Onder het kruisje (deel 1)

De trein raasde over de spoorbrug bij de IJssel en het ritmische gedender van de wielen klonk me als muziek in de oren. Het was het geluid van de grens overgaan. Achter me lag Broekdal, het stille dorp waar de zondagen grijs en traag waren en waar de radio in de keuken alleen aanstond voor het nieuws of de psalmen van de kerkradio. Voor me lag Zwolle. De stad. De plek waar ik eindelijk adem kon halen.

Ik keek naar mijn weerspiegeling in het donkere raam van de coupé en zag een keurig meisje dat ik eigenlijk niet wilde zijn. Mijn donkerblonde haar was die ochtend door mijn moeder strak ingevlochten. Mijn rok viel zedig over mijn knieën en de hooggesloten blouse liet geen stukje huid zien dat bedekt hoorde te zijn. Om mijn hals hing het zilveren kruisje dat ik bij mijn belijdenis had gekregen. Het voelde als een harnas. Een bescherming tegen de wereld maar ook een kooi waar ik elke maandagochtend uit wilde breken.

Mijn gedachten dwaalden af naar gistermiddag. Vader had op zijn plek aan het hoofd van de tafel gezeten met zijn handen gevouwen op het witte tafelkleed. Mijn broers en zussen zaten vroom aan tafel terwijl moeder in de keuken met het avondeten bezig was. Hij had een lange verhandeling gehouden over de gevaren van wereldse verleidingen. Zijn stem was zwaar en duldde geen tegenspraak. Hij was de absolute heerser van ons gezin en zijn woord was wet. Maar ik had iets gezien. Terwijl vader zijn ogen sloot voor het gebed had ik mijn moeder gezien. Ze stond bij het aanrecht met haar rug naar de kamer. Heel snel en met een beweging die getuigde van jarenlange oefening had ze een glaasje bessenjenever achterovergeslagen. Daarna veegde ze haar mond af en vouwde haar handen alsof er niets gebeurd was. Het was niet alleen de drank die me raakte. Het was de blik in haar ogen toen ze zich omdraaide. Een flits van opstandigheid. Een klein en geheim verzet tegen de man die alles bepaalde. Dat beeld had zich in mijn hoofd genesteld. Als moeder die altijd zo vroom en gehoorzaam leek een geheim kon hebben, waarom ik dan niet?

Toen de trein afremde pakte ik mijn weekendtas. Zodra ik het perron opliep voelde ik de energie van de stad door me heen stromen. Hier liep niemand in het zwart. Hier werd gelachen en gerookt en geleefd. Ik haastte me naar mijn christelijke studentenhuis, een oud pand net buiten het centrum dat ik deelde met Esther, Maria en Lydia. Binnen rook het naar tosti’s en goedkope deo. Het was de geur van vrijheid. Ik groette mijn huisgenoten vluchtig en rende de trap op naar mijn kamer.

De transformatie was inmiddels mijn wekelijkse ritueel, maar dat was niet van de ene op de andere dag gegaan. Toen ik hier in september aankwam had ik de eerste weken precies dezelfde kleding gedragen als thuis. Lange, degelijke rokken in donkerblauw of grijs en hooggesloten blouses. Ik viel niet echt op in de gangen van de Viaa, maar in ons studentenhuis voelde ik me een buitenstaander in mijn eigen kleding. Ik zag hoe Esther en Maria doordeweeks in spijkerbroeken en vrolijke truien liepen. Pas op vrijdagmiddag, vlak voor ze de trein naar hun ouderlijk huis pakten, vond er een gedaantewisseling plaats. Dan kwamen de rokken tevoorschijn, werd de make-up verwijderd en werden de haren weer netjes vastgezet.
Tijdens het gezamenlijke eten had ik het een keer voorzichtig ter sprake gebracht. Mijn stem klonk zacht en onzeker boven de dampende pasta met tomatensaus en tonijn.

