Dit verhaal is het vierde en laatste deel over Louis Quatorze, Lodewijk de Veertiende, Koning van Frankrijk. Eerder plaatste ik ‘De Zonnekoning’, ‘het Leger van de Prins’ en ‘Gräfin Anna-Maria’.
Louis werd koning toen hij nog maar amper vier jaar was en zou uitgroeien tot de meest tot de verbeelding sprekende koning van Frankrijk. Hij ontwierp het gigantische paleis van Versailles, waar hij vervolgens de hele Franse adel verplichtte er te komen wonen. Op die manier bracht hij hen onder zijn controle en maakte hij daarmee een einde aan hun anarchie. Het gevolg was echter wel dat Versailles een broeinest en een slangenkuil werd…
Het is gisteravond behoorlijk uit de hand gelopen. De kaartcompetitie in de ‘salon Grande’ duurde lang, een groot deel van de adellijke mannelijke bewoners en een klein deel van de dames van Versailles nam deel en het zat me niet mee, het kostte me meer geld dan me lief is. Vervolgens was Athénaïs nogal veeleisend in bed. Sinds zij mijn minnares is heb ik geen rustige nacht meer gehad, het is absoluut onmogelijk die kleine sexy intrigante te weerstaan. Toen ik in mijn slaapvertrekken aankwam lag ze al naakt in mijn bed, pruilend dat ze zo lang had moeten wachten en me zonder pardon voor zich opeisend. Het begon al licht te worden toen ik eindelijk in slaap viel en daar betaal ik nu de tol voor.
Het ijlbericht
Terwijl mijn ministers maar doorbeuzelen over het gebrek aan financiën en al die andere regeringsproblemen die ze allang hadden moeten oplossen, lukt het me amper om mijn ogen open te houden. Ik ben dan ook opgelucht en daarmee klaarwakker als er stevig op de grote dubbele deuren wordt geklopt. Mijn lijfknecht Bontemps neemt poolshoogte en na het nodige gefluister komt hij met een briefje naar me toe: ‘Excusez Sire, een nogal dringend bericht van Comtesse de Rocque-en-Court.’
Valy, mijn jeugdvriendin, té lang heb ik haar niet gezien!
Haastig verbreek ik het zegel en lees: ‘Mon chèr Louis, maman ligt op sterven en ze vraag naar jou en Philippe. Willen jullie s’il vous plaît zo gauw mogelijk komen? Valéry.’
Ik spring overeind, gebaar dat de heren zonder mij door moeten gaan en been naar mijn privé-vertrekken, met Bontemps vlak achter me. Daar aangekomen draag ik hem op mijn broer Philippe te waarschuwen, waarna mijn kamerheren me helpen met mijn ruiterkleding. Met de koets zou ik er ruim twee uur over doen om in Rocque-en-Court te komen, maar te paard over de ruiterpaden door de bossen moet het aanzienlijk sneller kunnen.
Niet veel later galoppeer ik met Bontemps en een escorte van Musketiers het centrale plein af, nieuwsgierig nagekeken door in het park wandelende hovelingen en regeringsfunctionarissen. Normaal gesproken rijden we vanwege de overlast niet door het dorpje Versailles maar dit keer wel, omdat het een stuk korter is. Nood breekt wetten. Twee Musketiers gaan voorop en terwijl de paarden met hun denderende hoeven het zand van de dorpsweg doen opstuiven gaan de mensen verschrikt aan de kant. Het is een onstuimige rit en als de aanleiding niet zo droevig was zou ik ervan genieten. Een snelle rit te paard maakt altijd weer dat ik me voel leven. Bijna vind ik het daarom jammer als we ruim binnen het uur Rocque-en-Court bereiken, het landgoed dat ik Valy cadeau deed na de pensionering van haar maman.
Bij het bordes aangekomen spring ik van mijn paard en ren in éen beweging door naar de grote dubbele deuren, die precies op dat moment openzwaaien. In de salon tref ik Valy, eenvoudig gekleed maar mooi als altijd. Ze vliegt me snikkend in de armen. Ik troost mijn lieve jeugdvriendinnetje met sussende woordjes en kus haar tranen weg. Madame Sophie ligt boven en net als we de trap willen betreden zwaaien de deuren opnieuw open.
