Het Groene Lint (deel 2)

Het bos lag er anders bij dan het gemeentehuis. Dat was meteen het eerste wat me opviel toen ik de parkeerplaats op reed, achter Simones auto aan. Geen koude vloer, felle kantoor verlichting, geen muffe lucht van vergaderingen. Gewoon bomen, een berg naalden, en een lucht die zo fris was dat hij in mijn neus prikte.

Simone stond al bij haar achterbak. Ze trok haar wandelschoenen aan, haar vingers behendig met de veters, en neuriede zacht iets wat ik niet herkende. Haar haar hing los. Ze had zich niet eens verkleed, alleen een wandeljack over haar kleren van die dag, en ze zag eruit als iemand die even geen rol hoefde te spelen. Geen moeder. Geen collega. Geen functietitel.

Ik voelde mijn adem even stokken toen ik uitstapte. Niet van inspanning. Van iets dat ik nog geen naam wilde geven.
“Klaar om de stad achter je te laten?” vroeg ze.
“Meer dan klaar.”

We begonnen te lopen en onze passen vonden meteen een gemeenschappelijk ritme, alsof we dat al jaren deden. Het pad was smal, bezaaid met kiezels en dennennaalden die kraakten onder onze zolen. Elke stap veegde een stukje dag van me af. De presentatie, wethouder De Vries, de minuut waar ik op wachtte. Alles werd lichter, letterlijk, want het laatste zonlicht viel schuin door de bomen en legde gouden vlekken op de grond alsof iemand het pad had bestrooid.

De eerste minuten praatten we over werk. Veilig terrein. Wethouder De Vries en zijn “interessant”, met uitleg erachter dat je kon vertalen als “ik ben nog niet om maar stop niet”. De pilot in de oostkant.
“De groene ambassadeurs, die moeten we nog werven.” mompelde ik.
“Werven klinkt als legerwerk,” zei Simone. “Laten we zeggen verleiden.”
“Verleiden klinkt als iets waar het college bij betrokken moet zijn.”
“Dan houden we het bij werven.”
We lachten.

Toen het pad begon te glooien veranderde het gesprek vanzelf. Werk gleed weg als een jas die je uitdoet als je opwarmt na de wandeling. Simone vertelde over Finn, die op de basisschool een vriendinnetje had dat hij wilde trouwen, met een ring van een dop van een fruithapje. Hij had de dop drie dagen bewaard in zijn broekzak en zijn broek was al een keer mee in de wasmachine geweest, maar de dop was blijven zitten en dat was volgens Finn een teken.
“Van wat?”
“Van de wasmachine. Die keurt het goed.”
Ik schoot in de lach en vertelde toen over Sterre, die een contract had opgesteld voor Mark en mij. De huishoudelijke taken moesten eerlijker verdeeld, had ze geconcludeerd na een serie ruzies over wie de broodtrommel waste. Mark moest de maandag en woensdag, ik de dinsdag en donderdag, en vrijdag mocht ze zelf bepalen wie het deed.
“Ze is zeven,” zei ik. “En ze heeft al een beter arbeidsrechten trackrecord dan onze juridische afdeling.”
“Finn vond gisteren zijn eigen belastingaangifte te moeilijk dus die heeft hij gewoon weggegooid.”
“Wijs.”