“Waarom doen jullie dat?” had ik gevraagd. “Is dat niet… dubbel?” Esther had haar vork neergelegd en me vriendelijk aangekeken.
“Het zijn twee werelden, An,” had ze uitgelegd. “Hier ontdekken we wie we zelf zijn. Thuis respecteren we onze ouders en de regels van de gemeenschap. Het één hoeft het ander niet uit te sluiten. Het is gewoon even schakelen.”
Het antwoord had me duizelig gemaakt van de mogelijkheden. Het voelde spannend, verboden, maar het zaadje was geplant. In kleine stapjes was ik begonnen. Eerst had ik een een eenvoudig zilveren ringetje gekocht. Niet te duur, want ik moest het betalen van het eetgeld wat ik van vader kreeg. Daarna een sjaal die net iets feller gekleurd was dan mijn moeder zou goedkeuren. Er lag nu zelfs een mascara in mijn bureaula. Ik had het een keer geprobeerd, maar mijn eigen spiegelbeeld had me zo vreemd en indringend aangestaard dat ik het er direct weer had afgepoetst. Dat voelde nog te onwennig, als een masker dat niet paste.

De echte doorbraak kwam toen Esther me meenam de stad in. We hadden een paar gewone winkels bezocht, maar uiteindelijk waren we een tweedehands winkeltje ingedoken dat rook naar oude boeken en wierook. Daar had ik ze zien staan. Dr. Martens. Zwart leer, grof, met gele stiksels. Ik had zoiets nog nooit gezien, maar ik was op slag verliefd. Ze waren lomp en stoer en alles wat ik niet was, en daarom moest ik ze hebben.
Nu, op deze maandagochtend, was die onzekerheid weg. De rok ging uit en werd zorgvuldig op een hanger gehangen, ver weg in de kast. Klaar om vrijdag weer gedragen te worden. De blouse volgde. Ik stond even in mijn ondergoed voor de passpiegel en bekeek mijn lichaam. Thuis was mijn lijf iets functioneels dat bedekt moest worden om geen aanstoot te geven. Hier in het zachte ochtendlicht van mijn kamer zag ik rondingen. Ik zag heupen en borsten en een taille. Ik voelde een vreemde tinteling in mijn buik opkomen, een mix van schaamte en trots.

Ik trok mijn nieuwe spijkerbroek aan. De stof was stug en ruw maar de manier waarop hij strak om mijn billen en bovenbenen zat voelde als een omhelzing. Daarna volgde een truitje met een V-hals. Niet te diep maar net genoeg om de zachte huid van mijn hals te tonen. Ik deed mijn Dr. Martens aan en stampte even op de houten vloer. Het zware, solide gevoel aan mijn voeten gaf me kracht. Tot slot pakte ik het doosje uit mijn bureaula. Ringen. Zilver met kleine steentjes. En een lange ketting met een maansteen die ik op de markt had gekocht. Ik deed ze om. Het kruisje bleef hangen, rustend in het kuiltje van mijn hals, nu geflankeerd door de nieuwe sieraden. Ik keek weer in de spiegel. Het meisje uit Broekdal was weg. Dit was Anna de student.

Beneden in de keuken zaten Esther en Lydia thee te drinken. De geur van dennennaalden kwam me tegemoet. In de hoek van de woonkamer stond hij: een kerstboom. Esther en Maria hadden hem vorige week naar binnen gesleept. Ik keek er even naar. Thuis in Broekdal kwam er geen boom in huis.
“Een heidens gebruik,” noemde vader dat altijd, met een afkeurende frons richting de etalages in het dorp. “Het leidt af van het Kind.” Hier stonden we er giechelend ballen in te hangen, en hoewel ik me de eerste keer schuldig voelde bij het zien van de glimmende ornamenten, vond ik het stiekem prachtig. Het voelde als een klein verzet, net als mijn kleding.
“Je ziet er goed uit An,” zei Esther met een knipoog, waardoor ik uit mijn gedachten schrok. “Klaar voor vanavond?”
Ik voelde een knoop in mijn maag. Vanavond was het kerstdiner. Niet het sobere diner met familie na de kerkdienst, maar een diner met het mannenhuis van verderop. Jongens. Een kerstdiner met meerdere gangen. En wijn. Geen toezicht. Als vader dit zou weten… de gedachte alleen al deed mijn hartslag versnellen. Hij zou het niet alleen afkeuren, hij zou het zien als heiligschennis. Advent was een tijd van inkeer, niet van feesten met jongens.

