De klok in de hoek van mijn scherm gaf half zeven aan, maar dat wist mijn lichaam allang. Mijn nek zat vast, mijn rug was een plank en in mijn hoofd krioelde het nog na van de dag. Inspraakreacties die elkaar tegenspraken. Een beleidsnota die maar niet slank wilde worden. En morgenochtend om negen uur het college van burgemeester en wethouders, dat wilde horen waarom het Groene Lint meer was dan een dure sliert struiken.
Buiten hulde de schemering de ramen van het gemeentehuis in melkachtig grijs. De vleugel van Ruimtelijke Ordening lag er verlaten bij, op mij na. Het enige gezelschap was het lage brommen van de airconditioning en het gepiep van mijn bureaustoel telkens als ik ademhaalde, zo leek het wel.
Ik staarde naar de milieuanalyse op mijn scherm. De cijfers over CO2 reductie klopten niet helemaal. Dat wist ik. De nieuwe data van Den Haag ontbraken en die had Simone, van Duurzaamheid en Milieu. Zij was al uren geleden weg, met een zieke zoon en een smekende telefoon aan haar oor.
Een steek van herkenning was door me heen gegaan toen ze opnam. Zo klonk ik zelf ook altijd, half excuserend, half in paniek. Dat eeuwige gedeelde leven. De boterhammen voor morgenochtend smeren terwijl er een nota in mijn hoofd zat die anders wilde dan ik. Sterre’s gymtas controleren terwijl ik bedacht of waterberging in de parallelweg wel haalbaar was. Mark vragen of hij morgen vroeg kon zijn, in een toon alsof ik de directie van het gezin vergunde, niet mijn eigen man.
Ik stond op, strekte mijn armen boven mijn hoofd en voelde iets knakken in mijn rug dat niet had moeten knakken. Zo voelde de vermoeidheid. Niet als moe zijn, maar als versnipperd zijn. Als zestien tabbladen die allemaal tegelijk om aandacht schreeuwden.
Net toen ik mijn laptop wilde sluiten, klonk er geluid van de gang. Een zachte stem, daarna het tikken van hakken op linoleum, een ritme dat scherp en toch moe klonk. Alsof de schoenen hun eigen werkdag hadden gehad. Ik keek op. Het was Simone. Haar ene arm klemde een stapel papieren, met de andere beëindigde ze een telefoongesprek. Haar haar, normaal gestrikt in een knot, hing nu warrig los, alsof ze er een keer met haar vingers doorheen had gekamd en daar nooit meer aan was teruggekomen. Haar schouders stonden naar voren gebogen. Ze zag eruit zoals ik me voelde, als een vrouw die het liefst met een glas wijn op de bank was neergeploft en daar nooit meer van af zou komen.
“Lotte? Ben jij er ook nog?”
Haar stem was schor van vermoeidheid, maar er zat een sprankje verbazing in, alsof ze in een leeg zwembad een medezwemmer had gevonden.
“Jij ook? Ik dacht dat je thuis was. Vanwege je zoontje.”
“Hij slaapt eindelijk.”
Ze liet zich op de stoel naast mijn bureau vallen. De stapel papieren landde met een zachte plof op haar schoot. “Mijn moeder is overgekomen. Dus ik dacht, dit kan ik net zo goed hier afmaken, waar toch niemand is om me lastig te vallen.” Ze hief de map op. “De laatste cijfers vanuit Den Haag. Voor het Groene Lint.”
Mijn redding. Een golf van opluchting trok door me heen, zo groot dat mijn schouders er letterlijk een centimeter van zakten.
“Je bent een engel. Ik zat hier echt te verdrinken in die cijfers. Ik dacht dat ik de enige ziel was die nog zwoegde.”
“Nee hoor.”
Ze glimlachte, een kleine vermoeide glimlach, maar haar ogen twinkelden even. “Blijkbaar zijn wij de lone wolves van de gemeente.”
“De uitstervende soort, naar het schijnt. Volgens het jaarverslag werkt iedereen hier hybride en gezond.”
“Vanuit een yogamat in Portugal, vermoedelijk.”
Ik lachte en merkte dat dat bijna pijn deed, alsof de spieren in mijn gezicht het gebaar waren vergeten.
Simone wreef in haar ogen. Haar vingers trilden licht.
“Het is gewoon zoveel, toch? De kinderen, het huishouden, en dan dit monsterproject. Soms voel ik me minder een beleidsmedewerker dan een projectmanager van mijn eigen leven. Alleen zonder projectplan en met een bazige opdrachtgever van drie jaar oud.”
De woorden raakten een plek in me die ik altijd dicht hield. Alsof ze mijn eigen onuitgesproken gedachten had opgevist en op tafel had gelegd, zonder eromheen te lopen.
