BOERENMEISJES
Terwijl ze honderduit praten werken de twee meisjes hard door. Hun eigen kleding doen ze als eerste, waarna ze die te drogen leggen in de zon. Het is aanstekelijk naar ze te kijken, ik kan er mijn ogen niet van losmaken en besluit nog even te blijven, waarna ik het me gemakkelijk maak achter de struiken. Als ook de rest van de kleding schoon is en in de zon ligt, willen de meisjes gaan baden. Maar helaas, amper zijn ze te water als mijn paard luid hinnikt, het is het blijkbaar beu om te wachten. De meisjes schrikken ervan en het enige wat ik kan bedenken om ze gerust te stellen is me te laten zien door ook weer te water te gaan.
Voor even anoniem
Als ik naakt van achter de struiken tevoorschijn kom slaat de schrik van de meisjes al snel om in plezier, giechelig wijzen ze elkaar op mijn nogal aanwezige mannenstaf. Ik trek me er niet veel van aan, ik word voortdurend bij het aan- en uitkleden door steeds weer andere hovelingen bekeken, dat het me niks meer doet. ‘Excusez-moi, mademoiselles, het was niet mijn bedoeling jullie aan het schrikken te maken’ zeg ik terwijl ik op ze toe zwem. De meisjes zijn gelukkig niet bang, ik zie er blijkbaar voldoende vertrouw wekkend uit. Ze laten me onbekommerd naderen, zich wel zorgvuldig tot hun hals onder water houdend. Het meertje is hier niet diep en als ik eenmaal bij hen sta vraagt een van hen: ‘bent u van het château?’
Als ik dat bevestig raken ze allebei opgewonden en vraagt het andere meisje: ‘kent u de koning?’ Ik knik.
‘Ziet u hem vaak?’ Opnieuw knik ik en zeg dan ‘dagelijks’. ‘
Hoe is hij?’ is hun volgende vraag, ‘is hij aardig?’
Het heelal lijkt vandaag samen te spannen om mij te doen afvragen wie en wat ik ben. Na madame Sophie komen nu deze twee meisjes op mijn pad, die me opnieuw aan het denken zetten.
Tja, hoe ben ik. Ik haal mijn schouders op en zeg: ‘ach, hij is gewoon net als iedereen een mens. Het enige verschil is dat God hem bestemde tot koning van Frankrijk, en daar heeft hij het niet altijd gemakkelijk mee.’
De meisjes krijgen er blosjes van, dat ze iemand voor zich hebben die de koning kent. Ze bekommeren zich totaal niet meer om hun naaktheid, gaan fier rechtop staan en tonen me zonder gêne hun mooie jonge borsten. Ze zijn zo totaal tegengesteld aan de wufte dames aan mijn hof, die dag na dag hun verleidingskunsten op me loslaten, bij deze meisjes is er niets van dit alles te bespeuren. Hun ongekunstelde interesse maak iets in me los en ik ga verder: ‘soms heeft hij goede dagen en is hij aardig, maar soms kan hij ook heel chagrijnig zijn en dan is hij gewoon een brompot.’ De meisjes schaterlachen en vragen me of dit geen majesteitschennis is, je mag toch niet zomaar dat soort dingen over de koning te zeggen. Ik haal mijn schouders op en reageer dat ik zeker weet dat de koning er geen bezwaar tegen heeft, als ik een beetje open met twee aardige jongedames praat.
Het verbaast mijzelf, deze reactie. Hoe lang is het niet geleden dat ik een open gesprekje had met anderen dan de inwoners van Versailles. Opnieuw realiseer ik me dat ik nauwelijks weet wat er in mijn volk leeft en ik besluit hier en nu daar snel wat aan te gaan doen. We praten nog wat en net als ik de meisjes wil zeggen dat ik terug moet keren naar het paleis, horen we het geroffel van snel naderende paardenhoeven. Ik leg mijn vinger op mijn lippen en fluister ‘ze zoeken me, de koning heeft me weer nodig’. Snel zorgen ze ervoor dat hun borsten weer onder water komen. Direct na dat moment komt er een kleine colonne het bos uit gedraafd, met voorop mijn broer en daarachter Bontemps, die de twee musketiers gebaart iets verderop te wachten.
Philippe reageert precies zoals ik van hem zou hebben verwacht, hij roept al voor hij stilstaat ‘Louis, ik wist wel dat je hier zat’. Hij springt van zijn paard, loopt tot de rand van zijn laarzen het water in, steekt zijn hand naar me uit en zegt alleen maar ’ik maakte me zorgen om je. Venez mon frère, kom broer!’
Zelfs Bontemps valt min of meer uit zijn rol en zegt: ‘Sire, we waren zeer ongerust, wilt u dit s’il vous plaît niet meer doen?’ Ik grijns alleen maar als reactie, sinds lang voel ik me weer het ongehoorzame jongetje van vroeger.