Mijn broer treedt binnen en na met een buiging Valy te hebben begroet bijt hij me toe: ‘kon je niet even wachten, koninklijke broer?’ Typisch Philippe, zo snel verongelijkt.
‘Pardon? Ik liet je toch waarschuwen? Moest ik je soms ook nog van je vriendje van dienst af komen trekken?’
‘Louis, Philippe, s’iI vous plaît, stóp daar mee!’ zegt Valy verwijtend.
Vervolgens loopt ze snel naar boven en kunnen wij haar als twee betrapte jongens alleen maar volgen.
Goede koning?
Ik schrik als ik Madame Sophie zie, ze is oud en mager geworden. Maar als ze haar ogen opent stralen die van blijdschap als ze ons ziet. ‘Louis, Philippe, jullie maken me gelukkig,’ fluistert ze, waarna ze ons beiden lang bekijkt en dan haar ogen weer sluit. Meer dan een uur zijn we gedrieën bij haar, af en toe een woord wisselend, meestentijds in diepe stilte. Valy is naast haar moeder gaan liggen en Philippe en ik zitten ieder aan een kant van haar bed. Ze ademt steeds zwakker, langzaam maar zeker breken haar laatste minuten in dit leven aan.
Tegen het einde, als haar adem al heel moeizaam is, gaan haar ogen nog een keer open en wenkt ze me dichterbij te komen. Ze fluistert, zo dat alleen ik het kan horen: ‘…et alors, mon chèr Louis, ben je een goede koning geworden…?’ Ik begrijp meteen waar dit vandaan komt, in mijn jeugd vertelde ze me ooit in haar keuken waar volgens haar het volk behoefte aan heeft. Terwijl haar vraag tot me doordringt kijkt ze haar dochter, mijn broer en mij nog een keer liefdevol aan en blaast ze haar laatste adem uit, begeleid door onze verbijsterde stilte. Valy snikt het daarna uit en ook Philippe en ik zijn diep verdrietig. Langzaam dringt het besef door dat we nu echt onze lieve Madame Sophie kwijt zijn. Die lieve kokkin van ons paleis, die in onze jeugd meer dan onze maman altijd voor ons klaar stond als we het moeilijk hadden, en die ons zoveel wijze lessen leerde.
Zelfs nu heeft ze me zoals ze vroeger zo vaak deed aan het denken gezet.
Ben ik een goede koning geworden…?
Ja, voor het land wel. Ik heb de hele Franse adel gedwongen in Versailles te komen wonen en maakte daarmee een eind aan hun anarchie. Hun inkomsten vloeien nu grotendeels naar de staatskas, zoals het hoort. Ik heb Duitsland op zijn nummer gezet en doe dat momenteel ook met Holland en Spanje.
Maar ben ik daarmee een goede koning voor mijn volk? Wat doe ik aan hun noden en hun armoede? En aan hun vieze steden met de open riolen? Hoe lang wordt me al niet verzocht, gesmeekt zelfs om de ‘Champs Elysées’ te dempen, die stinkende moerassen achter het Louvre?
Philippe kent me als geen ander, hij ziet dat madame Sophie haar laatste woorden me diep hebben geraakt. Hij kijkt me intens aan met zijn brandend-donkere ogen, die net als de mijne betraand zijn.
Hij lijkt als geen ander op mij en hij mag dan mijn broer zijn, maar toch ik sta er helemaal alleen voor.
Ineens vliegen de last en de eenzaamheid van mijn koningschap me aan, ik moet hier weg.
Ik omhels Valy innig, en vervolgens Philippe.
Daarna komt het moeilijkste.
Ik betoon madame Sophie met alles wat ik in mij heb de laatste eer, met een innige kus op haar nog warme hand. Vervolgens maak ik geheel tegen mijn gewoonte in een diepe, lange buiging voor haar.
