Onder het kruisje (deel 2)

Een week na het kerstdiner in ons studentenhuis liep ik door de ontmoetingsruimte, de Agora. Dit was het kloppende hart van de Viaa, de plek waar iedereen samenkwam voor koffie, studie en ontmoeting. Het geroezemoes van honderden studenten vulde de ruimte, een geluid dat zo anders was dan de stilte van thuis. Ik liep met mijn boeken tegen mijn borst geklemd langs de tafeltjes. Mijn blik zocht, bijna onbewust, naar dat ene donkerblauwe overhemd wat hij altijd droeg. En toen zag ik hem. Ruben zat bij het raam, een papieren koffiebeker voor zich, verdiept in een dik theologieboek.

Ik aarzelde even. Sinds die avond, die flits van hitte in de keuken, hadden we elkaar wel gezien in de gangen, maar niet echt gesproken. De herinnering aan zijn kus zorgde nog steeds voor een onrustig gefladder in mijn maag. Hij keek op, alsof hij voelde dat ik naar hem keek. Een glimlach brak door op zijn gezicht en hij wenkte me. Ik liep naar hem toe en ging tegenover hem zitten, op veilige afstand, met de tafel als een barrière tussen ons.
“Hoi Anna,” zei hij zacht.
“Hoi Ruben.” We zwegen even, maar het was geen ongemakkelijke stilte. Het was alsof we beiden zochten naar woorden voor wat er tussen ons hing.
“Ik heb er vaak aan gedacht,” begon hij, bijna fluisterend, zodat de studenten aan de tafel naast ons het niet konden horen. Hij draaide zenuwachtig aan zijn koffiebeker. “Aan die avond. Het was… fijn. Maar ook spannend. Ik heb er ’s nachts wakker van gelegen.” Ik knikte, mijn wangen voelden warm.
“Ik ook,” gaf ik toe. “Ik heb er zelfs over gefantaseerd, al voelde ik me daarna meteen schuldig. Het voelde zo… groot.”
“Ik was super nerveus,” bekende hij met een scheve grijns. “Ik ben niet zo ervaren als ik misschien deed voorkomen.” Zijn eerlijkheid ontwapende me. De spanning die ik voelde was een vreemde mix van schaamte en verlangen. Ik wist dat we op een grens balanceerden, maar ik wilde niet terug. Onze vingers raakten elkaar heel even aan op het kille tafelblad, een vluchtig contact dat meer zei dan woorden.
“Zullen we…” ik zocht naar de juiste woorden, “zullen we elkaar vaker zien? Misschien een keer wandelen na de les? Of samen studeren?” Ruben’s ogen lichtten op.
“Heel graag. Maar we moeten wel voorzichtig zijn, An. Met wat we doen. Je weet hoe er over gepraat wordt.”
Ik raakte onbewust het kruisje om mijn nek aan, mijn vaste anker.
“Ik weet het,” zei ik zacht. “We doen niets verkeerds. Gewoon… samen zijn.”
“Precies,” zei hij. “Zullen we afspreken voor na de kring vanavond?”
“Ja graag.”

Die avond op de kring was het moeilijk om me te concentreren. We zaten in een kringetje in de huiskamer van een studentenhuis verderop, de gordijnen dicht, een paar kaarsen aan. Iemand had een gitaar meegenomen en we zongen ‘Houd mij dicht bij U’. Terwijl de stemmen om me heen klonken, keek ik stiekem naar Ruben door mijn oogharen. Hij zong met zijn ogen dicht, maar ik vroeg me af of hij, net als ik, meer bezig was met degene tegenover hem dan met de tekst.
Tijdens de bijbelstudie ging het over “het lichaam als tempel”. De discussieleider, een serieuze jongen uit het derde jaar, stelde de vraag: “Hoe houden jullie grenzen in relaties zuiver? Hoe weersta je de verleiding?” Ik voelde hoe het bloed naar mijn gezicht steeg en boog mijn hoofd diep over mijn bijbel, bang dat iedereen de schuld op mijn voorhoofd kon lezen. Ik durfde Ruben niet aan te kijken.
Toen we na afloop onze jassen pakten en samen naar buiten liepen, de koele nachtlucht in, stootte Ruben zachtjes tegen mijn schouder aan.
“Dat ging over ons, hè?” fluisterde hij. Ik knikte, gegeneerd maar tegelijkertijd voelde ik een golf van opwinding door me heen gaan. Het feit dat we iets deden waarvoor gewaarschuwd werd, maakte het alleen maar spannender.