De meisjes zijn ondertussen helemaal van slag en hebben het niet meer. Ze zijn hun naaktheid totaal vergeten en met hun borsten opnieuw boven water bekijken ze verschrikt het schouwspel. Dan vraag het meest onverschrokken meisje, na eerst een buiging te hebben gemaakt: ‘is het waar dat u zelf de koning bent?’ Ik glimlach en knik: ‘ja, excusez moi, dat ben ik’.
Ze aarzelen even, dan klinkt het zacht, bijna fluisterend uit twee monden: ‘Vive le roi, leve de Koning…’
Het moment van een korte tijd onbekend zijn is helaas weer voorbij. Ik ga naar ze toe, geef hen beiden een zoen op hun natte wangen en zeg ‘Merci, mes chères dames’. Daarna neem ik de uitgestoken hand van Philippe aan en waad het water uit. Even later heb ik me aangekleed en ben ik alweer op de terugweg naar mijn dagelijkse bestaan…
Mijn onderdanen
Eenmaal weergekeerd in het paleis geef ik Bontemps opdracht om uit te zoeken wie die twee meisjes in dat meertje waren. Zoals altijd is het druk rond mijn vertrekken, ik wil echter alleen zijn met mijn broer en draag mijn secretarissen alle wachtende mensen weg te sturen. Zodra iedereen is vertrokken en we alleen zijn in de regeringskamer vraagt Philippe: ‘wat was dat nou allemaal, Louis?’ Ja, wat was dat nou. Het raakte me. Eerst de dood van madame Sophie, met haar vraag over mijn koningschap, en vervolgens die twee meisjes die wilden weten of de koning aardig is. En nu Philippe, die me met ogen als waren ze de mijne aankijkt, en voor wie maman me vanaf de eerste dag van mijn koningschap heeft gewaarschuwd dat hij op de troon zou azen, zoals papa’s broer dat ook altijd bij hem deed…
Maar voor éen keer kan me dat nu even niks schelen en overbrug ik de door maman erin gepompte afstand tussen ons. Ik vertel Philippe wat me dwars zit. ‘Madame Sophie heeft me aan het denken gezet. Toen ik het koningschap op me nam was Frankrijk alleen maar een verzameling territoria waarin feitelijk de adel de baas was. Ik wilde af van dat stelsel en heb ze gedwongen hier te komen wonen, waardoor het gezag van de koning werd hersteld. Ondertussen heb ik onze vijanden aangepakt, waardoor er weer respect is voor Frankrijk. Maar wat heb ik er mee bereikt? Hoe gaat het met mijn onderdanen? Ik heb er oprecht geen idee van, broer. We hebben het er nooit over!’
Hij haalt zijn schouders op: ‘wat is daar zo belangrijk aan? Als ze op tijd hun belasting betalen moeten ze verder maar voor zichzelf zorgen.’ Het is alsof ik mezelf tot voor kort hoor denken en praten, het is niet de taak van een koning om ervoor te zorgen dat zijn volk het goed maakt. Inmiddels twijfel ik daaraan en ik reageer: ‘is dat echt zo, broer? Zou ik niet moeten weten wat de noden zijn van mijn onderdanen? Zij wonen immers in het land dat ik bij elkaar moet houden? Ik wil beter weten wat ze bezighoudt en dat lukt me alleen als ik met ze in contact treed. En daar heb ik jouw hulp bij nodig.’
Philippe grijnst, cynisch ineens: ‘pardonnez-moi, vertrouw je me nu ineens wel?’
Tja, ik wou dat ik het wist. Maman heeft me zó vaak ingeprent hem te wantrouwen dat ik bijna niet anders meer kan denken. Ik betwijfel inmiddels echter of hij de troon wil hebben, daarvoor is hij veel te veel gehecht aan zijn luxeleventje met zijn vriendjes, waarvan er altijd wel een zijn liefje van de dag is. Ik heb het wel geprobeerd. Éen keer heb ik hem een veldslag laten leiden en dat deed hij zo goed dat hij meteen razend populair werd bij het leger. Dat was zo’n grote bedreiging voor mijn positie dat ik hem terstond weer het leiderschap ontnam. Dat leidde tot verbitterde ruzies tussen ons en inmiddels heb ik daar ook wel wat spijt van. Een koning kan dat echter niet toegeven, dus haal ik mijn schouders op en antwoord: ‘we zullen zien, broer, bewijs je maar.’
