Aan de Oude Steenweg

Jelte veegde het zweet van zijn voorhoofd en trapte harder op de pedalen van zijn brommer. De motor pruttelde als een oude kat, maar hij reed vastberaden over de hobbelige zandweg. Het was vrijdagavond, en de zon hing laag boven de weilanden, een oranje bal dat alles in een warme gloed zette. De lucht rook naar vers gemaaid gras en hooi, vermengd met de vage geur van diesel van de tractoren die eerder die dag het land hadden bewerkt. Onder de rook van Groningen, in dit kleine dorpje waar iedereen elkaar kende, voelde de zomervakantie als een eindeloze lus van dezelfde avonden. Maar vanavond? Vanavond voelde anders. Alsof de hitte iets losmaakte in zijn borst.

Hij parkeerde zijn brommer bij de Oude Steenweg, een verlaten stuk weg aan de rand van het dorp. Niemand kwam hier normaal, behalve de jongeren op vrijdag. Daar stond de oude keet, een vervallen schuurtje dat ooit een pompstation was geweest, nu volgestouwd met oude speakers en kratten cola. De bas dreunde al door de grond toen hij naderde – iemand had een cassette met Nirvana erin gegooid, de gitaren sneden door de lucht. Jelte’s hart klopte in hetzelfde ritme. Hij was achttien, woonde op de boerderij van zijn ouders, en deed alsof hij de stoerste was. Maar diep vanbinnen droomde hij van de stad. Van lichten die nooit uitgingen, straten vol mensen die niet wisten wie je was. Hier, in het dorp, was hij gewoon Jelte, de jongen met de modderlaarzen en de slechte grappen.

Hij leunde tegen de keet, knikte naar een paar bekenden. Tim, de jongen met de langste haar, gooide hem een blikje cola toe. “Kom op, man, dans eens!” riep Tim boven de muziek uit. Jelte lachte, schudde zijn hoofd. Hij was niet van het dansen. In plaats daarvan scande hij de groep: meisjes in korte broeken die giechelden bij het vuur, jongens die probeerden indruk te maken met verhalen over feestjes in de stad. En toen zag hij haar.

Ze kwam aanwaaien op de achterzitje van een fiets, haar donkere haar wapperend in de wind als een vlag. De jongen die fietste – een van de tweelingbroers uit het dorp – remde slippend tot stilstand. Ze stapte af, schudde haar haar los en lachte naar hem. Alsof ze hier hoorde, alsof ze al jaren meedeed aan deze avonden. Maar Jelte wist beter. Dit was Mara, het nieuwe meisje uit de Randstad. Haar ouders hadden een oude boerderij gekocht, zeiden ze, om “rust te zoeken”. Rust? In dit gat? Jelte grinnikte in zichzelf. Ze droeg een zwart T-shirt met een bandlogo erop – The Cure, herkende hij meteen. Hij had posters van hen in zijn kamer hangen, geknipt uit de Free Record Shop in Groningen. Niemand hier kende zulke bands. Behalve hij.

Ze liep recht op de keet af, haar sandalen knerpend op het grind. Haar ogen, bruin en nieuwsgierig, gleden over de groep. Niemand zei hallo. Jelte slikte. *Nu of nooit,* dacht hij. Hij duwde zich af van de muur en liep naar haar toe, zijn handen in zijn zakken gestoken om niet te laten zien dat ze trilden.

“Hé,” zei hij, harder dan bedoeld. De muziek overstemde bijna zijn stem. “Jij bent Mara, toch? Nieuw hier?”

Ze draaide zich om, haar glimlach breed en zonder aarzeling. “Ja, klopt. En jij bent…?”

“Jelte.” Hij stak zijn hand uit, voelde hoe warm haar huid was toen ze schudde. “Welkom bij de Oude Steenweg. Dit is ons… eh, feestje.”

Ze lachte, een zacht, open geluid dat warmer voelde dan de zon. “Feestje? Lijkt meer op een survivalkamp. Maar cool. Die muziek is vet.” Ze wees naar de keet, waar nu een nummer van Pearl Jam door de speakers blèrde.