“Precies dat,” zei ik. “Die mentale last. Ik plan zwemlessen en speelafspraakjes terwijl ik een nota probeer te schrijven. En als het stil is, pieker ik over de wasmachine.”
“Soms wil ik gewoon Simone zijn. Zonder moedermodus.”
“En ik wil Lotte zijn. Zonder todo lijst in mijn achterhoofd.”
We keken elkaar even aan. In haar blik zag ik geen medelijden en geen beleefdheid. Ik zag herkenning, rauw en zonder opsmuk. Ineens voelde ik me gezien. Niet als de moeder van Sterre. Niet als de ambtenaar van Ruimtelijke Ordening. Gewoon als Lotte.
Het was een vreemd, warm gevoel.
“Zeg,” zei ze, en ze trok zichzelf zichtbaar uit de vermoeidheid omhoog, “hoe ver ben jij met die presentatie? Ik zat vanochtend nog te denken aan de participatieparagraaf. We kunnen nog zo’n mooi groen lint plannen, maar als de burgers het niet snappen of niet willen, hebben we over vijf jaar een prachtig document waar de stof vanaf walmt.”
Er ging iets van binnen in me open. Een klein vonkje, misschien. Diep weggestopt onder rapporten en plichten. Dit was waarom ik ooit bij de gemeente was gekomen. Niet om hokjes af te vinken, maar om te puzzelen, om te dromen, om de stad beter te maken.
“Mee eens. Ik heb iets over burgerparticipatie staan, maar het is saai. Te veel jargon. Ik wil dat het college morgen voelt dat dit project leeft. Dat het niet alleen om CO2 gaat, maar om mensen.”
Simone schoof haar stoel dichterbij. Ze boog voorover naar mijn scherm en haar arm raakte even mijn schouder. Haar adem raakte lichtjes mijn nek, warm en rustig. Mijn adem haperde, een kleine schok, onverwacht en zonder aanwijsbare reden. Haar vinger wees naar een regel op het scherm en raakte daarbij per ongeluk mijn hand. Een vluchtige aanraking. Niets. En toch bleef die langer hangen in mijn hoofd dan de cijfers.
“Dit vind ik leuk,” zei ze. “Wat als we concrete voorbeelden toevoegen? In Utrecht hebben ze groene ambassadeurs opgeleid. Bewoners uit de wijken zelf. Dat gaf enorm veel draagvlak.”
“Dat is briljant.”
Mijn handen klapten even in elkaar van enthousiasme, een gebaar dat te groot was voor een vergaderkamer. “Geen stoffige inspraakavonden in een buurthuis vol usual suspects, maar iets laagdrempeligs. Een picknick langs de route van het lint. Een wandeling met koffie.”
“Ja. En kinderen erbij. Mijn Finn zou het geweldig vinden om mee te denken over een insectenhotel. Dat blijft hangen, bij mensen. Bij kinderen en bij collegeleden, want die zijn uiteindelijk ook maar grote kinderen met een griffier.”
Ik schoot in de lach en haar lach mengde zich erin, kort en helder, en veegde voor even de vermoeidheid van haar gezicht. We werkten door, twee uur lang, en het kantoor kromp. De muren verloren hun muffe betonblik, de verlichting boven ons werd minder kil. Onze stemmen werden steeds lichter en levendiger, en op een gegeven moment zaten we allebei voorovergebogen naar het scherm als twee zussen die stiekem iets uithaalden.
“Zeg,” flapte ik eruit, “ik ben blij dat je er vanavond was. Dit voelt als een doorbraak.” Haar glimlach werd zachter.
“Weet je, ik ben ook blij dat jij er was. Ik loop al weken met mijn hoofd in cijfers en vergeet waarom ik dit werk leuk vind. Dit soort gesprekken helpt.”
Ze aarzelde. Haar vingers speelden met de rand van de map. “We kennen elkaar eigenlijk amper, maar dit voelt goed, toch?”
“Ja. Echt wel.”
“We zijn een stelletje weirdo’s, hoor. Wie wordt er nou op dit tijdstip blij van insectenhotels en burgerparticipatie?”
“Weirdo’s met een missie.”
“Bij dezen officieel een duo.”
Toen we klaar waren stonden we op. De gang lag donker en leeg. Bij de lift drukte ze op de knop en keek me aan met die open blik van daarnet.
“Over afspreken gesproken. Ik loop wel eens na werk in het bos aan de rand van de stad, om mijn hoofd leeg te maken. Gewoon een uurtje. Misschien wil je een keer mee?”
Mijn kalender schreeuwde nee. De wasmand schreeuwde nee. Mark zou om zes uur thuis zijn en er was pasta nodig en Sterre had gym op donderdag.