We liepen verder. Het gesprek vertraagde. De stiltes werden langer, maar nooit leeg. Ergens had ik geleerd dat stilte tussen twee mensen een maatstaf is. Stilte die drukt, wil je weg. Stilte die draagt, wil je blijven. Deze droeg.
“Mag ik je iets vragen?” vroeg ze toen we een open plek bereikten. “Die avond op kantoor. Jij zei, soms wil ik gewoon Lotte zijn. Wat bedoelde je precies?”
Ik dacht na. Eerlijk zijn was hier makkelijk, vreemd genoeg. Makkelijker dan thuis, waar eerlijk zijn meestal betekende dat je iemand teleurstelde.
“Ik bedoelde dat ik mijzelf soms kwijt ben in alle rollen,” zei ik. “Ik ben de hele dag iets voor iemand. Collega voor het college. Moeder voor Sterre. Partner voor Mark. IT dochter voor mijn moeder als haar iPad weer doet wat hij wil. En ergens daartussen zit Lotte. En die krijgt het minste ruimte van allemaal.”
“Wanneer heb je die voor het laatst gezien? De echte Lotte?”
De vraag raakte me. Niet hard. Precies! Wanneer had ik mezelf voor het laatst gezien?
“Geen idee,” zei ik eerlijk. “Dat is het engste antwoord, denk ik.”
Simone knikte alsof ze dat antwoord herkende.
“Bij mij is het hetzelfde. Emile is lief. Echt. Hij doet zijn deel, hij is een goede vader. Maar hij kijkt me aan en hij ziet de moeder van Finn. De vrouw die de boodschappen doet. Soms kijk ik hem aan en denk, als ik nu eens iets raars doe, iets totaal onverwachts, dans op tafel bijvoorbeeld, zou hij me dan opnieuw zien? Maar dan denk ik weer, wie heeft er zin om op een tafel te dansen na een dag werken.”
“Jij misschien.”
“Nee. Ik zou er tijdens het opklimmen al spijt van hebben.” Ze glimlachte scheef. “Dat is hem juist. Die vrouw die op tafels wil dansen, bestaat nog wel. Maar ze komt de deur niet uit. Iedereen in huis is een huismus geworden, te moe om naar haar te luisteren, inclusief zijzelf.”

Ik keek naar haar. Het zonlicht viel door de bomen op haar gezicht en ik zag de wallen onder haar ogen. Ze was geen foto van iemand. Ze was er helemaal, met alles erop en eraan, en dat maakte dat ik niet weg wilde kijken.
Wij hadden dit gesprek met niemand, dacht ik. Niet met vriendinnen uit de straat, niet met collega’s bij de koffieautomaat, niet met onze mannen in bed. Dit gesprek hadden we alleen met elkaar, en het voelde fijn. Heel fijn.

De warmte in mijn borst groeide. Vertrouwd inmiddels. Dezelfde warmte als in bed, die nacht, met mijn hand onder de deken en haar beeld achter mijn gesloten ogen. Ik zei er niets van.

De wandelingen werden een ritueel. Dat klinkt groots, een ritueel, maar het was eigenlijk gewoonte met een glimlach. Dinsdag en donderdag, zes uur, parkeerplaats bij de vuilstort. Soms reden we achter elkaar aan, soms stond ze er al en neuriede ze bij haar achterbak alsof ze daar speciaal voor mij repeteerde.

We vertelden elkaar alles. Niet alles alles, niet de diepste donkerste dingen, maar meer dan ik iemand had verteld in jaren. Over onze moeders en hoe je op volwassen leeftijd nog steeds het kind van iemand bent in een telefoongesprek van twintig minuten. Over het vreemde verdriet van een overvolle agenda, dat je nergens rouwt om iets dat je zelf hebt volgeschreven. Over seks, voorzichtig, in omweggetjes. Dat kwam op een avond, toen we op een omgevallen boomstam zaten om wat uit te rusten. De boomstam was breed genoeg voor twee met een gepaste afstand ertussen.
“Emile en ik zijn beter geworden in omdraaien en in slaap vallen,” zei Simone, na een verhaal over een collega van haar die een affaire had gehad. “Dat klinkt als een klacht en dat is het, denk ik, ook.”
“We zijn beter geworden in aankondigingen,” zei ik. “Vanavond gaan we het doen. Dan gebeurt er de hele avond niets, maar de aankondiging was fijn.”
“Herkenbaar, helaas.”
Ze lachte en schudde haar hoofd. Toen werd ze stiller. De lucht kleurde oranje aan de rand van de bomen.
“Weet je wat ik soms mis?” zei ze, en haar stem was anders, lager, voorzichtiger. “Het gevoel dat ik begeerd word. Niet geapprecieerd. Begeerd. Alsof ik nog steeds iets ben om naar te kijken, niet alleen iemand om mee te plannen.”
“Ja,” zei ik. “Ja, precies dat.”
We keken elkaar aan. Drie tellen. Vier. Haar hand lag op de boomstam, naast de mijne. Niet erop. Naast. Het duurde even, en toen legde ik mijn pink over de hare, zomaar, een kwestie van millimeters. Ze keek niet naar mijn hand. Ze keek naar mij, en haar ogen vroegen iets. Ik knikte bijna onmerkbaar.
Onze vingers verstrengelden zich, zonder dat we het echt besloten. Die van haar waren warm en droog en voelden alsof ze er altijd al hadden gelegen. We zeiden er niets over. We liepen weer naar het startpunt en praatten gewoon door, over de groene ambassadeurs, over of een picknick in maart te koud zou zijn, en de hele tijd zaten onze handen verstrengeld in elkaar.

