Een week later was de website live. Ik lag al in bed, de dekens tot mijn kin getrokken, en hoorde het getik van Willems toetsenbord door de muur. Ik wist wat hij deed. We hadden erover gesproken, maar het gesprek was kort gebleven. Te kort, misschien. Hij had gevraagd of ik het echt wilde. Ik had ja gezegd. Niet omdat ik hem wilde plezieren, maar omdat ik het zelf wilde proberen. Omdat de avond in Rotterdam iets in me had losgemaakt dat ik niet meer terug kon stoppen.
Toen Willem naar boven kwam, rook hij naar bier en opwinding. Hij ging op de rand van het bed zitten en draaide zijn laptop naar me toe.
“Het is klaar,” zei hij.
Ik keek naar het scherm. Het was simpel. Te simpel, bijna. Geen neonletters, geen expliciete foto’s. Alleen een naam in een klein, zwart lettertype tegen een witte achtergrond. Het Bedrijf van Niemand. Daaronder een zin die ik zelf had bedacht, die nacht in Rotterdam, toen ik nog niet wist dat dit zou komen.
“Exclusief. Discreet. Op uitnodiging.”
Willem had een webdesigner gevonden via via. Iemand die dit soort pagina’s bouwde voor mensen die zich in dit wereldje bewogen. De site was expres niet te vinden via zoekmachines. Alleen via een directe link. Om hem toch vindbaar te maken had hij een profiel aangemaakt op een besloten platform. Een forum waar een selecte groep mannen zat die wisten wat ze zochten. High class, alleen op uitnodiging en streng gescreend. Daarop had hij een profiel voor me aangemaakt. Niet met mijn volledige gezicht. Met mijn hals. Mijn schouder. Mijn mond, half open, alsof ik op het punt stond iets te zeggen.
De foto’s hadden we eerder in onze slaapkamer gemaakt. Ik herinnerde me die ochtend. Willem wilde de shoot opeens doen. Ik was er niet echt klaar voor en mijn gedachten dwaalden steeds af naar dagelijkse dingen. De camera had iets anders gezien.
“Het gaat heel snel. De eerste berichten zijn al binnen,” zei Willem. “Ik heb een standaard antwoord voor afwijzingen gemaakt. Degene die je accepteert kan je gewoon beantwoorden. Het mailadres is niet te herleiden.”
Hij opende Proton email en gaf de laptop aan mij. Daarna stond hij op en liep naar de deur.
“Ik ga douchen,” zei hij. “Jij kiest.”
Dat was de afspraak. Hij regelde de techniek. De site. De link. Maar ik bepaalde wie er binnenkwam. Ik bepaalde wie ik zag, wanneer en hoe vaak. Het was mijn hobby. Mijn geheime avondtaak. Een keer in de twee weken, misschien drie als ik er zin in had. Niet meer. Dit was niet iets wat ik elke avond wilde doen. Geen routine. Elke keer exclusief.
Ik las de mails. Een man die te veel uitlegde over wat hij wilde. Afgewezen. Een man die alleen zijn initialen had gegeven en een hotelnaam. Bewaard. Een derde die vroeg of ik naar Parijs zou komen voor een weekend. Te ver. Te veel. Afgewezen. Een vierde, kort, beleefd en tijdelijk in Nederland. Bewaard. De vijfde was een weduwnaar en schreef in foutloos Nederlands een kort verzoek. Bewaard.
Mijn tarief stond hoog. Zeshonderd voor het eerste uur, duizend voor een avond. Ik had het zelf bepaald. Niet omdat ik hebberig was, maar omdat exclusiviteit een filter is. Alleen degenen die echt willen, betalen. De rest valt vanzelf af.
Ik accepteerde er drie. Toen Willem terugkwam, lag ik al onder de dekens met mijn telefoon in mijn hand.
“Ik heb er drie gekozen,” zei ik. “Kan je de inschrijving voor de komende maand sluiten?”