“Ik denk het wel,” zei ik terwijl ik mijn handen om een warme mok vouwde om het trillen te verbergen. “Wie komen er eigenlijk allemaal?”
“Nou die luidruchtige Simon natuurlijk,” zei Lydia, terwijl ze een hap van haar beschuit nam. “En Mark. En Ruben.”
Bij de naam Ruben voelde ik een lichte blos op mijn wangen en ik boog mijn hoofd iets zodat mijn haar het verborg. Ruben was anders. Hij studeerde theologie, net als veel jongens uit onze kring die predikant wilden worden. Je zou verwachten dat hij net zo streng was als de mannen thuis, maar hij had geen oordelende blik. Vorige week, toen ik hem tegenkwam in de bieb, had hij naar me gelachen. Een verlegen en onderzoekende lach die me even van mijn stuk had gebracht. Hij leek net als ik op zoek naar iets, al wist ik nog niet wat.

De avond viel vroeg. Onze huiskamer was omgetoverd tot een sfeervol restaurant. De goedkope tl-balken waren uit en overal brandden kaarsen. De tafel was gedekt met een bijeengeraapt servies maar met de servetten en de takken hulst zag het er feestelijk uit. Toen de bel ging giechelden Esther en Maria als schoolmeisjes. Ik stond achterin de gang en probeerde mijn zenuwen onder controle te houden. Dit was verboden terrein. Alles in mijn opvoeding schreeuwde dat dit niet mocht. Maar de herinnering aan mijn moeders opstandige slokje gaf me moed.

De jongens kwamen binnen met flessen wijn en de geur van koude buitenlucht. Ruben was als laatste. Hij droeg een donkerblauw overhemd dat zijn ogen helderder maakte. Toen hij me zag hield hij even in. Zijn blik gleed van mijn gezicht naar mijn truitje en weer terug. Het was geen keurende blik zoals die van mijn vader. Het was een blik van bewondering.
“Hoi Anna,” zei hij zacht.
“Hoi Ruben,” antwoordde ik bijna fluisterend.
Aan tafel zat ik naast hem. Het was toeval of misschien had Esther het zo geregeld. De eerste gang was een pompoensoep en de wijn vloeide rijkelijk. Ik had nog nooit wijn gedronken in het openbaar. Thuis was alcohol taboe, behalve die ene keer dat ik per ongeluk een slokje van vaders advocaat had genomen toen ik klein was. Ruben schonk mijn glas vol.

“Proost,” zei hij en hij hield zijn glas tegen het mijne. Het heldere ping-geluid klonk feestelijk. Ik nam een slok. De wijn was zuur en droog maar liet een warme gloed achter in mijn keel die zich langzaam naar mijn maag verspreidde. Het gesprek aan tafel was levendig. We praatten over studies en over docenten en over het geloof. Ruben sprak bedachtzaam. Hij had humor merkte ik. Hij vertelde over een dogmatiekcollege waar de docent bijna in slaap was gevallen. Ik lachte vrijer dan ik ooit thuis had gedaan. De wijn maakte mijn hoofd licht en mijn ledematen zwaar en ontspannen.

Bij het hoofdgerecht, een stoofpotje dat Maria had gemaakt, gebeurde het. Ruben verplaatste zich iets op zijn stoel. Hij legde zijn arm over de rugleuning van mijn stoel. Het leek een nonchalante houding alsof hij gewoon wat ruimte zocht. Maar ik wist beter. Ik voelde de warmte van zijn arm door de dunne stof van mijn truitje heen. Zijn hand hing vlak bij mijn schouder net niet tegen mijn huid aan. Het was een claim. Een voorzichtige en nerveuze claim. Ik durfde me nauwelijks te bewegen. Elke keer als ik naar voren leunde om mijn glas te pakken streek mijn rug langs zijn arm. De aanraking stuurde schokjes door mijn ruggengraat. Het was elektrisch. Ik keek opzij en zag dat Ruben strak naar zijn bord staarde terwijl zijn oren rood kleurden. Hij vond dit waarschijnlijk net zo spannend als ik. De warmte in mijn onderbuik die ik eerder aan de wijn had toegeschreven veranderde. Het werd een zeurend en bonzend gevoel. Ik dacht aan hoe mijn spijkerbroek nu aanvoelde, strak en wrijvend bij elke beweging. Ik had nog nooit een jongen zo dichtbij gehad. De jongens in Broekdal gaven je op zondag een hand en dat was het. Dit was intimiteit. Dit was spanning.

