De Nacht van de Alchemist – deel 4/5

Deel 4: De Geur van Verraad

De schaduwen van de mannen vielen als lange, zwarte vingers over ons heen in de hoek van de bibliotheek. Ik zag de fakkels buiten het raam dansen als boosaardige vuurvliegjes. Het licht was vals en geel en het sneed door de vertrouwde duisternis van de kamer. Valerius greep mijn schouders plotseling vast met een kracht die me deed naar adem happen. Zijn vingers knepen zo hard in mijn vlees dat ik wist dat er beurse plekken zouden achterblijven op mijn huid. “Ga!” beet hij me toe met een stem die niet meer dan een ijzig gefluister was. “Via de geheime achtergang in de kelder. Nu, Eleonora!”

Ik wilde protesteren met mijn lippen die nog plakten van zijn bloed en mijn hart dat nog razendsnel klopte van de extase. Hij gaf me echter geen schijn van kans. Hij duwde me met een onnatuurlijke kracht weg in de richting van de verborgen deur achter de boekenkast. Ik hoorde het eerste schot van een musket door de hal galmen. Het geluid was oorverdovend en liet het glas in de kas trillen. Ik rende voor mijn leven. Ik rende tot mijn longen brandden van de koude nachtlucht en de modder van de hei in mijn gezicht spatte. Ik herinner me alleen nog de scherpe doorns van de heg die mijn jurk openscheurden en de blinde doodsangst die me terug dreef naar de enige plek die ik nog kende: de apotheek van mijn vader.

Ik open mijn ogen en voel onmiddellijk een rauwe, brandende pijn tussen mijn dijen. Mijn hele lichaam trilt nog na van de koortsachtige vlucht door de regen. De beet in mijn hals klopt onophoudelijk in een zwaar en pijnlijk ritme. De wond is weer opengegaan tijdens mijn onrustige slaap en ik voel de kleverige warmte van bloed langs mijn sleutelbeen omlaag glijden. Ik merk onmiddellijk dat het laken naast me ijskoud en leeg aanvoelt. Ik lig in mijn eigen bed in de apotheek maar de kamer voelt vreemd en vijandig aan. Valerius is er niet en zijn afwezigheid laat een gapende, kille plek achter in mijn hart. Ik steek mijn hand aarzelend uit en raak de gladde stof van mijn kussen aan. Ik voel alleen nog de echo van zijn harde greep in mijn stijve spieren. De herinnering aan de boekenplanken die vannacht in mijn rug sneden is nog pijnlijk vers en aanwezig in mijn hele gestel.

Het eerste felle ochtendlicht dringt nu door de kieren van mijn houten luiken naar binnen. Het valt genadeloos op mijn naakte huid en onthult de ravage van de nacht. Ik richt me moeizaam op en druk mijn vingers voorzichtig op de beurse plekken op mijn heupen. Zijn vingers hebben daar diepe, paarse sporen achtergelaten in mijn zachte vlees. De huid is daar rood en gezwollen en doet pijn bij elke aanraking. Mijn kern voelt zwaar en pijnlijk aan bij elke kleine beweging die ik maak op de matras. Ik verschuif mijn benen over het laken en de stijfheid trekt direct door mijn dijen heen. Het opgedroogde zaad van hem kleeft irritant aan mijn huid vast als een kille herinnering aan de bibliotheek. Ik laat mijn vingers eroverheen glijden en de kou van zijn ontlading lijkt nog steeds diep in mijn vlees verankerd te zitten. Het is een sensatie die ik niet kan wegwassen met alleen water.

Ik moet mezelf snel toonbaar maken voor de dag begint. Mijn gescheurde jurk van vannacht ligt als een vergeten hoop op de vloerplanken. Ik pak de zware wol langzaam op en de natte linnen stof plakt direct weer tegen mijn koude huid aan. De grote scheuren in de rok staan wijd open en getuigen van de passie tussen de boeken. Ik trek het kledingstuk met moeite over mijn hoofd en wring de stijve kraag over de beet in mijn hals heen. Ik moet het verbergen voor mijn vader en vooral voor de priemende ogen van Adelheid. De ruwe stof schuurt over mijn tepels en maakt ze direct weer hard en extreem gevoelig voor elke beweging. De jurk zit veel te strak over de zwelling van mijn borsten en mijn gevoelige dijen. Mijn lichaam is vannacht fundamenteel veranderd. Het voelt krachtiger aan maar tegelijkertijd ook kwetsbaarder voor de blikken van de buitenwereld.

Ik stap het grote bed uit en loop op mijn tenen richting de deur. De houten vloer voelt ijskoud aan onder mijn blote voeten en elke plank lijkt luider te kraken dan normaal. De afstand tot de trap lijkt nu eindeloos groot in de stilte van de ochtend. Ik begin te hijgen door de geringe inspanning en mijn ademhaling gaat veel te snel. Een vlaag van misselijkheid komt plotseling in mijn maag opzetten als ik de geur van gedroogde kruiden van beneden ruik. Ik bereik de keuken en duw de deur voorzichtig open. Het felle licht snijdt door de ramen naar binnen en doet pijn aan mijn ogen. De vogels buiten fluiten met een scherpte die mijn oren doet suizen. Elk geluid klinkt als een mokerslag in mijn hoofd door de verhoogde zintuigen die in me wakker worden.