“Graag,” zei ik. “Na werk?”
“Rond zes uur. Dan is het licht mooi en zijn de hardlopers weg.”
De liftdeuren gingen open. Ze stapte in, zwaaide met twee vingers, en was weg. Haar silhouet vervaagde in het schemerlicht van de gang en daarna stond ik alleen bij de lift, met mijn jas over mijn arm, en glimlachte om niets.
Thuis rook het naar tomatensaus en gebakken ui. Mark stond aan het fornuis, grote lepel, dat klassieke tafereel waarin hij de held van de avond was en ik de laatkomer. Sterre zat aan tafel met haar kleurpotloden en een tekening waarop ik een ontploffend huis herkende, of misschien een bloem. Bij Sterre was het verschil een kwestie van stemming.
“Mama!” Ze rende naar me toe. “Ik heb een kasteel getekend. Voor jou. Met een vlag.”
“Voor mij? Dan ga ik erin wonen. Als er een toren is.”
“Er zijn twee torens. En een muur voor de monsterwerpers.”
“Die heb ik hard nodig. Wie is er vandaag geweest?”
Ze ratelde door. Over de meester, een worm op het schoolplein, een jongen genaamd Tijn die de worm had opgegeten volgens de geruchten en dat klopte echt mama, echt waar. Ik knielde naast haar met mijn jas nog aan en liet het lawaai over me heen komen.
Aan tafel vertelde Mark over zijn dag. Een leverancier die had lopen dreigen, een file op de ring, een collega die was bevallen. Ik knikte op de goede momenten en luisterde half, want de andere helft van mij zat nog in de vleugel Ruimtelijke Ordening, bij een vrouw met warrig haar die zei dat ik geen todo lijst was.
“Is er iets?” vroeg hij.
“Nee. Alleen veel geweest vandaag. Het project.”
“Die presentatie van morgen, toch? Komt goed. Komt altijd goed.”
Hij gaf me een kneepje in mijn schouder toen hij langs liep met de schaal. Een lieve kneep. Een gebruikelijke kneep. Ik realiseerde me met een scherp randje dat ik me niet kon herinneren wanneer hij me voor het laatst echt had aangekeken. Niet zomaar naar mij, maar in mij. Waarschijnlijk kon hij zich dat van mij ook niet herinneren. Dat was geen ruzie. Dat was erger op een bepaalde manier. Geen ruzie betekende ook geen woorden.
Toen Sterre sliep en Mark onder de douche stond, deed ik de vaat en keek uit het keukenraam naar onze tuin, twaalf vierkante meter gras en een trampoline die ze te klein begon te vinden.
Om half elf lag ik in bed. Mark sliep al, met zijn rug naar me toe, zijn ademhaling zwaar en regelmatig. De dag zakte langzaam uit mijn ledematen. De presentatie lag klaar, de cijfers klopten, morgen om negen uur zou ik er staan.
En toch bleef ik wakker.
Mijn hoofd wilde niet naar de presentatie. Mijn hoofd wilde naar de avond. Naar het gepiep van mijn stoel en het tikken van hakken op linoleum. Naar een stem die zei, dit voelt goed, toch? Naar die aanraking op mijn hand, die niets was, een vluchtigheid, een toevalligheid van vingers.
Ik dacht aan haar lach. Hoe die eruitzag als hij echt was, kort en helder, de vermoeidheid weggeveegd als een doek over een tafel. Ik dacht aan haar geur, iets vaags met citrus, vermengd met kantoorlucht. Een rare combinatie die me toch niet losliet.
Ik draaide me op mijn rug en staarde naar het plafond. Dit was belachelijk. Ik was zesendertig, moeder, ambtenaar. Ik lag naast mijn slapende man en dacht aan een collega. Een vrouwcollega. Over wie ik niet had nagedacht, niet bewust, niet de hele dag. Echt niet.
Ik probeerde haar beeld weg te duwen en me vast te grijpen aan de vertrouwde contouren van de slaapkamer. Maar mijn gedachten lieten zich niet meer corrigeren. Ze bleven hardnekkig terugkeren naar die paar centimeter afstand op het scherm, de hitte van haar schouder tegen de mijne.
Mijn hand gleed onder de deken, over mijn buik, zachtjes, zonder plan… Mijn huid was gevoelig, warmer dan normaal. De warmte trok naar beneden en waar ik eerst alleen vermoeidheid had gevoeld voelde ik nu iets dat daar veel ouder was dan vermoeidheid.
Ik sloot mijn ogen. Ik dacht niet aan Mark. Dat was het vreemde. Er was geen strijd in me, geen poging om zijn beeld te zoeken. Het beeld kwam vanzelf, en het was zij. Simone, gebogen naar mijn scherm. Simone met haar vinger bij de mijne op het glas. Haar adem op mijn nek, die enkele seconde. De stilte in de lift waarin ze vroeg, misschien wil je een keer mee, alsof ze daarmee iets had geopend waarvan de inhoud nog niemand kende.