Bij de parkeerplaats lieten we los, vanzelf, zonder dat er een afspraakjes-achtig moment aan voorafging. Gewoon onze handen die terugkeerden naar hun eigen eigenaar, alsof ze even waren weggeweest.
“Tot dinsdag,” zei ze.
“Tot dinsdag.”

Ik zat in de auto en keek haar na en merkte dat ik grijnsde als een puber die net voor het eerst was aangesproken op een feestje. Waarom? Om een hand? Omdat twee vrouwen van midden dertig elkaars hand hadden vastgehouden op een boomstam? Ja. Daarom.

Mark merkte iets op. Niet veel. Dat was het verwarrende. Hij merkte alleen op dat ik op dinsdag en donderdag vrolijker thuiskwam, en hij zei het als grap, een opmerking bij de pasta.
“Jij hebt tegenwoordig altijd zin,” zei hij. “Wat is er aan de hand op je werk? Krijg je opslag?”
“Nee. Ik loop gewoon even in het bos. Met Simone.”
“Hm. Die van Duurzaamheid?”
“Ja.”
“Een frisse neus en wat beweging doen je goed. Dat snap ik wel.”
Hij deed zijn best om geïnteresseerd te lijken, en het lukte hem driekwart. Mark kon driekwart van alles. Drie kwart belangstelling voor mijn werk, driekwart aanwezigheid bij Sterre’s verhalen, driekwart van een echtgenoot die zijn vrouw nog steeds aardig vond maar was vergeten hoe de rest eruitzag.

Die nacht in bed, toen hij sliep, dacht ik weer aan het bos. Niet bewust. Het gebeurde gewoon. De boomstam. De pink over de hare. De manier waarop ze had gekeken, vier tellen lang, en de vraag in haar ogen waarop ik had geknikt.

Mijn hand gleed opnieuw onder de deken en deze keer was er geen strijd in me. Geen enkel moment. De warmte kwam snel, vertrouwder nu, en ik wist terwijl het gebeurde dat ik iets aan het doen was dat geen onschuldige gewoonte meer was. Dit had een richting. Dit wees ergens heen en ik deed alsof ik de wegwijzers niet zag.
Achteraf, met mijn hart nog bonzend, lag ik naar het plafond te staren en probeerde schuld te voelen. Schuld was het aangewezen gevoel. Ik was getrouwd. Ik had een kind. Ik had een kat van acht die af en toe in de gang braakte.

Het was een donderdag, herfst, de bomen in het bos toonden alle bruintinten die je maar kon voorstellen. Het licht was dat van eind oktober. Een van een intredende winter.
We hadden die wandeling weinig gepraat. Dat gebeurde soms. We liepen gewoon, hand in hand, onze schouders raakten elkaar af en toe en het leek alsof het hele bos daar rekening mee hield.
Toen kwamen we bij het bankje. Een oud houten ding aan de rand van een open plek, omringd door varens die tegen onze benen streken. We hadden er vaker gerust. Maar die avond was alles geladen. Misschien zat het in de lucht, misschien zat het in mij.
“Even zitten?” vroeg ik.
Simone knikte iets afwezig.