Hij knikte. Hij vroeg niet wie. Hij vroeg niet wat ze wilden. Hij kuste me op mijn voorhoofd en draaide zich om om te slapen. Ik staarde naar het plafond en voelde een hitte in mijn borstkas die verdacht veel op trots leek.
De eerste was een man van begin veertig. Kaal, zachte stem, handen die trilden toen hij zich voorstelde.
“Kom binnen, ik ben hier voor jou,” zei ik. De zin voelde anders dan ik had verwacht. Niet omdat ik het niet gewend was, maar omdat ik alles zelf had geregeld. Ik had de kamer geboekt. Ik had de sleutel. Ik was degene die hier wachtte. Ik had controle.
Hij stapte naar binnen en bleef midden in de kamer staan. Hij keek niet naar het bed. Hij keek naar mij. Zijn blik zakte langzaam naar beneden, langs mijn hals, mijn borsten, mijn middel, mijn benen, en bleef hangen bij mijn voeten. Ik droeg pumps, zwart, niet te hoog, en een jurk die tot net over mijn knieën viel. Niets uitdagends. Niets wat schreeuwde. Daar had hij om gevraagd. Toen hij naar mijn voeten keek, voelde het alsof hij naar iets anders keek. Alsof mijn voeten niet bij mij hoorden, maar een apart lichaam waren waar hij geen interesse in had.
“Ik heb iets bij me,” zei hij. Zijn stem was zacht, bijna fluisterend, alsof hij bang was dat de muren meeluisterden. Hij haalde een handdoek uit een kleine tas die hij over zijn schouder had gedragen. De handdoek was wit, dik, opgevouwen tot een perfect vierkant. Hij hield hem voor mij alsof het een cadeau was.
“Je hoeft niets uit te trekken,” zei hij. “Alleen je schoenen. En je kousen, als je die draagt.”
Ik keek naar hem. Dit voelde anders. Ik had verwacht dat een man die betaalde voor mijn tijd zou willen wat alle mannen wilden. Dat hij me zou aanraken op de plekken waar andere mannen mij graag aanraakten. Maar hij stond daar met zijn handdoek en keek naar mijn voeten alsof de rest van mij een object was waar hij niet naar hoefde te kijken.
Ik ging op de rand van het bed zitten. Het matras was harder dan ik gewend was in hotels. Ik voelde de rand in mijn dijen drukken terwijl ik mijn pumps uitschopte. De hakken maakten een dof geluid toen ze op de vloerbedekking vielen. Ik trok mijn kousen uit, een voor een, langzaam, niet omdat ik hem wilde teasen, zo voelde de situatie niet, maar omdat ik niet wist hoe snel hij het wilde. Hij staarde. Zijn ademhaling veranderde. Het was nauwelijks hoorbaar, maar ik zag zijn borstkas iets sneller rijzen.
“Mogen ze op de handdoek?” vroeg hij terwijl hij bijna onzichtbaar naar mijn voeten wees.
“Natuurlijk,” zei ik.
Ik zette mijn voeten op de handdoek. De stof was zachter dan ik had gedacht, bijna dik genoeg om mijn tenen te laten wegzakken. Hij trok zijn schoenen, sokken, broek en onderbroek uit en knielde. Niet voor mij, niet in een gebaar van onderwerping, maar naast het bed, op het tapijt, alsof hij naar een altaar was gekomen. Toen legde hij zijn handen op zijn knieën en keek. Gewoon keek.
De stilte duurde een minuut. Mogelijk twee. Ik hoorde de koeling van de minibar zoemen. Het geluid van het verkeer vijf verdiepingen lager. Mijn eigen ademhaling die ik bewust moest laten doorgaan. Ik wist niet wat ik met mijn handen moest doen. Ik plantte ze op het bed naast me, mijn vingers begroeven zich in het zachte dekbed.