Dan vertrek ik…
Bosnimfen
Ik moet me inhouden om waardig te blijven. Zo beheerst mogelijk maar wel snel loop ik door de hal, terwijl Valy’s personeel diepe buigingen voor me maakt. De paarden staan nog steeds voor het bordes, vastgehouden door staljongens, maar Bontemps of de musketiers zijn in de verste verte niet te bekennen. Ik overval ze waarschijnlijk met mijn plotselinge komst en dat komt me goed uit. Mijn besluit staat vast, ik ga in mijn eentje vertrekken, hoewel ik daarmee inga tegen het veiligheidsprotocol. Ik besef heel goed welk gevaar ik daarmee over mezelf afroep maar dat weegt niet op tegen de behoefte om even helemaal alleen te kunnen zijn. In vliegend galop jaag ik de oprijlaan af en niet veel later ben ik in het woud, dat van dit domein helemaal tot Versailles reikt.
Om alleen te zijn en dat ook te blijven neem ik een aantal keren een afslag naar steeds kleinere ruiterpaden, om Bontemps en de Musketiers op een dwaalspoor te brengen. Ik zet mijn paard tot het uiterste aan en al na ruim een half uur bereik ik de rand van het ‘Domaine du Château de Versailles’. Doordat ik een heel andere route nam dan op de heenweg ben ik aan de achterzijde terecht gekomen, in het vroegere jachtgebied van mijn vader. Al snel kom ik aan bij het meertje waar ik zoveel jaren terug met Philippe en Valy heb gezwommen. Daar bedacht ik mijn eerste plannen om mijn vaders jachtkasteeltje uit te bouwen tot de grandeur die het nu heeft gekregen.
Ik breng mijn paard tot stilstand, laat het eerst wat drinken uit het meertje en bind het daarna iets terug in het bos aan een boom, waar het schaduw heeft en er voldoende gras is om te grazen. Hoewel ik verdrietig ben om de dood van madame Sophie voel ik me tegelijkertijd merkwaardig vrij.
Ze gaf me het duwtje om me los te maken van de waan van alledag. En vooral heeft ze me aan het denken gezet over waar ik met Frankrijk naar toe wil. Ik kom daar bijna nooit meer aan toe, door alle besluiten die iedere dag weer genomen moeten worden. Daar komt bij dat ik vrijwel nooit alleen ben, altijd zijn er mensen om me heen die iets van me willen, of die vinden dat ze van de vroege morgen tot de late avond het protocollaire recht hebben om aanwezig te zijn bij alles wat ik doe.
Het is een warme dag en ik besluit hetzelfde te doen als die dag zoveel jaren terug met Valy en mijn broer. Ik kleed me helemaal uit en duik het water in. Het is heerlijk, het verfrist niet alleen mijn lichaam maar ook mijn geest en al zwemmend kom ik langzaam weer wat tot mezelf. Als ik er genoeg van heb pak ik mijn mantel, spreid die uit op de grond en ga erop liggen, me zo drogend in de zon. Vrijwel meteen is daar weer de vraag van madame Sophie, of ik een goede koning ben. En ik weet het eigenlijk niet, de laatste jaren hebben vooral Frankrijks vijanden me opgeëist.
Het kon natuurlijk niet uitblijven, ik voel me uitgeput en dommel weg in de warmte van de zon, om pas weer wakker te worden als ik in de verte stemmen hoor, vrouwenstemmen. Haastig trek ik me met mijn kleding terug achter wat grote struiken en dat is maar net op tijd, want nog voor ik de kans krijg me aan te kleden en ongezien te verdwijnen komen er aan de overzijde van het meertje twee jonge vrouwen tussen de bomen tevoorschijn. Allebei dragen ze een mand met kledingstukken die ze een voor een onderdompelen in het water. Vervolgens kleden ze zich uit en gaat ook hun lijfkleding het water in.
Het is alsof zich twee nimfen aan mij openbaren, met hun komst lijken ze het bijzondere van deze dag te onderstrepen. Ik vermoed dat het dochters van enkele van mijn pachters zijn, jong en mooi, die van hun taak om de kleding van hun families uit te wassen een genoeglijk samenzijn maken. Zelfs vanaf hier kan ik zien hoe hun borsten zich trots verheffen en hun tepels zich opgewonden tonen. Met de nodige gilletjes waden ze tot hun heupen het water in, waarna ze beginnen met hun was. In lange tijd zag ik niet zoveel onbezorgde vrolijkheid. Het schouwspel van deze zich onbespied wanende meisjes heeft vrijwel directe invloed op mijn phallús, die zich langzaam maar zeker vult.
X. Zara