Na het toetje, een ijsbombe met cake en Maltesers, ontstond er een rommelige sfeer van opruimen en uitbuiken.
“Ik… ik doe de afwas wel,” zei ik snel omdat ik blij was dat ik even kon ontsnappen aan de intense nabijheid aan tafel.
“Ik help je wel,” zei Ruben direct. Hij stond op en misschien iets te snel waardoor zijn stoel naar achteren schraapte.

De keuken was smal en stond vol met vuile borden en pannen. Het was er warm en vochtig door de damp van de oude vaatwasser die al stond te draaien. Ik begon glazen te spoelen bij de kraan. Ruben pakte een theedoek en ging naast me staan. We werkten in stilte. Ik had geen idee wat ik moest zeggen. Thuis deed moeder altijd de afwas met een van de kinderen. Vader had ik nog nooit iets in de keuken zien doen. De enige geluiden waren het kletteren van water en het gedempte gelach uit de woonkamer. Maar de stilte tussen ons was niet leeg. Hij was gevuld met alles wat er aan tafel niet gezegd was.

Ik gaf hem een afgewassen wijnglas aan. Onze vingers raakten elkaar. Nat en warm. We trokken onze handen niet terug. Ruben keek me aan. Zijn ogen waren donker in het schemerige licht van de keuken. Hij zette het glas langzaam op het aanrecht zonder mijn blik los te laten.
“Anna,” zei hij. Zijn stem was schor. Ik draaide me naar hem toe. De ruimte tussen ons was miniem. Ik rook de geur van de wijn die hij gedronken had vermengd met de zeepachtige geur van het afwaswater en iets anders, iets mannelijks en warms. Ruben deed een stap dichterbij. De vochtige theedoek nog in zijn hand. Hij was onhandig en aarzelend. Hij wist duidelijk ook niet wat hij deed wat het moment juist nog spannender maakte. Hij legde zijn handen op mijn heupen. Zijn duimen wreven zachtjes over de ruwe stof van mijn spijkerbroek. Mijn adem stokte in mijn keel.
“Mag ik…” begon hij maar hij maakte zijn zin niet af.

Hij boog voorover en drukte zijn lippen op de mijne. Het was geen filmkus zoals ik twee weken geleden zag tijdens ons huisavondje. Het was nat en een beetje onbeholpen en onze neuzen botsten zachtjes tegen elkaar. Maar voor mij was het alsof de bliksem insloeg. Zijn lippen waren zacht en proefden naar rode wijn en zoete toetjes. Ik deed mijn ogen dicht en greep instinctief zijn schouders vast. De afwasborstel glipte uit mijn hand en viel op de grond. De stof van zijn overhemd voelde glad onder mijn vingers.

Ruben werd moediger. Hij trok me steviger tegen zich aan. Ik voelde zijn lichaam tegen het mijne botsen. Mijn borsten tegen zijn borst en heup tegen heup. En toen voelde ik het. Iets hards dat tegen mijn onderbuik drukte. Een stevige bult in zijn broek die tegen mijn zachte rondingen aan duwde. Ik schrok even en mijn ogen vlogen open. Ik wist wat dit was van de biologielessen op school hoe beperkt die ook waren. Maar om het te voelen zo direct en zo onmiskenbaar tegen me aan… het was angstaanjagend en fascinerend tegelijk. Ruben kreunde zachtjes tegen mijn mond. Hij bewoog zijn heupen een fractie maar, een onwillekeurige reactie van zijn lichaam. Hij wreef die hardheid tegen me aan. Een golf van hitte spoelde door me heen, recht naar de plek tussen mijn benen die begon te tintelen. Het was een reactie die ik niet kon controleren, een verraad van mijn eigen lijf aan alles wat ik geleerd had. Maar het voelde zo goed. Zo ontzettend goed. Ik drukte me terug tegen hem aan, een kleine en haast onmerkbare beweging van mijn bekken. Ruben reageerde direct, zijn greep op mijn heupen werd steviger en zijn vingers groeven zich in mijn vlees. We stonden daar hijgend en verstrengeld in een onhandige omhelzing tussen de vuile vaat terwijl onze lichamen een taal spraken die we nog nooit geleerd hadden.