Toen voelde ik een aanraking. Zijn vingertoppen landden op mijn linkerenkel. Het was zo licht dat ik het bijna niet voelde, meer een vermoeden van gewicht dan een echte druk. Hij trok een lijn via mijn wreef tot aan mijn tenen. Zijn vingers trilden licht. Niet van ouderdom of ziekte, maar van iets dat op aanbidding leek. Alsof hij bang was dat ik zou breken als hij te hard drukte.
Ik voelde hoe ik ontspande. Ik voelde hoe mijn schouders zakten en mijn ademhaling zijn eigen ritme weer oppakte. Ik hoefde niets te presteren. Geen glimlach. Geen kreun. Geen verleidelijke blik. Ik hoefde alleen maar te zijn, met mijn voeten op een handdoek, terwijl een vreemde man mijn voeten aanbad.
Hij sprak geen woord. Twintig minuten lang zat hij daar, zijn hoofd gebogen, zijn handen bewegend over mijn voeten, mijn enkels, de huid achter mijn hak. Soms gebruikte hij zijn duim, soms alleen zijn wijsvinger. Hij volgde de lijnen van mijn voetzool alsof hij braille las. Ik keek naar zijn hoofd, de kleine moedervlekken op zijn wangen, de manier waarop zijn ogen half dicht waren. Hij was ergens anders. Niet met mij. Hij was met mijn voeten.
Ik zag hoe hij met zijn andere hand zijn geslacht vastpakte en in hetzelfde tempo begon te bewegen als hij over mijn voet wreef. Zijn lichaam boog steeds meer naar voren en ik voelde de streling van een lok haar tegen mijn scheenbeen. Zijn lichaam kwam met een korte schok tot stilstand. Het was stil. Geen kreun. Alleen een korte, scherpe inademing en toen een lange, trillende uitademing. Warmte op mijn tenen, snel en nat. Hij bleef zitten, zijn voorhoofd tegen mijn scheenbeen gedrukt, alsof hij luisterde naar mijn hartslag via mijn kuit.
Zonder iets te zeggen stond hij op en trok hij zijn kleren weer aan. Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn. Ik zag hoe hij meer dan afgesproken op het nachtkastje legde. Hij keek me nog één keer aan, niet in mijn ogen maar ter hoogte van mijn mond, alsof hij mij niet aan durfde te kijken. Toen draaide hij zich om. De klik van de deur doorbrak de stilte.
Ik bleef zitten en keek naar mijn bevlekte voeten op de handdoek. De vlekken waren klein, bijna onschuldig. Ik voelde me niet beledigd. Ik voelde me niet vuil. Ik voelde me geïntrigeerd, alsof ik net een taal had gehoord die ik niet kende maar waarvan de klank me raakte. Alsof ik een museumstuk was dat iemand had willen aanraken op een manier die niemand anders begreep.
Ik stond op en liep naar de badkamer. Het water voelde koud aan mijn voeten. Ik keek naar mijn tenen en vroeg me af hoeveel lichamen er op deze wereld waren, en hoeveel verschillende manieren er waren om ze te beminnen.
Ik had een paar dagen. Een paar dagen om weer Noortje te zijn. Om naar mijn werk te gaan, om boodschappen te doen bij de Albert Heijn waar niemand wist waar mijn voeten hadden gelegen. Om met Willem te eten zonder dat er geld op tafel viel. De envelop stopte ik in een la, onder mijn sokken, waar ik hem niet elke dag zag. Ik wilde niet dat het een obsessie werd. Ik wilde dat het een geheim bleef, iets dat ik af en toe tevoorschijn haalde zoals je een mooi jurkje uit de kast trekt. Niet elke dag. Niet routinematig. Dat was de afspraak die ik met mezelf had gemaakt. De rest van de tijd was ik gewoon. En het vreemde was, het gewone voelde nu anders. Niet minder. Alleen minder echt.