De maanden die volgden vlogen voorbij. De winterjas maakte plaats voor mijn spijkerjasje en de bomen langs de grachten van Zwolle stonden in volle bloei. Ruben en ik ‘gingen met elkaar’, zoals Esther het met een veelbetekenende knipoog noemde. Op de Viaa en in onze studentenhuizen was het geen geheim meer.

Op een middag in april liepen we door Park de Wezenlanden. De lente hing zwaar in de lucht. De bomen waren getooid met dat bijna lichtgevende groen van jonge blaadjes en overal om ons heen hoorde je het drukke gekwetter van vogels die nesten bouwden. We hadden onze jassen nog aan, want hoewel de zon scheen, was de wind nog fris.
We liepen zwijgend naast elkaar, onze handen die af en toe tegen elkaar aan botsten bij het lopen, een elektrisch soort contact dat meer zei dan woorden. We zochten, zonder het hardop te zeggen, naar een plekje waar we alleen konden zijn. Ver weg van de studenten die op de grasvelden frisbeeden en de moeders met kinderwagens op de brede paden.

Uiteindelijk vonden we een oud, houten bankje, half verscholen achter een dichte haag van rododendrons die op uitbarsten stonden.
We gingen zitten. Ruben sloeg zijn arm om me heen en trok me tegen zich aan. Ik legde mijn hoofd op zijn schouder en snoof zijn geur op.
Hij draaide zijn gezicht naar me toe. Zijn ogen zochten de mijne, donker en vragend. Toen hij me kuste, sloot ik mijn ogen. De wereld om ons heen, het geluid van de stad, de wind in de takken, vervaagde tot ruis. Er was alleen nog de zachtheid van zijn lippen en de warmte van zijn lichaam tegen mijn zij.

Terwijl we zoenden, voelde ik zijn hand bewegen. Hij streelde eerst over de ruwe stof van mijn spijkerjasje, over mijn ribben, omlaag naar mijn taille. Zijn aanraking werd anders. Zijn hand gleed onder de rand van mijn jasje en vond de stof van mijn truitje. Ik voelde de warmte van zijn vlakke hand op mijn onderrug. Het was heerlijk, een geborgen gevoel dat me deed duizelen.
Maar toen gleden zijn vingers lager. Ze zochten de rand van mijn spijkerbroek, en ik voelde hoe zijn duim heel voorzichtig onder de tailleband wilde glijden, richting de blote huid van mijn stuitje.
Mijn adem stokte. In een flits zag ik de strenge blik van mijn vader voor me, hoorde ik de waarschuwingen uit de preek. ‘Tot hier en niet verder.’ Mijn lichaam verstijfde in zijn armen.

Ik trok me zachtjes terug en verbrak de kus. Ik keek naar beneden, naar mijn handen die ik in mijn schoot vouwde om het trillen te verbergen.
“Nog niet…” fluisterde ik, mijn stem hees. Ik durfde hem even niet aan te kijken. “Dat vind ik nog te spannend. Het gaat te snel.”
Ik was bang. Bang dat hij boos zou worden, bang dat hij me kinderachtig zou vinden, of erger nog, dat hij me zou verlaten voor een meisje dat niet zo moeilijk deed.
Maar Ruben zuchtte niet. Hij trok zijn hand terug, langzaam en zonder frustratie. Hij legde een vinger onder mijn kin en dwong me vriendelijk om hem aan te kijken. Zijn ogen stonden zacht.
Hij boog voorover en drukte een kus op mijn voorhoofd, precies op de plek waar mijn zorgen altijd rimpelden.
“Sorry,” zei hij zacht. “We hebben de tijd, Anna. We hoeven ons niet te haasten.”
Ik leunde weer tegen hem aan, de spanning vloeide uit mijn schouders. Terwijl we daar zaten, luisterend naar een merel in de struiken, dacht ik na over wat hij zei. Hij respecteerde mijn grens, zonder vragen.
Zijn geduld maakte het verlangen alleen maar groter, besefte ik. Juist omdat hij niet duwde, durfde ik meer te voelen. Het maakte het veiliger om bij hem te zijn, en in die veiligheid begon mijn eigen nieuwsgierigheid, heel voorzichtig, weer te groeien.