Jelte’s borst zwol een beetje. Vet. Ze zei dat woord alsof het normaal was. “Ja, cassette van Tim. Wil je cola? Of… wil je de omgeving zien? Dit is niet zomaar een weg, weet je.”

Haar ogen lichtten op. “Zeker. Ik ken dit dorp nog niet. Breng me maar rond, gids.”

Hij grijnsde, probeerde cool te blijven. Binnenin bonsde zijn hart al harder. *Ze praat met me. Gewoon zo.* Hij leidde haar weg van de keet, langs het grindpad dat overging in een graspad langs de sloot. De zon zakte lager, kleurde de lucht paars en oranje. Brommers ronkte in de verte, maar hier was het stil, alleen het gekabbel van het water en het zoemende van insecten. De weilanden strekten zich uit, geel en groen, ruikend naar hooi dat lag te drogen.

Ze liepen zij aan zij, hun schouders bijna rakend. Jelte voelde de hitte van haar arm, ook al raakten ze elkaar niet. “Dus,” begon hij, “waarom verhuis je naar dit gat? Uit de Randstad? Dat is een downgrade, man.”

Mara haalde haar schouders op, trapte een steentje in de sloot. “Ouders. Ze wilden rust. Geen files, geen herrie. Maar eerlijk? Ik vind het wel chill. In Amsterdam is het altijd druk. Hier… hier kun je ademen.” Ze keek hem aan, haar ogen reflecterend het avondlicht. “En jij? Woon je hier al je hele leven?”

“Ja, boerderij aan de rand. Melkkoeien, tractoren, het hele plaatje.” Hij lachte, een beetje zelfspot erin. “Ik droom van de stad, weet je. Groningen is al een begin, maar ik wil verder. Iets groters.”

Ze knikte, alsof ze het snapte. “Wat wil je dan doen? Studeren? Werken?”

“Muziek, denk ik. Of iets creatiefs. Ik heb een gitaar, oefen stiekem in de schuur.” Hij bloosde een beetje. Niemand wist dat. “Jij? Wat doe je in de stad?”

“Luisteren naar bands. The Cure, Nirvana, dat soort shit. En dromen over reizen.” Ze stopte bij de slootkant, hurkte neer om in het water te kijken. “Ik heb nog nooit op een echte boerderij geweest. Alleen dierentuinen of zo.”

Jelte’s maag draaide om. Dit was zijn kans. “Wil je ze zien? De koeien, bedoel ik. Mijn huis is niet ver. Kalfjes zijn schattig, echt.”

Ze stond op, veegde haar handen af aan haar short. “Ja! Laten we gaan.”

Ze liepen verder, het pad volgend tot de boerderij in zicht kwam. De zon was nu bijna weg, de hemel donkerblauw met sterren die begonnen te twinkelen. Jelte’s brommer stond nog bij de keet, maar ze liepen. Het voelde goed, dit tempo. Mara praatte honderduit over Amsterdam – de markten, de clubs, de regen die nooit stopte. Jelte hing aan haar woorden, lachte om haar verhalen. “Hier regent het ook, maar dan ruikt alles naar modder,” zei hij. “En hooi. Altijd hooi.”

Ze bereikten de boerderij, een groot rood gebouw met een silo ernaast. De koeien loeiden zacht in de verte. Jelte leidde haar naar de stal, de deur kraakte open. Binnen was het warm, stoffig, verlicht door een enkele gloeilamp. De geur van stro en dieren hing zwaar in de lucht, vermengd met de zoete zomerhitte. Kalfjes hinkten rond in hun hok, hun vacht zacht en wit.

“Kijk,” zei Jelte, wijzend. “Die kleine is pas een week oud. Voed ze met een fles, soms.”

Mara’s ogen werden groot. Ze stak haar hand uit, liet een kalfje eraan snuffelen. “Zo cool. Ze zijn als puppies, maar dan… groot.” Ze lachte, draaide zich om naar hem. Ze stonden dichtbij nu, dichter dan in het donker van de keet. De lamp wierp schaduwen op haar gezicht, benadrukte de lichte sproetjes op haar neus.

Jelte’s keel werd droog. Hij wilde iets cools zeggen, iets over de stad of muziek. Maar zijn stem sloeg over. “Eh… ja. Leuk, hè?”