De tweede man was een Zuid-Koreaanse expat. Jong en vloeiend Engels. Hij had een penthouse hoog boven de stad. De lift ging stil omhoog. Toen de deuren opengingen stond ik meteen in de ruimte. De vloer was donker en hard onder mijn hakken. De muren wit, maar niet scherp. Overal stonden dingen die ik herkende als duur zonder dat ik precies wist waarom. Een vaas zonder bloemen. Een lamp van melkglas. Het rook naar hout en iets schoons dat ik niet uit mijn eigen kast kende.
Ik was hier nog nooit geweest. Niet in dit soort huizen. Niet op deze hoogte. Het uitzicht was een muur van glas met de stad erachter. Ik voelde mijn kleren ineens anders zitten. Goed genoeg, maar niet zoals dit. Ik hield mijn armen dichter bij mijn lichaam.
Hij stond bij het raam. Kleiner dan ik had verwacht. Kleiner dan Willem. Kleiner dan Pieter. Het was het eerste wat ik zag en ik schaamde me er meteen voor. Ik had niet gedacht dat ik zo keek. Dat ik mannen mat. Zijn schouders waren smaller. Zijn handen ook. Toen hij zich omdraaide zag ik zijn gezicht. Fijner. Andere ogen. Een andere huid. Er ging iets door me heen dat zei: dit is anders. Ik duwde het weg. Ik dwong mezelf om alleen te kijken naar wat er was. Een man. Een lichaam. Ademhaling. En toen hij dichterbij kwam, werkte het bijna. Hij was kleiner, anders van vorm, maar de spanning in zijn hals was dezelfde. De manier waarop zijn ogen naar mijn mond gingen was dezelfde.
Hij vroeg niet veel. Hij wilde dat ik bewoog. Langzaam, door de kamer. Ik liep van het raam naar de keuken en terug. Mijn hakken klonken op de harde vloer. Ik voelde zijn blik in mijn rug, op mijn heupen, op mijn benen. Niet gretig. Meer alsof hij elk beeld wilde bewaren. De ruimte maakte het sterker. De stilte. De hoogte. De stad die lichtjes tegen het glas wierp alsof ze ons in de gaten hield.
“Please, sit next to me,” zei hij. Hij ging op de bank zitten. Toen ik naast hem kwam raakte hij me aan alsof hij bang was dat ik zou verdwijnen. Zijn vingertoppen op mijn pols, een lijn naar mijn elleboog. Alsof hij controleerde of ik echt was.
Wat daarna kwam was stil. Geen woorden. Alleen adem. Hij trok me op zijn schoot. Zijn handen warm op mijn heupen. Ik voelde de koele lucht op mijn dijen toen hij mijn rok omhoogschoof. Ik liet me zakken, langzaam. De druk. De oprekking. Het bekende gevoel van vol raken. Zijn vingers gleden onder mijn blouse, over mijn rug, en sloten zich om mijn borsten. Niet gretig. Alleen maar vasthoudend. Ik bewoog in een ritme dat ik zelf koos, zacht en gelijkmatig. Zijn voorhoofd leunde tegen mijn sleutelbeen. Ik voelde zijn haar tegen mijn huid. Zijn hand ging naar mijn billen, kneep erin, trok me dichterbij.
Ik had half verwacht dat het anders zou voelen. Dat er iets zou zijn wat ik niet kende. Een andere warmte. Een andere geur dichtbij. Maar zijn huid was gewoon warm. Zijn adem stokte op dezelfde momenten. Toen hij klaarkwam verstijfde zijn hele lichaam en hield hij zijn adem in tegen mijn hals. Ik bleef zitten, voelde hem nog in me, en wachtte tot zijn ademhaling weer rustig werd.
Het was anders en toch niet. Als ik mijn ogen dichtdeed was er geen verschil. Geen nationaliteit. Alleen een lichaam dat reageerde zoals elk lichaam. De stilte eromheen kwam niet van hem. Die kwam van de kamer. Van de hoogte. Van het geld dat tussen ons lag zonder iets te zeggen.