Aan het ontbijt in mijn studentenhuis was ik echter vogelvrij.
“Jij straalt helemaal, An,” zei Esther op een ochtend in mei, terwijl ze haar brood smeerde. “Was het gisteravond weer gezellig met Ruben?” Maria giechelde en leunde over de tafel. “Hebben jullie al… je weet wel, verder stappen gezet?” Ik lachte het weg, mijn gezicht warm.
“Doe niet zo flauw, we doen rustig aan.” Lydia, die tot dan toe stil was geweest, keek me serieus aan over de rand van haar theemok.
“Pas wel op, An. Jij bent de enige die thuis nog niks durft te vertellen, hè? Mijn zus is er bijna uitgezet thuis omdat ze een vriend had die niet gedoopt was. Onderschat het niet.” Haar woorden kwamen binnen als een koude douche. Ze had gelijk. Ik leefde in twee werelden, en de kloof werd steeds groter.
Dat voelde ik het sterkst tijdens de weekenden in Broekdal. Die zondag zat ik weer in de kerk, ingeklemd tussen mijn broers. De banken waren hard, de lucht rook naar pepermunt en oude wol. De dominee preekte met stemverheffing over zuiverheid bewaren voor het huwelijk, over het lichaam dat niet van onszelf is. Elke zin voelde als een aanklacht. Ik dacht aan Rubens handen op mijn rug, aan de warmte van zijn lijf, en voelde de schuld als een steen in mijn maag.
Aan de middagtafel, terwijl we in stilte de soep aten, keek vader me plotseling aan.
“Je lijkt afwezig, Anna,” zei hij, zijn stem zwaar. “Je dwaalt toch niet af daar in de stad?” Ik schrok op en klemde mijn lepel vast.
“Nee vader, ik ben gewoon moe van de studie.” Ik mompelde het, mijn blik op mijn bord gericht. Toen ik opkeek, zag ik moeder naar me kijken. Ze zei niets, maar in haar ogen zag ik diezelfde flits die ik eerder had gezien. Ze wist het. Of ze voelde het. De spanning in huis was om te snijden, en ik verlangde wanhopig naar de trein van maandagochtend.

Terug in Zwolle zochten Ruben en ik de grenzen weer op. Het verlangen was sterker dan de preken van zondag.

Het was een dinsdagavond in mei. We waren net terug van de kring. De avond was gevuld geweest met discussie, maar mijn hoofd was er niet bij geweest. We waren stilletjes naar mijn studentenhuis gelopen. Esther en Lydia hadden een studieavond op de hogeschool en Maria was naar haar ouders, dus het huis was stil en donker.

We gingen naar mijn kamer. Het was er klein, maar het was mijn eigen plek. We zaten op mijn eenpersoonsbed. Ruben zat bij het voeteneind, zijn rug tegen de muur. Ik zat halverwege, met mijn benen opgetrokken. Een veilige afstand. Op mijn bureau stond mijn laptop open. Netflix of een andere dienst kon ik niet nemen. Dat zou vader aan mijn rekeningafschriften zien, dus keken we via YouTube naar een film. Iets onschuldigs, een romantische komedie waar we niet te veel bij na hoefden te denken.
De sfeer was anders dan anders. Intiemer. De stilte van het huis sloot ons in. We hadden al gezoend bij binnenkomst. Zijn hand had even op mijn been gerust, maar nu zaten we te kijken zoals het hoort.