Mara lachte zacht, niet spottend, maar warm. “Je hoeft niet stoer te doen, hoor. Ik bijt niet.” Ze leunde tegen de houten balk, haar armen over elkaar. De hitte in de stal maakte alles intenser – het stro kraakte onder hun voeten, de kalfjes bliezen zacht.

Jelte slikte, stapte dichterbij. Hun handen raakten elkaar per ongeluk toen hij wees naar een ander kalfje. Haar vingers waren warm, zacht. Hij voelde een schok, als een kortsluiting. Zijn hart bonsde nu echt, hard tegen zijn ribben. *Wat als ik het verpest?* dacht hij. Maar Mara trok haar hand niet weg. In plaats daarvan keek ze hem aan, net iets te lang. Haar ogen hielden de zijne vast, en in dat moment voelde de stal kleiner, de wereld buiten ver weg.

“Vertel eens,” zei ze, haar stem lager nu, “wat is het coolste hier in de buurt?”

Hij haalde diep adem. “Dit, denk ik. Gewoon… zijn.” Zijn woorden klonken dom, maar ze glimlachte.

Ze klommen op een hooibaal in de hoek, benen bungelend over de rand. Buiten was de zon volledig weggezakt achter de akkers, de hemel nu zwart met een paar heldere sterren. De stal voelde als een bubbel, warm en stil, alleen hun ademhaling en het zachte geritsel van stro. Jelte’s been raakte het hare, en hij verroerde zich niet. Dat tintelende gevoel kroop over zijn huid, warm en nieuw. Hij had nog nooit gezoend, nooit echt. Hij deed altijd alsof, met verhalen over meisjes uit Groningen, maar het was gelogen. Nu, met Mara, voelde het alsof alles op het spel stond.

Mara draaide haar hoofd naar hem toe. “Weet je, bij ons in de stad zoenen ze gewoon als ze iemand leuk vinden. Hoe doen jullie dat hier eigenlijk?”

Jelte’s gezicht werd rood. Zijn mond was droog. “Gewoon… normaal,” stamde hij. “Zoals overal, denk ik.”

Ze glimlachte, schoof zachtjes dichterbij. Haar schouder raakte de zijne, en toen, zonder waarschuwing, boog ze voorover. Haar lippen vonden de zijne – onhandig, warm, zacht. Jelte’s ogen vielen dicht. Het was als een vonk, die zich verspreidde door zijn hele lichaam. Haar haar rook naar zomer en shampoo, haar hand lag licht op zijn arm. Hij kuste terug, voorzichtig, zijn hart bonzend als een drum. Het duurde seconden, of misschien minuten – tijd rekte zich uit in de hitte van de stal.

Toen leunden ze terug, ademloos. Mara lachte zacht, veegde een pluk haar uit haar gezicht. “Zie je? Gewoon normaal.”

Jelte grijnsde, de spanning ebde weg, vervangen door iets warms, iets echts. Buiten loeide een koe, de nacht was vol geluiden. Voor het eerst voelde het dorp niet als een kooi, maar als een begin.

Ze bleven nog een poosje op die hooibaal zitten, benen bungelend, pratend over van alles. Mara vertelde over haar eerste weken in het dorp – hoe ze verdwaald was op de fiets, hoe de buren haar aanstaarden alsof ze een alien was. “Ze vroegen of ik kon melken,” zei ze, lachend. “Ik? Met mijn stadshanden?” Jelte lachte mee, vertelde over zijn eigen blunders: hoe hij eens een kalf had proberen te temmen en in de modder was beland. “Volledig onder de stront. Mijn moeder heeft me met de tuinslang schoongespoten. Embarrassing.”

Het voelde makkelijk, dit praten. Geen druk, geen stoerdoenerij. De stal koelde langzaam af nu de nacht inviel, maar de warmte tussen hen bleef. Jelte keek naar haar profiel in het schemerlicht – de manier waarop haar lippen krulden als ze lachte, de kleine imperfectie van een litteken op haar kin, misschien van een valpartij in de stad. Het maakte haar echt. *Waarom heb ik dit nooit eerder gevoeld?* dacht hij. Alsof zijn hele leven tot nu toe een oefening was geweest voor dit moment.

