ik nu? Wat drukt daar tegen mijn holletje?” “Dat is mijn toverstaf jongedame, let maar op.” En als een wonder voelt ze de staf haar tunneltje betreden, en dieper, en heel haar buikje trilt en staat in de fik. “Oh, oh, oh,” krijst ze nu. “Opa, lekker, dieper, harder, sneller”, en dan alles weer van voren af aan. Grootvader (neen! Het is Grote Boze Man) zweeft in de hemel. Zo’ n zalig fris jong meidje aan zijn staf en wat gilt en spartelt ze lekker.
De jager kwam juist voorbij en dacht bij zichzelf, hoe kan die ouwe dronkenlap een meidje het zo naar de zin maken? Dat lukt mij als jonge vent maar zelden. En hij stapt nieuwsgierig naar binnen. Hij kijkt het tafereel aan en denkt, Die ouwe lul moet wég, dan is ze voor mij! Hij wil zijn geweer aanleggen, maar denkt, Nee, daar komt de oude viezerik te makkelijk weg. Hij pakt zijn mes en snijdt pardoes de stampende toverbloem af! Grote Boze Man stapt vloekend achteruit. Roodkutje plukt het leeggelopen slurfje uit haar doosje; daar heeft ze niets meer aan! Maar die laaiende brand in haar buik is nog niet geblust en ze ziet dat de jager een nog mooiere bloem tevoorschijn haalt! Ze bedenkt zich niet en spietst zich op het apparaat en valt met jager en al op de vloer. Beukt haar heupen heen en weer, op en neer, tot de bloem zijn nectar sproeit en de laatste, grootste stuipen uit haar buik trekken. De Boze Man sterft ondertussen op de grond, en de jager wankelt overeind. Ondertussen bonkt echte Opa op de deur en die wordt nu eindelijk bevrijdt.
“Oh, Opa, wat ben ik dom geweest”, bekent Roodkutje. “Ik zal nooit meer van de weg af gaan als moeder het verboden heeft.” “Goed zo kindje”, bromt Grootvader die in de kast alles gehoord heeft en nu met een broek als een circustent een beetje suf staat te kijken. De jager bergt zijn verwelkte bloemetje op en neemt de Boze man mee. Die levert straks een mooie prijs op bij de politie. Opa eet de worst, drinkt het bier en ziet naar Roodkutje haar verfomfaaide kleedje. “Mijn bloem moet ook nog geplukt worden kindje”, spreekt hij, en ja hoor, onder Opa’s broek zit er ook weer eentje. Ook groot en geurend. Wat is dat toch vandaag met die bloemen, denkt Roodkutje, maar zij is ook uitgerust en heeft best zin in nog een heerlijk rondje. “Och, lieve Opa, wat hebt u een grote bloem daar staan’, begint ze hem te plagen, en pakt hem zachtjes in haar hands. “ow, toe, Roodkutje, doe maar verder, doe maar net als met de jager”. “Bedoelt U zo”, fluistert het meiske, terwijl ze heel zachtjes met haar rode lippen een beetje over Grote Opa zijn knots heen gaat. “ow, ja zo schatje, ow, ja, langzaam, zachtjes, voorzichtig met oude Opa!. Ow, dieper, ja, ow, wat heerlijk, kindje toch, wat doe je met me”. En zo monkelt de oude voort. Roodkutje houdt nu heel veel van hem en als ze hem zalig laat sproeien in haar grotje krijgt ze het zelf ook weer zó lekker. Wat fijn dat Opa niet meer boos is! Hij zal vast niks tegen Mama zeggen over de bloemen en zo!
Roodkutje heeft haar lesje wel geleerd. De boze man is dood, de jager is tevreden, Grootvader is verzadigd. Wat wil je nog meer in een sprookje….
Er wordt ook verteld dat Roodkutje een andere keer dat ze weer op weg was naar Opa door een andere Grote Man werd aangesproken. Nu bleef zij op de weg en zeide tegen opa, “als ik me in de bloemenweide had gewaagd had hij mij zeker gepakt. Maar ik ben bang dat hij me achterna zal komen!” Opa deed meteen de deur op slot, die had geen zin in om weer in de kast te moeten! Na een poosje klopte de man aan en zei: ”Ik ben Roodkutje, ik kom bier brengen”, met een rare hoge stem. Ze hielden zich heel stil en dat was moeilijk, want opa had net zijn staf in Roodkutje begraven. Maar het lukte. Ze kneep ondertussen Opa ritmisch haast fijn en ze hoorden de man zich in de schuur verstoppen. Dan zou hij als Roodkutje naar huis ging haar alsnog palen zeker. Bij die gedachte te denken werd ze zo heet, dat ze zachtjes ook heel lekker ging stuipen om Opa’s staaf. Daardoor ging Opa ook heel zachtjes honing sproeien, diep in haar rode nestje.
Toen ze alle twee een beetje bijgekomen waren fluisterde Opa: “We moeten een list bedenken, hem uit de schuur lokken en dood maken. Roodkutje, jij moet hier vlak achter de gierput gaan staan. Dan doe je je kleedje omhoog en je kontje naar achteren, zijn kant op. Dat ziet er zo onweerstaanbaar lekker uit, dan komt hij er vast en zeker op af en duw ik hem in de put.” Zo gezegd, zo gedaan. Roodkutje stond daar te pronken, draaide met haar reetje, en schoof voorovergebogen haar kleine vingers langs haar vuurdoosje, en af en toe er in ook! Daardoor vergat ze gaandeweg waarvoor ze daar stond en voor het eerst in haar leventje stuipte ze op haar vingers, in plaats van met de toverbloem. Het mutsje was zo prachtig open en roze en de geur dreef naar de schuur, zo heerlijk dat de Grote Man er uit strompelde, terwijl zijn Grote Bloem in zijn knuist de honing verloor. Opa kon hem zo in de put duwen, en daar verdronk hij in de stront. Opa was trots en Roodkutje ging vrolijk naar huis in de wetenschap dat ze voortaan geen toverbloemen meer nodig had en zelf de stuipen door haar buikje kon jagen….