“Ik heb dorst,” zei ik na een tijdje. “Ik haal even wat drinken.” Ik liep naar beneden en kwam terug met twee glazen cola. Toen ik de kamer weer binnenkwam, keek Ruben me aan met een blik die mijn hartslag deed versnellen. Ik zette de glazen op mijn nachtkastje en wilde weer gaan zitten om de film te starten.
“Wacht even,” zei hij zacht. “Wil je me zoenen?” Ik knikte en kroop naar hem toe. De veilige afstand verdween. Ik drukte mijn lippen op de zijne. De zoen was lang en zacht, veel rustiger dan die haastige keer in de keuken, maar daardoor juist intenser. Ik voelde zijn ademhaling versnellen. Toen we loslieten, keken we elkaar aan in het blauwige licht van het laptopscherm.
“Mag ik…” begon hij fluisterend, zijn stem trilde een beetje.
“Mag ik mijn broek openmaken?” Ik voelde het bloed naar mijn wangen stijgen. Dit was een nieuwe grens. Een grens waar we nog niet eerder overheen waren gestapt. Mijn hart bonkte in mijn keel, maar ik knikte. Ik ging dicht tegen hem aan zitten, mijn zij tegen de zijne.
“Laten we onder de dekens gaan,” fluisterde ik. “Voor de zekerheid.” Het was een kinderlijke gedachte, als je het niet ziet, is het er niet, of is het minder erg, maar het gaf me een gevoel van beschutting. We trokken het dekbed over ons heen, zodat we in een kleine, donkere cocon zaten. Ik hoorde het geluid van stof die verschoof en de klik van een knoop die lossprong. De rits volgde met een zacht, ritselend geluid.
“Geef me je hand,” fluisterde hij. Hij pakte mijn hand in het donker en leidde hem naar zich toe. Ik voelde de warmte van zijn huid, de stugge haartjes en daaronder iets hards en warms. Ik slikte. Het was zo anders dan ik me had voorgesteld. Hij legde mijn vingers om zich heen. Ik begon langzaam te bewegen, onzeker en voorzichtig.
“Doe ik het goed?” fluisterde ik nauwelijks hoorbaar.
“Ja… ja, heel goed,” hijgde hij zachtjes. Ik vond het enorm spannend. Niet erotisch spannend zoals ik in films had gezien, maar spannend omdat het zo verboden voelde. Mijn hand deed iets wat in geen enkel boekje stond dat ik ooit van mijn moeder had gekregen. Ik voelde hem groter worden onder mijn aanraking. Het duurde niet lang. Plotseling verstijfde hij. Ik voelde een warme golf over mijn hand stromen, plakkerig en onverwacht. Ik schrok er van. Hij trok zich snel terug en ik wist niet wat ik met mijn plakkerige hand moest doen. Het was onwennig. In het halfdonker zocht ik naar iets om mijn hand aan af te vegen en vond uiteindelijk de rand van mijn matrashoes. Het was niet romantisch, maar het was echt.

Het bleef even stil onder de deken. Ik wist niet wat ik moest zeggen of doen. Toen voelde ik zijn hand op mijn been.
“Mag ik jou aanraken?” vroeg hij zacht. Ik twijfelde even, maar de nieuwsgierigheid won het van de schaamte. Ik knikte in het donker en duwde mijn broek een klein stukje omlaag, net genoeg. Hij begreep het. Zijn vingers vonden me. Hij streek zachtjes over de buitenkant, langs de randjes van mijn slip en speelde met de haartjes die daar zaten.
“Voelt dit goed?” fluisterde hij dicht bij mijn oor.
“Ja,” ademde ik. “Heel goed.”
“Dit mag toch wel,” zei hij, meer als een vraag aan zichzelf dan aan mij.
“Zolang we niet… je weet wel? Zolang we niet echt seks hebben.”
“Ja,” zei ik snel, dankbaar voor de rationalisatie. “Dan is het niet echt.”