“Wil je terug naar de keet?” vroeg hij uiteindelijk, al wilde hij niet. De muziek dreunde nog in de verte, een herinnering aan de groep.

Mara schudde haar hoofd. “Nog niet. Laten we een stukje fietsen. Of… wandelen. Ik wil meer zien.”

Ze stonden op, veegden stro van hun kleren. Jelte leidde haar naar buiten, de koele nachtlucht sloeg hen tegemoet. De sterren waren feller nu, een dak van licht boven de akkers. Ze liepen het pad af, terug naar de Oude Steenweg, maar namen een omweg langs de sloot. Het water glinsterde in het maanlicht, kikkers kwaakten zacht. Hun handen raakten elkaar weer, deze keer niet per ongeluk. Jelte’s vingers vlochten zich in de hare, voorzichtig, als om te testen of het echt was. Het was. Warm, stevig.

Ze praatten over muziek – hoe The Cure’s “Boys Don’t Cry” haar favoriet was, hoe Jelte had geprobeerd het na te spelen op zijn gitaar. “Kom eens luisteren, een andere keer,” zei hij. “In de schuur. Geen ouders in de buurt.”

“Deal,” zei ze, knijpend in zijn hand. “Ik breng een mixtape mee. Uit Amsterdam.”

Bij de keet aangekomen, was de groep nog in volle gang. Vuur sproeide vonken de lucht in, cola-blikken rinkelden. Tim zag hen, floot. “Waar waren jullie? Verdwaald in de weilanden?”

Jelte voelde Mara’s hand loslaten, maar ze bleef naast hem staan. “Iets beters,” zei ze met een knipoog. Ze dansten een beetje, onhandig, lachend om elkaars stappen. Jelte voelde zich lichter, alsof de verlegen jongen in hem even was verdwenen. Maar diep vanbinnen wist hij: dit veranderde alles. De stad leek nog ver, maar nu had hij iets om voor te blijven. Of juist om te gaan.

Thuis, later die nacht, lag Jelte op zijn bed, starend naar het plafond. De ventilator zoemde zacht, maar de hitte hing nog in de kamer. Zijn lippen tintelden nog, een herinnering aan die kus. Onhandig, ja – hij had te hard gedrukt, zij had gegiecheld middenin – maar perfect. *Eindelijk,* dacht hij. Geen verhalen meer, geen doen-alsof. Gewoon echt.

De volgende ochtend hoorde hij de brommer van zijn vader al vroeg. Koeien moesten gemolken, het werk ging door. Maar terwijl hij de emmers vulde, dwaalden zijn gedachten af. Mara. Haar lach, haar hand in de zijne. Zou ze blijven? Of was dit een zomerding, zoals de hooivelden die geel werden en dan verdwenen?

Hij fietste die middag naar haar boerderij, een oud pand met klimop en krakende deuren. Ze zat op de veranda, een bandshirt aan – dit keer Joy Division. “Hé, gids,” zei ze, springend op. “Klaar voor ronde twee?”

Ze wandelden weer, langs dezelfde sloot, maar nu met meer verhalen. Over dromen: zij wilde studeren in Utrecht, hij in Groningen. Over angsten: het dorp verlaten, nieuwe mensen leren kennen. Hun handen vonden elkaar vanzelf, en op een bankje bij de wei, onder de zon, kusten ze weer. Zacht, warmer deze keer. Jelte voelde het tintelen door zijn hele lijf, een belofte van meer.

De zomer strekte zich uit, avonden vol brommers en sterren. Jelte’s verlegenheid smolt weg, vervangen door humor en durf. Mara paste in het dorp, of het dorp paste zich aan haar aan. En in die zwoele nachten, met de geur van hooi en vrijheid, leerde hij dat eerste keren niet perfect hoefden te zijn. Ze hoefden alleen echt te zijn.

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Roland_L

Hi, Roland hier. Ik schrijf over hoe het was om jong te zijn in de jaren ’80: muziek, liefde, gedoe en alles daartussen. Soms een serie, soms een los verhaal. Niet alles is waar gebeurd, maar het voelt vaak wel zo

Dit verhaal is 1180 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

1 gedachte over “Aan de Oude Steenweg”

Laat een antwoord achter aan Magna700 Reactie annuleren