Adelheid staat bij het fornuis en roert in een pan. Ze draait zich abrupt om met een argwanende blik die me direct doet verstijven. Ze legt haar houten lepel neer en staart me aan terwijl haar mond langzaam openvalt van verbazing. Ze stapt direct dichterbij en snuift de lucht op. De geur van mijn huid bereikt haar neus en ik zie haar gezicht vertrekken in een grimas van afkeer. “Eleonora, waar ben je in vredesnaam geweest?” vraagt ze met een schrille stem die door merg en been gaat. Ze steekt haar hand uit naar mijn bovenarm en ik deins onmiddellijk achteruit tegen de deurpost aan. De angst voor ontdekking laat mijn hart tegen mijn ribben rammen als een gevangen vogel.

Ik schud mijn hoofd en mompel een onsamenhangende leugen over een vroege wandeling in de ochtendmist. De misselijkheid van de geur van het eten op het vuur wordt nu ondragelijk sterk in mijn maag. Haar blik valt onvermijdelijk op mijn hals en ze fronst haar wenkbrauwen terwijl ze met een vinger naar mijn witte kraag wijst. Ik zie haar ogen groter worden van schrik. Ze ziet de donkere vlek die door de stof heen dringt. Ik draai me snel om en vlucht naar de washoek voordat ze me kan vastpakken. In mijn eigen kamer was ik de modder en het plakkerige zaad van mijn benen met ijskoud water uit de waskom. Het water prikt als honderden kleine naalden in mijn huid en doet me rillen. Ik droog me haastig af en trek een schone, ongeschonden jurk aan uit de kast. De frisse stof glijdt koel over mijn gloeiende lichaam. Ik bind mijn haren strak op in een knot en ga weer naar beneden om de winkel te openen. De houten trap kraakt ongetwijfeld onder mijn voeten en elke stap voelt zwaar als lood.

Zodra ik de zware luiken van de winkel aan de straatkant opendoe, zie ik hem direct staan. Pastoor Meerman staat al op de stoep te wachten als een onheilspellende schaduw. Hij ziet er verwilderd en onverzorgd uit voor een man van de kerk. Zijn kleren zitten vol zwarte modder en zijn ogen zijn bloeddoorlopen van een slapeloze nacht. Zijn lange schaduw valt donker over de drempel van de apotheek terwijl hij naar binnen stapt. Hij komt onmiddellijk in mijn persoonlijke ruimte staan en negeert de toonbank tussen ons. Zijn zware mantel ruikt naar rook en de zure geur van een vermoeide en gefrustreerde man. De geur van Valerius zit echter nog steeds ergens in mijn haar verborgen en Meerman snuift de lucht tussen ons hoorbaar op. Hij legt zijn hand op mijn schouder en zijn dikke vingers knijpen direct hard in mijn vlees. “Er hangt een onmiskenbare geur van verval om je heen, kind,” fluistert hij met een schorre en dreigende stem. “We hebben vannacht gezocht in Het Zwarte Huis. Het beest is weggevlucht voor onze fakkels. Vertel me nu eens eerlijk: waar ben jij vannacht in vredesnaam geweest?”

De situatie escaleert veel sneller dan ik kan ademhalen. De winkeldeur vliegt met een scherpe krak open en een handvol dorpelingen stormt achter de pastoor aan naar binnen. Ze dragen nog steeds de fakkels van vannacht bij zich, nu gedoofd en roetend en ruikend naar verbrande olie. De lucht in de apotheek wordt direct dik van hun collectieve woede en zweet. De mannen verspreiden zich door de ruimte en beginnen de schappen leeg te trekken. Glazen potten vallen met harde klappen op de vloer en barsten met hoge, rinkelende geluiden. De scherpe geur van gemorste tincturen en kruidenextracten stijgt direct op en prikt in mijn neus. Meerman grijpt mijn kin vast met ruwe vingers die diep in mijn huid graven. Hij dwingt mijn hoofd met geweld omhoog zodat ik hem aan moet kijken. “Je ruikt naar de dood en naar de zonde, Eleonora!” snauwt hij terwijl zijn adem heet en zuur in mijn gezicht slaat.

Ik zie mijn vader nu in de hoek van de kamer staan. Hij is lijkbleek en houdt zijn armen strak over elkaar geslagen. Hij doet helemaal niets om me te helpen tegen de woede van de pastoor. Er is geen spoor van liefde of bescherming meer in zijn ogen te vinden; er is alleen nog maar blinde angst voor de macht van de kerk. Ik zie een kleine opening naar de achterdeur achter de toonbank. Ik verzamel al mijn moed en duw met alle kracht die ik heb tegen de borst van Meerman aan. Hij wankelt verrast achteruit door mijn plotselinge kracht en ik maak van de gelegenheid gebruik om weg te sprinten. Ik ren de smalle steeg achter de apotheek in terwijl ik Meerman achter me hoor bulderen dat ze me moeten grijpen. De beet in mijn nek klopt nu pijnlijk en de hitte drijft me onvermijdelijk terug naar de enige plek waar ik nog echt besta: Het Zwarte Huis.

