Het lag op mijn nachtkastje, schuin tegen de lamp geleund, alsof het er altijd had gelegen. Het visitekaartje. Ik had het al vijf keer opgevouwen en weer rechtgezet, de hoekjes zacht geworden van mijn vingertoppen. Een naam die ik nooit gehoord had. Een nummer dat ik inmiddels uit mijn hoofd kende. Ik had het niet gevraagd. Hij had het me gegeven, in de lift, op de achtste verdieping van een hotel waar ik nooit meer terug zou hoeven komen. Maar ik lag nu in mijn eigen bed, naast Willem die zachtjes snurkte, en ik voelde het karton prikken in mijn handpalm alsof het gloeide.
Mijn hart bonkte in mijn keel. Niet van opwinding. Van angst. Een angst die verdacht veel op verlangen leek.
Ik draaide me op mijn rug en staarde naar het plafond. Het was donker, maar ik kende elke barst en elk vlekje boven ons bed. Willem lag op zijn zij, zijn arm zwaar over mijn heup geworpen. Vertrouwd. Te vertrouwd. Op dit moment voelde het alsof ik naast een vreemde lag, iemand die mijn lichaam herkende maar mijn gedachten niet kon raden. Het kaartje lag op het nachtkastje, maar ik voelde het in mijn handpalm, een drukpunt dat niet wegging. Ik dacht aan de lift. Ik dacht aan zijn woorden: “Mocht je morgen tijd hebben… Ik zoek nog gezelschap voor na het diner.” Ik dacht aan het feit dat hij me had aangezien voor iemand die dit deed. En dat ik het had aangenomen.
Ik luisterde naar Willems ademhaling, diep en regelmatig. Hij wist niets van de lift. Niets van de man. Niets van het kaartje dat nu tussen ons in lag, onzichtbaar maar zwaarder dan de dekens. Ik voelde mijn eigen hartslag in mijn oren, een ritme dat niet paste bij het zijne. Ik ademde oppervlakkig, bang dat dieper ademen zou betekenen dat ik dit aanvaardde. Dat ik dit wilde. Ik lag zo tot het licht werd, het kaartje onaangeraakt op het nachtkastje, maar voortdurend aanwezig.
De volgende ochtend, toen Willem naar zijn werk was, belde ik het nummer. De telefoon ging drie keer over. Toen nam een man op. Geen stem die ik kende. Diep, rustig, met een accent dat ik niet kon plaatsen. Iets uit het oosten, misschien Brabant, misschien verder weg.
“Met Noortje,” zei ik bijna fluisterend. Mijn naam klonk vreemd in mijn eigen mond, alsof ik mezelf voorstelde aan een vreemde.
Stilte.
“Ik had niet verwacht dat je zou bellen.”
Ik slikte. Mijn hart bonkte tegen mijn ribbenkast, een dier dat wilde ontsnappen.
“Ik weet niet waarom ik bel,” gaf ik toe. Het was de waarheid.
Hij lachte zacht. Geen spot, geen triomf. Gewoon een geluid dat me herinnerde aan iets.
“Je hoeft niet te weten waarom,” zei hij. “Je hoeft alleen te weten of je wilt komen.”
“Ja,” zei ik. “Ik wil komen.”
Tijdens het avondeten zei ik niets tegen Willem. Ik had hem verteld over Pieter, over het zaad, over het gevoel van vol zijn. Maar niet over de lift. Niet over de man die me had aangezien voor iets dat ik zelf nog niet wist of ik was.
De afspraak stond om acht uur. Een hotel in Rotterdam. Willem dacht dat ik naar een lezing ging voor werk. Onder mijn werkkleding droeg ik hetzelfde lingerie setje als ik gisteravond had gedragen. Mijn werktas had ik leeggehaald en gevuld met de kleding van gisteren en mijn make-up setje. In het toilet bij de bar van het hotel zou ik volledig transformeren naar de hoer waar hij me voor aangezien had.
In de trein keek ik uit het raam. Het landschap trok voorbij, groen en grijs, en ik voelde me opengesperd, niet tussen mijn benen maar in mijn borstkas. Er zat een holte waar mijn hart had moeten zitten. Ik had verwacht dat ik me schuldig zou voelen. Maar schuld is een emotie die vraagt om een getuige, en er was niemand die wist wat ik deed.
