Onbewoond Eiland (4/8)

OVERLEVEN

Nogal overmoedig ben ik Natassja achterna gesprongen toen ze overboord viel, maar nu moet ik nu me toch eerst zelf zien te redden. Goddank is het water niet koud, bijna lauw zelfs, maar de golven zijn wel heel erg hoog en wild. Het schip vaart stevig door en ik moet uitkijken dat ik niet in de maalstroom van de scheepsschroeven terecht kom. Maar ik kan goed zwemmen en het lukt al snel mezelf in veiligheid te brengen, evenals de reddingsboeien, waarvan ik de werplijnen stevig om mijn middel heb gebonden.

Redden wat er te redden valt

Als het schip ver genoeg van me is verwijderd en het veilig is doe ik als eerste de string uit die ik nog aanheb van de modeshow. Ik heb er alleen maar last van en de veter schuurt ook nog eens irritant tussen mijn billen. Daarna ga ik Natassja zoeken. Ik zag in het zwembad dat ze net als ik goed kan zwemmen, en ik hoop daarom dat ze ondanks haar misselijkheid niet meteen verdrinkt. Steeds als een golf me optilt kijk ik speurend om me heen en dan, hoewel het al flink begint te schemeren, zie ik tot mijn opluchting al snel iets verderop het hoofd van Natassja. Ik roep naar haar dat ze moet volhouden, in de hoop dat ze me hoort.

Daarna kost het me wel even wat moeite, maar gelukkig ben ik een goede zwemmer en lukt het me binnen enkele minuten Natassja te bereiken. Niet veel later hebben we ons allebei in zo’n boei weten te wurmen. Ze ziet er verzopen en uitgeput uit. Als ik vraag hoe het gaat zegt ze alleen maar ‘danke schön’, terugvallend op haar Duitse moedertaal.

Pas nu we allebei redelijk in veiligheid zijn heb ik tijd om te checken of we gered zullen worden. Nou, niet dus, alles wat we zien is hoe het felverlichte superjacht in de verte verdwijnt, woest stampend door de hoge golven. Blijkbaar heeft niemand ons overboord zien gaan en zijn we nu dus op onszelf aangewezen. Om ons heen is alleen maar de kolkende zee te zien, ik heb geen idee waar we zijn en Natassja als ik het haar vraag al helemaal niet, die was en is alleen maar bezig met hoe ziek ze is. Tijdens het diner heb ik voor het laatst naar buiten gekeken en zag toen dat we op dat moment tussen heel veel eilanden doorvoeren. Het enige wat we nu kunnen hopen is dat we op een daarvan aan weten te spoelen.

Ik overleg met Natassja wat ons te doen staat. We zijn het eens dat gaan zwemmen geen nut heeft omdat we niet weten waar we zijn, we kunnen het beste onze krachten sparen. Hopelijk, als de storm gaat liggen en het weer dag is, dat we dan een eiland of het vasteland kunnen zien. De beide reddingsboeien bind ik stevig aan elkaar vast, zodat we bij elkaar blijven. Vervolgens gaan we er zo ‘comfortabel mogelijk’ in hangen, de boei om onze borstkas, onze armen erom heen geslagen en het grootste deel van onze lichamen onder water. Nu pas zie ik dat Natassja haar topje kwijt is geraakt, wat niet zo verwonderlijk is in het geweld van dit water, want het stelde niet zo veel voor. Maar ik heb nu wel wat anders te doen dan me aan haar tietjes te vergapen.

Achtbaan

Terwijl we naast elkaar in de woeste golven dobberen ligt er een lange nacht voor ons, een nacht waarin we steeds weer door de golven naar hun toppen worden geduwd of in hun dalen worden gestort. Het is een voortdurende en iedere keer weer beangstigende achtbaan. Al na een paar uur is Natassja totaal versuft en moet ik goed in de gaten houden dat ze niet oververmoeid uit haar boei glijdt. Met mezelf gaat het nog redelijk goed, hoewel ik al wel heel erge dorst heb. Onwillekeurig komt er toch regelmatig wat zeewater binnen en inmiddels geeft me dat niet alleen een brak gevoel, maar ook zwelt alles op in mijn mond. Mijn tong voelt alsof hij steeds groter wordt en mijn lippen zijn al helemaal ruw van het zout.