Na afloop zette hij water op. De ketel maakte bijna geen geluid. Hij schonk twee koppen in van zwaar aardewerk. We dronken op het balkon. De stad lag onder ons, vol lichtjes die niet wisten wat hier gebeurd was. De wind was scherper hierboven. Ik trok mijn jasje dichterom en voelde de thee warm door het porselein.
Bij het afscheid legde hij een envelop op de tafel. Hij zei niets over het bedrag. Ik pakte hem op en stopte hem in mijn tas.
Ik leerde dat iedere man zijn eigen manier had. De een met handen, de ander met stilte, weer een ander met de ruimte die hij om zich heen bouwde. Ik leerde luisteren zonder dat er iets gezegd werd.
De derde stond al in mijn agenda. Niet deze week. Niet volgende week. Over drie weken. Ik had het expres zo gepland. De eerste twee hadden dicht bij elkaar gelegen, een korte, intense ademhaling. Maar daarna moest er ruimte zijn. Tijd om terug te vallen. Tijd om te vergeten zodat ik het opnieuw kon ontdekken. Zo hield ik het exclusief. Zo hield ik het van mij. De dagen ertussen vulden zich met gewone dingen. Een presentatie op werk waar ik me doorheen wrong. Een avond met Willem waarop we over de verbouwing praatten. Een telefoontje van mijn moeder. Het leven ging door, en ik ging met het leven mee.
De derde was anders. Hij had zich aangemeld via de site zelf, niet via het platform. Een kort bericht, correct geschreven, zonder fouten. Hij stelde voor om eerst wat te drinken in een bar van een chique hotel. Het moest spontaan lijken, dat was zijn fantasie. De prijs die hij bood was hoog genoeg om mijn nieuwsgierigheid te wekken.
De bar was smaakvol ingericht. Livemuziek uit een hoek die ik niet kon zien. Ik zat aan de toog in een jurk die ik had gekocht voor deze avond. Zwart, eenvoudig, met een nette halslijn. Ik had hem uitgekozen omdat hij chique en keurig overkwam, precies zoals de man die ik die avond zou ontmoeten. Mijn benen gekruist, mijn hakken tikten zachtjes tegen de voet van de barkruk.
Bij binnenkomst herkende ik hem meteen. Grijs haar, een das die te keurig zat, handen met ouderdomsvlekken die hij niet verhulde. Hij had geschreven dat hij weduwnaar was, maar ik zag de bleke streep om zijn ringvinger. Ik zei niets. Het was onderdeel van het spel.
Hij bleef even in de deuropening staan, alsof hij de ruimte in zich opnam. Toen liep hij naar de bar. Hij bestelde een whisky en wees naar de stoel naast me.
“Mag ik?” vroeg hij. Zijn stem was zachter dan ik had verwacht, mogelijk gepolijst door jaren van vergaderzalen.
“Dat hangt ervan af wie erin gaat zitten,” zei ik.
“Iemand die graag gezelschap heeft.” Hij glimlachte. Het was de glimlach van iemand die gewend is te krijgen wat hij wil. “In deze stad is dat zeldzaam genoeg om te vieren.”
“Wat viert u?”
“Dat ik u tegenkom.” Hij nam een slok van zijn whisky. Het ijs rinkelde zacht tegen het glas. “U bent niet van hier.”
“Nee,” zei ik. “Ik ben op doorreis.”
“Wat brengt u hier? Zaken? Of plezier?”
“De grens is vaag,” zei ik. Hij knikte alsof ik iets diepzinnigs had gezegd.
“De beste dingen liggen op de grens.”
“Ik reis veel,” zei hij. “Te veel. Hotels worden op een gegeven moment allemaal hetzelfde.”
“En toch zit u hier,” zei ik.
“Ja.” Zijn vinger gleed over de rand van zijn glas. “Vanavond leek me anders.”
We praatten. Over het weer. Over de stad. Over niets.