De vrouw tegenover me typte op een laptop, haar gezicht verlicht door het scherm. Ik voelde de jarretelband strak om mijn dij, een geheime grens onder mijn gewone rok en blouse. Niemand zag het. Niemand wist dat ik onder mijn werkkleding dezelfde lingerie droeg die ik voor Pieter en Manon had gedragen. Het dubbele ervan maakte me duizelig. Ik was twee vrouwen tegelijk, en geen van beiden voelde echt. Elke keer dat de trein schudde, voelde ik de stof schuren, de banden die mijn huid markeerden als een stille aanklacht. Ik keek naar mijn handen op schoot, de nagellak vanmorgen opnieuw aangebracht, en vroeg me af welke vrouw deze handen zou gebruiken vandaag.
Het hotel was modern, met een vloer die geen geluid doorgaf. De kamer lag op de elfde verdieping. Ik stond voor de deur, mijn hand trilde niet, en dat verontrustte me. Ik klopte.
Hij deed open. De man uit de lift, maar anders. In de lift had hij een pak gedragen, nu stond hij in een overhemd met de mouwen opgestroopt. Hij was ouder dan ik dacht, misschien vijftig, met grijs in zijn slapen en handen die groot waren maar niet hard. Hij rook naar tabak en iets scherps. Het deed me denken aan Spicebomb van Viktor&Rolf.
“Binnen,” zei hij. Geen vraag.
Ik liep naar binnen. De kamer rook naar niets. Geen parfum, geen schoonmaakmiddel, alleen de afwezigheid van geur. Ik voelde een vlaag van misselijkheid. Ik stond in het midden van de kamer en nam de details op. Er stond een koffer op een rek, een leren tas die niet de zijne leek. Op het bureau stond een glas water, halfvol, met een afdruk van lippenstift op de rand. Niet de mijne. Het bewijs van een vrouw die hier eerder was geweest. Misschien van een vriendin. Ik realiseerde me dat deze man een leven had buiten dit uur. Dat ik alleen dit uur was. Er was geen script. Geen Willem die toekwam. Geen Manon die de ruimte vulde met haar aanwezigheid. Alleen ik, en hij, en het bed dat opgemaakt was.
“Je bent nerveus,” zei hij. Hij liep naar het raam met prachtig uitzicht over de Maas en trok de gordijnen dicht. Het licht werd zachter.
“Ik ben professioneel,” zei ik, en de woorden kwamen uit een hoekje in mijn hoofd waar ik niet meer wist of ik ze zelf had bedacht of van Willem had geleend.
Hij draaide zich om. Keek me aan. Niet zoals Pieter had gekeken, niet met die hongerige verwondering. Hij keek alsof hij iets kocht. Een dienst. Een uur van iemands leven.
“Kleed je uit.”
De kleding gleed af zoals ik het thuis had geoefend. Ik stond daar in de gloed van de vloerlamp en voelde me niet naakt. Ik voelde me ontkleed, alsof iemand de schil van een sinaasappel had gepeld en het vruchtvlees blootlegde zonder te vragen of het daar klaar voor was.
Hij kwam dichterbij. Zijn handen waren warm. Dat was het eerste wat ik merkte. Warm en droog. Hij raakte mijn schouder aan, trok een lijn naar mijn elleboog, alsof hij een landkaart bestudeerde.
“Je hoeft niet te doen alsof je dit leuk vindt,” zei hij.
Ik keek op. Zijn ogen waren grijs, de kleur van een winterlucht voor het gaat sneeuwen.
“Ik doe niet alsof,” zei ik, maar mijn stem klonk hol.
Hij knikte, alsof ik iets bevestigd had waarvan ik niet wist dat het een vraag was. Toen trok hij me naar het bed. Niet ruw. Niet teder. Gewoon efficiënt.
Wat er daarna gebeurde, staat in mijn geheugen als een serie flitsen. Niet omdat het pijnlijk was. Niet omdat het lelijk was. Niet omdat ik niet wilde. Maar omdat ik er niet bij was. Mijn lichaam lag op het bed, mijn benen vielen open, mijn huid reageerde op aanrakingen en druk en warmte. Maar ik, het deel van me dat dacht, dat voelde, dat bang was of blij, zat ergens hoog in een hoek van de kamer en keek toe.
Ik herinner me het geluid van de airco. Een zacht, continu geruis, als een zee die te ver weg is om te horen maar die je wel voelt. Ik herinner me de kou van het kussen tegen mijn wang. Ik herinner me zijn warme stoten in mijn binnenste. Ik herinner me zijn ademhaling, zwaar en versneld, alsof hij aan het werk was. En ik herinner me dat ik dacht: dit is het dan. Dit is wat hij heeft gekocht.