Het gaat niet echt goed met Natassja. Op een gegeven moment heb ik met het uiteinde van de werplijn haar armen bij elkaar gebonden, om te voorkomen dat ze zomaar uit de boei zou glippen. Tegen de ochtend gaat de storm gelukkig liggen en met dat de zon opkomt krijgen we de kans om ons heen te kijken. Hoewel, Natassja is nu helemaal van de kaart, ze hangt als een slappe pop met gesloten ogen in haar boei en ik maak me inmiddels serieus zorgen om haar. Mijn opluchting is daarom groot als ik in het eerste daglicht, niet eens zo heel ver weg, land zie. Misschien een eiland, of het vaste land, dat is vanaf hier niet te zien, doet er nu ook niet toe, als we maar gauw uit dit water weg kunnen.

Ik laat me uit mijn reddingsboei glippen en omdat ik erg stram ben geworden voelt het als een bevrijding dat ik wat kan gaan doen. Ik check of Natassja’s boei goed vastzit aan de mijne, bind dat de werplijn stevig om mijn middel. Dan begin met langzame slagen te zwemmen, mijn boei en die van Natassja achter me aantrekkend. We vorderen maar langzaam en al na een half uur is het een uitputtingsslag. De lange angstige nacht, mijn lege maag, de dorst, het brakke gevoel, alles wreekt zich. Toch is er geen keuze, ik moet door. Af en toe rust ik enkele minuten uit en dan is het weer zwemmen geblazen. Na enkele uren heb ik eindelijk vaste grond onder mijn voeten. Intens vermoeid lukt het me nog net om Natassja op het strand te trekken en haar uit haar boei te verlossen, waarna ik naast in het zand val om bij te komen.

Ik moet in slaap zijn gevallen want als ik wakker word staat de zon al een flink stuk hoger aan de hemel. Natassja ligt er nog net zo bij zoals ik haar neerlegde, met gesloten ogen, zo te zien buiten bewustzijn. Als ik haar pols voel is er een regelmatige hartslag, gelukkig, hoog tijd om haar verder in veiligheid te brengen. Ik ga staan en speur eerst de naar een heuvel oplopende begroeiing af, checkend waar die het groenst is, want daar zou dan een waterbron kunnen zijn. In Nijmegen was ik jaren bij de verkenners, we leerden er van alles over hoe je kunt overleven en die lessen komen nu goed van pas. Water is het belangrijkste om te kunnen overleven, het is daarom pure noodzaak om dat snel te vinden.

Maar eerst moet ik Natassja in de schaduw zien te krijgen, om te voorkomen dat ze met al dat zout op haar lichaam verbrandt en verder uitdroogt. Ik kan het niet laten, heel even bekijk ik enkele seconden hoe ze erbij ligt, bijna naakt, haar kleine stevige borsten vol in het zicht. Ook de aanzet van haar poesje is zichtbaar, omdat haar piepkleine broekje ver omlaag is geschoven. Hoe graag ik haar borsten ook aan zou willen raken, ik gedraag me. Ik trek haar broekje op, neem haar met enige moeite in beide armen en door het zand ploeterend zet ik koers naar waar de vegetatie het groenst is.

Natassja is niet echt zwaar maar toch put het korte stukje lopen met haar me al behoorlijk uit. Ondertussen komt ze nog steeds niet bij. Ik begin me nu toch wel wat zorgen te maken om haar, ze lijkt me een meisje te zijn dat niet veel kan hebben. Op een beschutte schaduwrijke plek leg ik haar neer en check dan vanaf het strand waar de begroeiing het meest groen en weelderig is. Daar ga ik de heuvel op want daar is de kans het grootst dat ik water vind.

Tijdens het klimmen wordt de begroeiing steeds dichter en omdat ik helemaal naakt ben heb ik geen enkele bescherming tegen bodemplanten en lage takken of van de bomen afhangende groene strengen. In films zie je vaak dat apen eraan gaan hangen en zich zo van boom naar boom slingeren. Kon ik dat ook maar, het is behoorlijk lastig dat ik geen schoenen heb, ik moet uitkijken waar ik mijn voeten neerzet. Gelukkig hoef ik niet over stenen te lopen en zie ik niet al te veel bedreigende dieren. Een keer schiet er een slang voor me weg, geen idee wat voor soort, in ieder geval maakte hij geen aanstalten om te steken.

Water!