We gingen zitten en de stilte die volgde was anders dan de stiltes van de afgelopen weken.
“Weet je,” begon ik, en mijn stem was zachter dan ik wilde, “toen ik klein was fietste ik met mijn vader door een park. Een groot park in Duitsland. De herrie van de stad viel weg, het gras rook alsof het pas gemaaid was, en ik dacht, zo moet de wereld zijn. Dat gevoel, daar doe ik mijn werk voor. Plekken waar mensen kunnen ademen.”
Ik zweeg. Mijn keel was droog.
“Waarom vertel je me dit nu?” vroeg Simone zacht.
“Ik weet het niet.” En toen, omdat de waarheid eruit wilde en ik mijn hele leven had geoefend in ingehouden waarheden, “Misschien omdat jij de enige bent die het begrijpt. En omdat ik bang ben dat ik dat gevoel kwijt ben. Dat het ergens tussen de deadlines en de was is blijven liggen.”
Simone zei niets. Ze schoof dichterbij. Haar knie raakte mijn dij. Haar arm gleed om mijn schouders, een gebaar van troost waarvan ik dacht dat we allebei wel wisten dat het niet alleen troost was.
Ik leunde tegen haar aan. Mijn wang raakte de stof van haar jack en ik ademde haar in, koude lucht en iets dat alleen zij had. Haar hart klopte waar mijn schouder haar borst raakte. Snel. Sneller dan normaal.
“Lotte,” zei ze, en mijn naam klonk anders in haar mond dan in welke mond dan ook, alsof ze hem bewaarde in plaats van hem te gebruiken.
Ik keek op.
Haar gezicht was dichtbij. Te dichtbij om nog iets te kunnen doen alsof het niet gebeurde. Haar ogen gingen over mijn gezicht heen, vragend en bang tegelijk, en ik zag dat zij net zo diep in dit moment stond als ik en net zo geen idee had hoe ze eruit moest komen of of ze dat wel wilde. Ik wilde niet dat ze eruit kwam.
Ik tilde mijn hand op en raakte haar wang aan. Ze hield even stil. Toen deed zij hetzelfde, haar vingers in mijn haar.
Onze lippen raakten elkaar.
Het was geen kus zoals ik kende. Geen begin van iets dat verder zou gaan, geen aperitief, geen gewoonte met zaterdagse frequentie. Het was de kus zelf, het hele moment, en het duurde zolang als het duurde en toen we elkaar loslieten was de wereld veranderd.
Mijn hart bonsde in mijn keel. Mijn lippen tintelden. De hemel was paars geworden zonder dat ik de overgang had gezien.
“Ik…” begon ik.
“Niet praten,” zei Simone zacht, en ze glimlachte, en het was een glimlach met tranen erachter. “Nog even niet praten.”

Onze voorhoofden raakten elkaar. Onze adem vermengde zich. De varens bewogen zacht in de wind en ergens in de verte riep een vogel en het leek alsof het bos dit al had zien aankomen, weken geleden al, en alleen op ons had staan wachten.
“We moeten op een moment dit wel bespreken,” zei ik uiteindelijk.
“Ja. Op een moment.”
Ze pakte mijn hand. De van haar trilde.
“Ik ben bang,” zei ze. “Niet van jou. Van alles om ons heen. Emile. Finn. De wereld.”
“Ik ook.” Ik kneep in haar hand. “Mark. Sterre. Harrie de kat”
Ze lachte door haar tranen heen. “Harrie begrijpt het vast wel. Die braakt toch al in de gang.”
We lachten allebei, zacht, tegen elkaars schouder.