Mijn hand gleed over mijn been naar de zijne. De stof van zijn broek was duur maar oud. Ik vond zijn gulp en voelde zijn hardheid onder mijn hand. Het was geen verrassing. Het was een bevestiging. Het spel vroeg dat ik de eerste stap zette, en ik deed het met het gemak van iemand die inmiddels wist hoe ze een man moest bespelen. Zijn adem stokte toen ik met mijn hand een rollende beweging over de harde bobbel maakte. Hij zette zijn glas neer, het ijs kletterde.
“God,” fluisterde hij. “Je weet wat je doet.”
“Natuurlijk,” zei ik.
“We gaan,” zei hij. Niet vragend. Maar wel zacht.
Ik stond op en volgde hem. Ik had verwacht dat we naar boven zouden gaan. Een kamer in dit hotel, of ergens anders. Misschien een privéclub, een van die plekken waar mannen als hij heen gaan als ze precies weten wat ze willen en bereid zijn ervoor te betalen. De prijs die hij had geboden was hoog genoeg voor dat soort ruimte. In plaats daarvan liepen we naar buiten, het parkeerterrein op.
Het parkeerterrein was donker en slechts verlicht door een lantaarnpaal in het midden. Zijn auto stond in een hoek, naast een verdwaalde vuilcontainer. Een Skoda Superb. Zilvergrijs. Eenvoudig. Saai.
Ik had verwacht dat een man die zoveel betaalde iets anders zou rijden. Iets met meer glans, meer gewicht. In plaats daarvan deze onzichtbare auto. De auto van iemand die niets te verbergen of te laten zien had. Even vroeg ik me af of hij het grootste deel van wat hij kon missen aan mij zou besteden.
We stapten achterin. De ruimte was groter dan ik had verwacht. De luchtverfrisser rook naar appel.
“Ik wil je borsten zien,” zei hij. Ik deed de knoopjes los, een voor een, en schoof de stof van mijn schouders. In de kleine ruimte wist ik me tot aan mijn navel bloot te maken. Mijn bh was zwart, een stuk dat ik had gekocht voor dit soort avonden. Ik haakte hem open en hing hem over de hoofdsteun van de bijrijdersstoel. De koele lucht van de auto streek over mijn borsten. Mijn tepels trokken samen, hard, of ik het wilde of niet. Ik voelde de huid strakker worden, een lichte tinteling die niets te maken had met verlangen en alles met blootstelling.
Hij keek. Zijn ademhaling werd zwaarder, maar bleef beheerst. Zijn ogen gingen van mijn gezicht naar mijn borsten en bleven daar hangen. Ik zag hoe zijn hand even bewoog, alsof hij ze wilde aanraken, maar hij hield zich in.
“Je bent mooier dan ik had gedacht,” zei hij.
“U had niet veel te zien op de foto’s,” antwoordde ik.
“Ik zag genoeg.” Zijn stem was hees. “Maar dit is beter.”
Ik voelde me niet naakt. Ik voelde me tentoongesteld. Elke centimeter huid lag open voor zijn blik. De lucht bleef over me heen bewegen, koud op de warme plekken. Mijn tepels bleven hard, verraders van mijn lichaam terwijl mijn hoofd helder bleef. Het gaf me een vreemde macht. Hij keek, hij wilde, en ik zat daar en liet het toe op mijn voorwaarden.
“Ik wil graag dat je verder gaat met wat je in de bar deed,” zei hij terwijl hij zijn broek openmaakte en iets naar beneden schoof. Ik voelde hoe hij meteen weer harder werd toen ik hem vastpakte en heen en weer begon te bewegen.
“Langzaam,” fluisterde hij. “Alsjeblieft. Langzaam.”
Ik keek hem aan en probeerde sexy te kijken. Mijn lippen iets geopend, mijn ogen half dicht.
“Zo?” vroeg ik.
“Ja.” Zijn hoofd viel iets naar achteren tegen de hoofdsteun. “Precies zo. Kijk me aan. Niet wegkijken. Alsjeblieft.”