Ik voelde me opgewonden, een gevoel dat me overspoelde ondanks het schuldgevoel. Ik voelde hoe mijn lijf veranderde. Ik voelde hoe de haartjes op mijn armen gestreeld werden door de stof van de deken. Mijn borsten voelden zwaar en vol, mijn tepels schuurden gevoelig tegen de stof van mijn truitje. Beneden, daar waar zijn vingers speelden, voelde ik me nat worden, een vochtigheid die ik niet kon tegenhouden. Hij bleef strelen, zacht en ritmisch. Ik had mijzelf nog nooit zo aangeraakt. Bang dat iemand het zou ontdekken. Bang dat ik iets verkeerd zou doen.
Ik kwam niet klaar, ik wist niet eens zeker of ik wist hoe dat moest, maar het gevoel was intens. Het was een tinteling die door mijn hele bekken trok, anders dan alles wat ik ooit had verwacht. Na een tijdje werd het me te veel. De spanning, de angst om betrapt te worden, de intensiteit. Ik legde mijn hand op de zijne en trok hem liefdevol maar beslist weg.
“Het is goed zo,” fluisterde ik.
We kropen weer omhoog, totdat onze hoofden boven de deken uitkwamen. We fatsoeneerden onze kleding in stilte.
“Dat was… fijn,” zei hij zacht, terwijl hij me aankeek. Zijn ogen stonden donker en groot.
“Ja,” zei ik. “Maar Ruben…. laten we beloven dit aan niemand te vertellen. Echt niemand.”
“Natuurlijk. Beloofd,” zei hij ernstig.
Ik pakte de afstandsbediening en zette de film weer aan. We bleven onder de deken zitten, maar nu met onze handen keurig erbovenop, zichtbaar in het licht van het scherm. Ik legde mijn hoofd tegen zijn schouder aan en hij sloeg zijn arm om me heen.

Terwijl de film verder speelde en de acteurs lachten en huilden, dwaalden mijn gedachten af. Ik voelde me vreemd. Er was dat knagende schuldgevoel, wat als God dit toch zag? Maar er was ook verwondering. Mijn lichaam kon dit voelen. Ik was hiertoe in staat. Onopvallend bracht ik mijn hand naar mijn hals en omklemde het zilveren kruisje. Het voelde koel tegen mijn huid. We waren gestopt. We waren niet te ver gegaan. Toch?

Toen Ruben later die avond vertrokken was, lag ik alleen in mijn bed. Het huis was stil, op het verre geluid van een sirene in de stad na. Ik staarde naar het plafond waar de straatlantaarn oranje strepen op wierp, maar mijn blik werd steeds weer omlaag getrokken. Naar de rand van mijn matras.
Daar zat het. Op de plaats waar ik mijn hand had afgeveegd. Een kleine, donkere plek op het lichte katoen van mijn hoeslaken. Ik streek er voorzichtig met mijn vingertoppen overheen. Het was al opgedroogd, maar het bewijs was onmiskenbaar. Een schandvlek, zou de dominee het noemen. Een fysiek teken van onreinheid, van lust die niet binnen het huwelijk was getemd. Ik wist dat ik het laken morgenochtend meteen zou wassen, heet, om elk spoor uit te wissen voordat een van mijn huisgenoten het zou zien. Maar terwijl ik ernaar keek, voelde ik niet alleen de verwachte schaamte. Er borrelde ook iets anders. Die vlek was ook een herinnering. Een stille getuige van de warmte van Rubens huid, van zijn stokkende adem en van het moment dat we, heel even, onze eigen regels hadden gemaakt. Het was vies en mooi tegelijk.

Ik dacht aan de waarschuwing van Lydia, aan de priemende blik van mijn moeder tijdens het zondagse soep eten, en aan hoe Ruben mijn hand had vastgehouden. Hoe lang kon ik dit nog gescheiden houden? Moest ik dit gescheiden houden?

Ik trok de dekens hoog op tot aan mijn kin, luisterend naar de geluiden van de stad, en vroeg me af of er ooit een moment zou komen dat ik niet meer hoefde te liegen.

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Gemini

Hoi! Fijn dat je een kijkje neemt bij mijn verhalen. Ik schrijf graag over de complexe kanten van liefde en connectie. Laat me vooral weten wat je ervan vindt! Liefs.

PS: Wil je persoonlijke feedback geven, me een berichtje sturen of heb je een verzoek voor een verhaal? Mail dan naar pixpoxy12@gmail.com.

Dit verhaal is 1653 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

3 gedachten over “Onder het kruisje (deel 2)”

  1. Prachtig. De ene keer gaat het over een hoer, de andere keer over een gelovig, kuis meisje. En elke keer weer hang ik aan je lippen. Goed hoor !

    Beantwoorden
  2. Ik vind het vervolg op deel 1 ook weer heel mooi. Liefdevol en integer. Ik hoop dat ze liefdevol bij elkaar blijven en op een gegeven moment ongeremd mogen genieten.
    Ik zou ook willen weten hoe het thuisfront reageert als deze relatie bekend wordt.

    Beantwoorden

Laat een antwoord achter aan Antoon Reactie annuleren