Toen hij klaar was, stond hij op en liep naar de badkamer. Ik hoorde de kraan lopen. Ik bleef levenloos liggen, starend naar het plafond, en voelde hoe er iets uit me liep dat warm was maar niet van mij. Het druppelde op het laken. Het geluid van de kraan was het enige wat er was.
Hij kwam terug, aangekleed. Legde acht briefjes van vijftig op het nachtkastje. Hij keek me niet aan.
“Bedankt. Je kunt blijven om jezelf op te frissen,” zei hij. “De kamer is tot morgenochtend betaald.”
Toen was hij weg.
Ik stond op. Mijn benen voelden niet van mij. Ik liep naar de badkamer, zette de douche zo heet mogelijk, en stond eronder tot mijn huid rood zag. Het water brandde. Ik keek naar mijn handen die de zeep vasthielden, mijn eigen handen, met dezelfde nagellak als vanmorgen. Ik schrobde mijn schouders tot ze pijn deden, maar ik voelde nog steeds de route van zijn vingers, als een spoor dat onder mijn huid zat in plaats van erop. Ik dacht: ik ben nog steeds hier. Ik ben nog steeds Noortje. Maar ik wist niet meer wie dat was. De zeep rook naar citrus, scherp en schoon, maar ik voelde me niet schoon. Ik voelde me zichtbaar, alsof zijn blik nog op mijn huid zat, een laagje dat ik niet kon afwassen.
Laat in de avond, in de trein terug, keek ik uit het raam. Het landschap was hetzelfde, maar ik was niet meer dezelfde. Er was iets gebeurd dat geen naam had. Geen schaamte, maar ook geen trots. Het was alsof ik een deur was doorgegaan waarvan ik niet had geweten dat hij bestond, en nu stond ik in een kamer zonder ramen.
Thuis lag Willem op de bank de herhaling van een talk-show te kijken. Ik liep door naar de keuken en legde het geld op de keukentafel. Vierhonderd euro. Hij kwam achter me aan de keuken binnen, zag het, en zijn ogen werden groot.
“Wat is dit?” vroeg hij.
Ik vertelde het hem. Niet alles. Maar genoeg. Het kaartje. Het hotel. De man die efficiënt was geweest. De betaling.
Willem zei niets. Hij pakte het geld, telde het, legde het terug. Het geld lag tussen ons in, oranje en stil, als een derde persoon aan tafel. Ik keek naar zijn handen die het hadden geteld. Ik wilde dat die handen mij omarmden. Ik wilde zeggen: ik voelde niets. Ik was er niet bij. Maar zijn ogen glommen op een manier die ik niet kende. Het was niet boosheid. Het was niet eens jaloezie. Het was iets dat leunde naar bewondering, maar dieper, donkerder.
“Hij betaalde je,” zei Willem. Het was geen vraag.
“Ja.”
“En je deed het. Echt. Met een vreemde.”
“Ja.”
Willem liep om de tafel heen. Hij kwam achter me staan, legde zijn handen op mijn schouders. Ik voelde zijn ademhaling in mijn nek, sneller dan normaal.
“Doe het nog eens,” fluisterde hij.
Ik draaide me om.
“Wat?”
“Niet met hem. Met anderen. Noortje, snap je niet wat dit is? Dit is echt. Dit is wat we speelden, maar dan waar. Jij… jij bent goed in dit. Ik zie het. Je straalt anders. Je bent…”
Hij zocht naar het woord. Ik wist al wat hij zou zeggen.
“Je bent van niemand,” zei hij. “En dat maakt je van iedereen.”
Ik wilde nee zeggen. Ik wilde zeggen dat het leeg was, dat de man me niet had gezien, dat ik onder de douche had gestaan tot mijn huid pijn deed en nog steeds zijn blik voelde. Maar Willems ogen glommen. Hij was opgewonden, niet seksueel, of niet alleen seksueel, maar alsof hij een puzzel had gelegd waarvan hij niet had geweten dat hij de stukken miste.
“Ik regel het,” zei hij. “Een website. Anoniem. Discreet. Jij hoeft je nergens zorgen om te maken. Ik bescherm je. Komt goed.”
Ik wilde zeggen dat ik geen bescherming nodig had tegen de mannen. Dat ik bescherming nodig had tegen dit. Tegen het moment waarop het spel echt werd. Maar mijn stem werkte niet. En Willem kuste me, hard, alsof hij me wilde terugpakken van een vreemde.
Ik liet het gebeuren.
Ik liet alles gebeuren.