Maar ergens, tussen zijn ademstoten en het zachte schuiven van de stoffen bekleding onder ons, dwaalden mijn gedachten af. Naar hoe gewoon dit voelde. Naar de appelgeur die nergens bij hoorde. Naar het feit dat mijn hartslag niet omhoogging, dat ik dit inmiddels kon doen zonder dat er iets in me trilde. Naar de streep op zijn ringvinger. Naar de te keurige das. Naar de Skoda die niemand zou opmerken. Naar het feit dat hij zich als weduwnaar had voorgedaan terwijl de waarheid zijn huid tekende.
Het was een fractie van een seconde. Een kleine, heldere deceptie. Toen keek ik weer naar zijn ogen en glimlachte. Het spel moest doorgaan.
“Ik kom,” hijgde hij. “Ik ga…”
“Dan weet u wat u moet doen,” zei ik. Ik boog me voorover. Mijn lippen om hem heen. Zijn hand greep mijn haar. Hij proefde naar zeep en iets zouts. Warm. Veel. Snel. Ik slikte zonder erbij na te denken. Het was routine geworden. Een vaardigheid die ik bezat zonder er trots op te hoeven zijn.
Hij hijgde, zijn hand op mijn schouder. Dankbaar. Bijna kinderlijk.
Nadat ik me weer in mijn bh en jurk had gewurmd stapten we uit. Hij gaf me een envelop.
“Natellen mag hoor,” zei hij met een onvaste stem.
De weduwnaar die even niet weduwnaar hoefde te zijn. Ik stopte de envelop in mijn tas en keek toe hoe de Skoda wegreed, zilvergrijs en onzichtbaar, de appelgeur nog in mijn neus.
Pas toen hij weg was merkte ik dat de deceptie niet bij hem lag. Die lag bij mij. Ik had gedacht dat dit soort avonden me iets zouden kosten. In plaats daarvan was ik degene die precies wist wat ze deed. Ik was hier goed in.
Te goed.
Terwijl ik over het parkeerterrein naar mijn eigen auto liep vroeg ik me af of goed zijn in iets betekent dat je het nog steeds wilt. Maar het was maar een flits. Ik startte de motor en reed naar huis.
Willem zat op de bank met een biertje en een boek. Ik kwam binnen, liet mijn tas vallen, schopte mijn hakken uit. De appelgeur hing nog aan mijn kleren. Ik zou me straks opfrissen, maar nu wilde ik even stilstaan in de hal, met mijn blote voeten op de koele tegels.
“Hoe was het?” vroeg hij, zonder op te kijken.
“Goed,” zei ik. Kort. Het was van mij. Mijn avond. Mijn avontuur. Ik hoefde hem geen verslag uit te brengen.
Ik liep naar de keuken om wat water te pakken. Mijn telefoon trilde op het aanrecht. Een app van Manon. Een foto van twee wijnglazen, gevuld, het licht erachter wazig en goud. De tekst eronder: “Volgende week vrijdag bij ons? We missen jullie en we hebben iets te vieren.”
Ik leunde tegen het aanrecht. Voelde de glimlach op mijn lippen voordat ik hem bewust voelde. Het was geen seksuele hitte die door me heen trok. Het was iets anders. Herkenning. Het verlangen naar een tafel waar ik niet hoefde te spelen. Waar ik Noortje was, en niet de vrouw die ze wilden dat ik was.
Ik typte terug: “Ik ben er. Vertel me niets. Ik hou van verrassingen.”
Toen ik de keuken uit liep stond Willem in de deuropening. Hij keek naar me alsof ik iets was dat hij had gemaakt, maar niet meer helemaal begreep. Ik gaf hem een kus op zijn wang. Niet op zijn mond. Op zijn wang.
“Kom je ook naar boven?” vroeg ik terwijl ik naar boven liep. De envelop nog in mijn tas, de appelgeur achter me latend in de hal.
Ik had twee werelden. Hoe die er over een maand of een jaar uitzagen, wist ik niet. Voor nu was het genoeg om ze naast elkaar te laten bestaan.