Toen we opstonden en naar de parkeerplaats liepen hielden we elkaars hand stevig vast, alsof loslaten gevaarlijk was. Bij haar auto bleven we staan. Onze adem maakte wolkjes in de koude lucht.
“Volgende week dinsdag?” vroeg ze. “Gewoon wandelen. Meer niet. Eerst laten bezinken.”
“Volgende week dinsdag,” zei ik. “Maar Simone.”
“Ja?”
“Dit is niet iets dat bezinkt. Dit is iets dat drijft. Dat komt vanzelf naar boven.”
Ze keek me aan. Lange tijd. Toen knikte ze, gaf me een kus op mijn wang en stapte in haar auto.

Ik reed naar huis met de radio uit en mijn handen om het stuur geklemd totdat mijn knokkels er wit van werden. Thuis was het licht aan in de keuken en stond er een pan op het vuur. Het rook naar niets bijzonders. Mark zat aan tafel met zijn telefoon en Sterre was boven al in bed.
“Hoi,” zei hij, zonder op te kijken.
“Hoi.”
Ik ging zitten en staarde naar de tafel en dacht aan paarse lucht en varens en de manier waarop mijn naam klonk als Simone hem zei. Harrie kwam langs mijn benen wrijven, eiste aandacht op zoals alleen katten dat kunnen doen, alsof de wereld om hen draaide en de rest bijzaak was.
“Alles goed?” vroeg Mark.
“Ja,” zei ik. “Gewoon moe.”
Het eerste leugentje. Klein. Draagbaar. Het eerste van een reeks waarvan ik de lengte niet kende.

Boven keek ik naar Sterre die sliep, haar arm om een knuffelhond die ooit van mij was geweest. Ik raakte haar haar aan, zacht, en dacht, liefje, het komt goed. Ik weet niet hoe. Maar het komt goed.

Die nacht lag ik lang wakker. De warmte in mijn lichaam was er nog steeds, onder de verwarring, onder de angst, als een vuurtje dat iemand had aangestoken en dat niemand meer kon doven.
Ik dacht niet aan het einde van iets. Ik dacht aan het begin, en aan hoe eng een begin kan zijn als je midden in je leven staat en alles op z’n plek had. Alles behalve dit. Alles behalve haar.

Buiten begon het zachtjes te regenen.

Wat vond je van dit verhaal?

Aantal stemmen: . Gemiddeld cijfer:

Nog geen cijfer, ben jij de eerste ?

Geschreven door Gemini

Hoi! Fijn dat je een kijkje neemt bij mijn verhalen. Ik schrijf graag over de complexe kanten van liefde en connectie. Laat me vooral weten wat je ervan vindt! Liefs.

PS: Wil je persoonlijke feedback geven, me een berichtje sturen of heb je een verzoek voor een verhaal? Mail dan naar pixpoxy12@gmail.com.

Dit verhaal is 1214 keer gelezen.
Reageren? Leuk! Houd het aub on topic en netjes, dankjewel!

3 gedachten over “Het Groene Lint (deel 2)”

  1. Prachtig verhaal, Gemini. Aan het begin zei je dat het een lang verhaal was dat he in 2ën hebt “gehakt”.
    Zoals ik het nu zie een verhaal met een open einde. Heb je zelf nog een vervolg in gedachte of laat je het hierbij? Beide kunnen en beiden zijn goed.
    Ik hoop dat je nog een vervolg in petto hebt. Succes.

    Beantwoorden
  2. Ik vind de opbouw met geen of weinig erotiek juist mooi.
    Eerst de personages goed leren kennen en dan langzaam opbouwen naar een geile climax. Dat is nou net wat ik bij veel verhalen mis, daar wordt vaak teveel in een tekort stukje gepropt.
    Mijn complimenten!

    Beantwoorden
  3. Mooi verhaal met een zekere spanning in de opbouw. Ben wel benieuwd hoe dit afloopt. Voorlopig 4 sterren ( nog geen echte actie) 5 sterren bij meer erotiek.

    Beantwoorden

Plaats een reactie