De bodem wordt drassiger en de begroeiing almaar dichter, ik moet op de goeie weg zijn. Na niet eens na zo heel lang ploeteren door het woud hoor ik in de verte het geklater van water en ik besef hoeveel ik geluk ik heb als ik dat nu al vind. Terwijl ik steeds dichter bij het geluid kom wordt de bodem ronduit modderig en even later kom ik aan de rand van een vrij grote poel, omgeven door groen, waar het zonlicht in vlekjes doorheen valt. Het klaterend geluid komt van een kleine waterval die er van zo’n vijf meter hoogte in valt. Ondanks mijn vermoeidheid bekijk ik genietend de mooie plek.

Ik loop gretig in de poel in, die best wel diep blijkt te zijn, ik kan er maar net in staan, op een drassige bodem waar mijn voeten wat in wegzakken. Het voelt onwerkelijk fijn om het zout van mijn verhitte lijf af te spoelen. We leerden bij de verkenners dat je stilstaand water altijd moet wantrouwen maar dat in de natuur stromend water meestal redelijk schoon is. Daarom waad ik naar de waterval en drink ik net zo lang tot ik verzadigd ben.

Daarna ga ik de poel uit en loop ik om het watertje heen, om te zien of ik iets kan vinden waarmee ik water naar Natassja kan brengen. Een van de bomen die naast de poel groeien heeft enorm grote bladeren, misschien gaat het daarmee lukken. Het lukt me de onderste tak met een stok naar me toe te halen, waarna ik er enkele bladeren afpluk. Zo groot heb ik ze nog nooit gezien, ik zou er ook heel goed een afdak mee kunnen bouwen. Voordat het nacht wordt zullen we sowieso een slaapplek moeten hebben en om me heen kijkend zie ik al snel een plekje waar dat goed zou kunnen. Net naast de waterval is er een holte in de rotsen te zien. Als het lukt wil ik straks Natassja mee hier naartoe zien te krijgen. Ik kan van bladeren een slaapplek maken en in ieder geval zijn we dan steeds dicht bij water.

Ik vouw het blad in een komvorm en schep het dan zo vol mogelijk met water, het lijkt me toch zeker een halve liter te zijn. Gelukkig is het stevig, bijna leerachtig en door de randen naar elkaar toe te halen kan ik het daarna, gevuld met water, met éen hand dragen. Zo daal ik weer de heuvel af, het spoor volgend dat ik op de heenweg maakte. Het gaat nu veel vlotter en al snel vind ik Natassja terug, nog steeds bewusteloos of anders heel diep slapend. Voorzichtig maak ik met wat water haar gezicht nat, til haar dan iets omhoog en giet er een klein beetje van tussen haar geopende lippen, die mooie zwoele lippen, die er al helemaal verdroogd en gebarsten uitzien.

Na een paar druppels beweegt ze haar hoofd en als ik nog wat doorgiet moet ze hoesten. Smakkend proeft ze van het water en als ik daarna weer wat bij haar naar binnen giet opent ze haar ogen. Even denkt ze na, dan fluistert ze ‘Ray’. Nog nooit was ik zo blij dat iemand mijn naam zei. Het water brengt haar verder tot leven, ze komt overeind en drinkt gretig alles op. Dan kijkt ze om zich heen en vraagt: ‘waar zijn we?’ Ik haal mijn schouders op: ‘geen idee, een eilandje denk ik, daar zijn er hier heel veel van.’ Natassja valt even helemaal stil: ‘…hoe moet het nou verder met ons?’ Ja, goeie vraag…

Ik haal dus mijn schouders op en reageer dat we maar het beste van moment naar moment kunnen leven. We moeten nu eerst een onderdak hebben. Ik vertel haar van de poel en de waterval en dat we het beste daar kunnen gaan overnachten. Ze knikt en staat moeizaam op. Omdat ze nogal wankelt sla ik mijn rechterarm om haar lichaam, onder haar oksel door, om haar te ondersteunen. Daarbij raak ik even haar rechterborst aan, wat een opwindend schokje veroorzaakt. Ik roep mezelf tot de orde, ik wil geen misbruik maken van deze situatie. Misschien maak ik de komende tijd kans bij Natassja om seks te hebben, maar voorlopig is dat niet aan de orde. Nu moeten we ons eerst voor de nacht in veiligheid brengen.

X. Zara

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Zara

Hi, fijn dat je mijn verhalen leest, ik hoop dat je ze leuk vindt. En jouw reactie is altijd welkom! Liefs. Zara

Dit verhaal is 1904 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

2 gedachten over “Onbewoond Eiland (4/8)”

Plaats een reactie