Plotseling klonk er luid gelach vanuit de gang. Iemand kwam onze kant op. We sprongen uit elkaar alsof we verbrand waren. Ruben greep naar de theedoek en begon verwoed een droog bord nog droger te wrijven. Ik griste de afwasborstel van de grond en draaide me snel om naar de kraan. Ik zette hem vol open in de hoop dat het ruisen van het water mijn bonzende hartslag en mijn roodgloeiende wangen zou verbergen. Esther stak haar hoofd om de hoek.
“Hey hebben jullie nog wijn nodig daar? Het duurt wel lang hoor!” Ze keek van mij naar Ruben en haar ogen vernauwden zich even, een ondeugende glinstering verscheen. “Of is het heel gezellig?”
“Het is… veel afwas,” stamelde Ruben met een stem die een octaaf hoger klonk dan normaal.

De rest van de avond ging in een roes voorbij. Ik durfde Ruben nauwelijks meer aan te kijken, bang dat iedereen kon zien wat er in de keuken was gebeurd. Bang dat ze aan me konden zien hoe mijn lichaam nog steeds probeerde te begrijpen wat het gevoeld had, hoe mijn lippen nog steeds brandden van zijn kus en hoe ik nog steeds de druk van zijn opwinding tegen mijn buik voelde. Toen de jongens vertrokken gaf Ruben me bij de deur geen hand. Hij keek me aan, indringend en serieus.
“Tot snel Anna,” zei hij zacht.
“Tot snel,” fluisterde ik vrijwel onhoorbaar terug.

Later die nacht lag ik in mijn smalle eenpersoonsbed. De straatlantaarn wierp oranje strepen op mijn plafond. Ik had mijn pyjama aan maar onder de dekens voelde ik mijn lichaam nog steeds gloeien. Ik dacht aan thuis. Aan mijn vader die nu waarschijnlijk sliep, onwetend van de dochter die hij dacht te kennen. Ik dacht aan mijn moeder en haar stiekeme slokjes. Ik voelde me schuldig. Natuurlijk voelde ik dat. De stem van de dominee echode ergens achter in mijn hoofd en waarschuwde voor de lusten van het vlees. Maar het schuldgevoel was niet meer allesoverheersend. Het werd overschaduwd door iets anders. Verwondering. Ik bracht mijn hand langzaam naar mijn lippen en raakte ze aan. Daarna gleed mijn hand naar beneden, over mijn hals en langs het zilveren kruisje dat daar nog steeds hing, naar mijn borst en verder naar mijn buik. Ik stopte daar en durfde niet verder te gaan, nog niet. Ik was niet alleen de dochter van mijn vader. Ik was Anna. En ik had zojuist ontdekt dat ik een vrouw was die kon voelen. En ik kon niet wachten om te ontdekken wat dat nog meer betekende.

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Gemini

Hoi! Fijn dat je een kijkje neemt bij mijn verhalen. Ik schrijf graag over de complexe kanten van liefde en connectie. Laat me vooral weten wat je ervan vindt! Liefs.

PS: Wil je persoonlijke feedback geven, me een berichtje sturen of heb je een verzoek voor een verhaal? Mail dan naar pixpoxy12@gmail.com.

Dit verhaal is 2086 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

3 gedachten over “Onder het kruisje (deel 1)”

  1. Hoi,

    Dank dat je mijn verhaal hebt gelezen en je de moeite neemt om door de reacties te scrollen. Dit verhaal is een beetje anders dan anders. Er liggen al twee delen te wachten op publicatie. Is dit verhaal herkenbaar? Wil je meer verhalen in dit genre? Laat het me weten.

    Groetjes!

    Gemini

    Beantwoorden

Laat een antwoord achter aan Gemini Reactie annuleren