Ik storm de hal van het huis binnen en de zware eiken deuren slaan met een dreun achter me dicht. Het is hier nu doodstil en koud. De storm van vannacht is gaan liggen maar de lucht in de gang ruikt nog steeds naar kruit, rook en angst. Ik vind Valerius uiteindelijk in de verduisterde kamer boven aan de trap. Hij ligt machteloos op de vloer bij de koude haard. De zon buiten heeft al zijn resterende krachten weggezogen en de strijd van vannacht heeft hem volledig uitgeput. Zijn huid ziet er bleker en breekbaarder uit dan ik ooit heb gezien. “Ik ben hier nu bij je,” fluister ik hees terwijl ik naast hem op de grond kniel. Hij trilt over zijn hele lichaam en zijn ogen blijven gesloten. Ik weet zonder twijfel dat mijn bloed hem nu als enige kan redden van de ondergang. Ik bied hem mijn pols aan en hij grijpt hem onmiddellijk vast met een kracht die mijn botten doet knarsen onder zijn vingers. Zijn tanden zinken diep in mijn warme vlees en het ritmische zuigen begint direct. De pijn brandt even hevig maar slaat dan direct om in een allesverzengende hitte die door mijn hele lijf trekt als vloeibaar vuur.

Terwijl hij gulzig van me drinkt, horen we de eerste zware klappen tegen de poort beneden in de hal. De dorpelingen hebben me gevolgd en ze zijn vastberaden om dit keer af te maken waar ze aan begonnen zijn. Ze zijn er weer en dit keer zijn ze met meer. We vluchten moeizaam naar de kelder terwijl het hout van de voordeur beneden versplintert onder het geweld van de bijlen. Ik druk me plat tegen de vochtige en kille stenen muur van de kelderruimte. Valerius hangt zwaar in mijn armen; de bloedgift heeft hem iets kracht teruggegeven maar hij is nog lang niet de jager die hij vannacht in de bibliotheek was. Boven ons horen we het woedende gebrul van de menigte en het geluid van zware laarzen op de vloerplanken. Het licht van de fakkels stroomt als een giftige en gele rivier de keldertrap af en verlicht de trap treden voor treden.

Valerius trekt me met een laatste, wanhopige krachtsinspanning dichterbij zijn lichaam. Onze lichamen botsen hard tegen elkaar aan in de diepe schaduwen van de kelder. De kou van zijn huid is nu geen dreiging meer maar een vreemde troost in deze chaos. “Eleonora,” fluistert hij hees tegen mijn lippen terwijl hij mijn gezicht vasthoudt. “Kies nu. Zij of ik. Er is voor jou geen weg meer terug naar die wereld.” Hij duwt me met kracht tegen de koude stenen muur aan en zijn hand glijdt onder mijn jurk door om mijn dij in een ijzeren greep vast te grijpen. Boven ons bonken de laarzen nu op de eerste treden van de keldertrap. Ik zie de gestalte van Meerman verschijnen in het licht van de fakkels. Hij houdt een zilveren kruis hoog opgeheven als een dodelijk wapen.

Valerius heft plotseling zijn eigen pols op en zet zijn tanden met een brute ruk in zijn eigen vlees. Donker en dik bloed welt onmiddellijk op uit de wond en drupt langzaam op de stenen vloer tussen ons in. Hij drukt de bloedende wond met kracht tegen mijn mond aan. “Drink,” gromt hij bevelend. Het bloed raakt mijn lippen warm en scherp van smaak. Ik zuig instinctief aan de wond en de dikke vloeistof brandt onmiddellijk in mijn keel als gesmolten lood. Er trekt een hevige en onnatuurlijke schok door mijn hele lichaam heen. Mijn benen knikken onder me weg en ik klamp me wanhopig aan zijn marmeren lichaam vast om niet te vallen. De transformatie begint nu echt in mijn eigen vlees. Er trekt een vreemde en pijnlijke tinteling door mijn tandvlees heen en ik voel hoe mijn tanden langer en scherper worden bij elke hartslag.

De schaduwen van de mannen vallen nu volledig over ons heen in de verre hoek van de kelder. Meerman schreeuwt een rauwe vervloeking uit terwijl hij het kruis naar voren steekt. Maar de menselijke angst is volledig uit me weggevloeid. Ik voel alleen nog maar de honger. Een onverzadigbare en ijskoude honger die mijn hele wezen overneemt. Ze zijn er en ze denken dat ze op jacht zijn. Maar wij zijn niet langer de prooi van dit dorp. Vanaf dit moment zijn wij de nacht.

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Anoniem

De schrijf(st)er van dit verhaal heeft er voor gekozen anoniem te blijven. Derhalve is er geen verdere informatie bekend over deze auteur.

Dit verhaal is 422 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

Plaats een reactie