Mijn vingers bewogen zacht en zoekend. Geen haast. De spanning bouwde zich op, van ver, en toen dichterbij, en toen was hij er gewoon. Mijn adem ging onregelmatig. Het bed kraakte zachtjes en ik hield even stil, maar Mark sliep door, de rug, de regelmatige adem.
Het gevoel groeide, een volle, warme golf die door me heen trok, mijn buik, mijn binnenste, mijn borst. Gewoon een kamer in mezelf waar ik lang niet was geweest, en waar het licht aanging. Even was er alleen dat. De warmte, het stijgen, het vallen.
Toen het kwam hapte ik naar adem, zacht, bijna zonder geluid, en liet het over me heen komen als iets wat ik niet hoefde te begrijpen. Daarna lag ik stil. Mijn hart bonkte.
En toen kwam de gedachte. Luid en helder, in het donker, naast de slapende man. Ik had niet aan Mark gedacht. Ik had aan haar gedacht. Ik had geen schrik van de warmte. Ik had schrik van de gedachte er direct na, die alles op zijn kop zette. Dit was een aardige avond geweest. Een leuke collega. Insectenhotels. Dus waarom voelde dit als de eerste bladzijde van een boek dat al jaren op me lag te wachten?
Ik draaide me naar de muur. In slaap vallen duurde lang. Maar ergens voor ik in slaap viel merkte ik, aan de rand van alles, dat er iets van de vermoeidheid weg was. Die was versnipperd geweest. Nu was er iets in me dat in één stuk wees, naar een richting, en dat glimlachte om niets.
De volgende ochtend staarde ik in de badkamerspiegel naar mijn eigen gezicht. Onder mijn ogen zaten lichte kringen van te weinig slaap, maar in mijn blik hing een vreemde, onbekende helderheid. Mark liep achter me langs en gaf me in het voorbijgaan een klopje op mijn billen, zich onbewust van het feit dat de vrouw in de spiegel niet meer helemaal dezelfde was als gisteren.
De presentatie ging beter dan ik had durven hopen. Wethouder De Vries fronste, Peter tikte zijn pen, Anja keek op haar telefoon. Maar toen ik het persoonlijke stuk deed, dat Simone en ik hadden voorbereid, over de stad als thuis, over vlinders voor onze kinderen, werd het stiller. De Vries zei uiteindelijk interessant, met de frons van iemand die tegen beter weten in overtuigd wordt, en hij wilde een verdiepende notitie.
Een kier. Geen overwinning. In de ambtelijke wereld is een kier een deur die opengaat als je er lang genoeg beleefd tegenaan leunt.
Op de gang kwam Simone naast me lopen. Haar schouder raakte even de mijne.
“Het persoonlijke stuk. Dat deed het hem,” zei ze zacht. “Dat was jouw zin.”
“Onze zin.”
“Hmm. Misschien.” Ze glimlachte, en toen, alsof het er zo uitviel, “Vanavond dan. Zes uur. Bos, parkeerplaats bij de vuilstort.”
“Die met het bord dat illegaal dumpen wordt beboet?”
“Het enige romantische plekje van de gemeente, inderdaad.”
Ik lachte. Ze lachte. We liepen elk onze kant op, en ik voelde haar blik nog even op mijn rug, of ik verbeeldde me dat.
Bij de printer stond Pieter te mopperen tegen een papierstoring, zoals hij elke ochtend mopperde, een man met een persoonlijke vete tegen één specifiek apparaat.
“De stekker, Pieter,” zei ik toen ik langs liep.
“Die heb ik al geprobeerd.”
“Probeer hem dan nog een keer.”
Hij keek me aan alsof ik hem voorgesteld had aan een buitenaardswezen. Maar toen ik wegliep hoorde ik het geklik van een stekker. Een stilte. En toen: “O. Hij doet het.”
Ik glimlachte in het niets en dacht aan een bos, aan half zeven, en aan een vraag waarvan ik de antwoorden niet kende en, voor het eerst in lange tijd, niet hoefde te kennen.
—
Nawoord
Het Groene Lint is een verhaal wat al lang op mijn computer stond, maar het voelde niet goed. Ik bleef er aan werken. Ik liep vast totdat ik mij realiseerde: het is te lang en heeft veel herhaling. De sfeer was goed, maar in elk deel de volledige werkdag van Lotte beschrijven is misschien een beetje te veel… Daarom ben ik begonnen met schrappen. Deel 1 is klaar, deel 2 komt eraan. Compact en erotisch.