Ai, fout antwoord. Philippe zijn donkere ogen schieten ineens vuur en boos marcheert hij naar de grote dubbele deuren: ‘je zoekt het zelf maar uit Louis!’ Ik reageer direct: ‘Duc d’Orléans, restez, blijf! Uw Koning heeft u nodig.’ Hij blijft staan, draait zich om en bijt me toe: ‘Vive le Roi! Het zal wel, Louis, maar dat trucje werkt allang niet meer voor mij. Je weet waar je me kunt vinden, want ik mag hier toch niet weg…’ waarna hij aanstalten maakt om door te lopen. Ik wil oprecht dat hij blijft. Al met al is hij toch mijn broer, ik heb hem nodig en hij verdient zo langzamerhand mijn vertrouwen. Zachtjes zeg ik ‘S’il vous plaît, Philippe, wacht.
Hij stopt, draait zich om en kijkt me aan.
‘Ik heb je nodig’ zeg ik dan. ‘help me!’
Wat zie ik in zijn ogen? Triomf? Blijdschap? Wat het ook is, hij komt terug de kamer in en loopt naar de zetels bij de haard: ‘alors, broer, ik geef je een paar minuten, vertel wat je van me wilt.’ Ik ga bij hem zitten en doe hem mijn plan uit de doeken. Samen bekijken we het van alle kanten en een half uur later weten we wat ons te doen staat…
Afreageren
Inmiddels ben ik doodop, na de afgelopen brakke nacht en het overlijden van madame Sophie moet ik eerst een tijdje slapen, hoewel het nog maar halverwege de middag is. Omdat Bontemps nog niet terug is gaat een van de deurwachten me voor naar mijn privé-vertrekken en nadat mijn kameniers me snel hebben ontkleed tuimel ik met alleen een nachthemd aan mijn bed in.
Ik word wakker omdat er aan mijn pénis gezogen wordt. Natuurlijk, Athénaïs, mijn onverzadigbare minnares. Als ik mijn ogen open krijg ik een zoen van haar waarna ze me met haar fel-groene ogen aankijkt en fluistert ‘ik miste je bij de lunch. Zelfs je koningin wist niet waar je was.’ Hmm, ja, mijn koningin, het wordt tijd haar weer eens te bezoeken, vanavond maar. Maar nu eerst Athénaïs, ze komt precies op het juiste moment, de aanblik van de frisse jonge lichamen van die twee boerenmeisjes gonst nog door in het mijne. Ik zeg haar zich te ontkleden en doe zelf mijn nachthemd uit.
Terwijl ze zich uit haar japon rijgt verlustig ik me aan haar lichaam, zoals dat beetje bij beetje tevoorschijn komt. Ze is slank, met een witte huid en lange koperbruine krullen. Ik weet maar al te goed dat ze de positie die ze aan het hof kreeg door mijn officiële minnares te worden misbruikt, en dat ze denkt dat ik dat niet doorheb. Wat zij niet goed beseft is dat ik echter álles weet, dankzij Bontemps die in het hele paleis oren en ogen heeft en dankzij Maréchal, mijn politiechef, die niet alleen Versailles maar ook Parijs en de verre omgeving in zijn greep heeft. Ik laat haar echter in de waan. Zolang ze zich niet al te stevig vergaloppeert houd ik haar aan, ik ben nog niet uitgekeken op haar lichaam, en eerlijk gezegd ook niet op de streken die ze uithaalt.
Eenmaal naakt komt ze wijdbeens op me zitten en neemt ze mijn pénis beet. Na die op haar schoot te hebben gericht laat ze zich over me heen zakken, me onderdompelend in haar alles opeisende nauwe warmte. Ik onderga het in alle rust, met mijn handen onder mijn hoofd bekijk ik het schouwspel van haar soepele lichaam dat zich op mij naar een climax werkt. Haar borsten lijken de maat aan te geven van haar bewegingen, zusterlijk veren ze in de maat. Athénaïs was er blijkbaar aan toe, te snel naar mijn zin herken ik de signalen die leiden tot haar extase.
Ik til haar bij haar heupen van me af, leg haar op haar rug, spreid haar benen en stoot mijn phallus in een keer volledig terug in haar. Ondertussen trek ik me niks aan van haar gemopper, ze is er voor mij en niet andersom. Met die twee meisjes voor ogen stoot ik me opnieuw diep in Athénaïs haar ontvankelijke lichaam, waarna ik haar ga berijden in een hard en stevig ritme. Talloze vrouwen had ik al in mijn bed en als ik éen ding heb geleerd is dat je ze moet behandelen als een onwillige merrie. Zolang het kan kunnen de teugels gevierd blijven om haar in de waan te laten dat ze het voor het zeggen heeft. Op het moment suprème is het echter zaak ze hard aan te halen en te laten voelen wie er de leiding heeft. Daarna zijn ze als was in mijn handen.
Steeds weer drijf ik me hard in haar, met als gevolg dat haar borsten in hetzelfde tempo op haar lichaam op en neer bewegen. De kleine roze tepels staan rechtop, naar mij gericht. Ik wrijf mijn borst eroverheen, om dat plezierige licht-krassende gevoel over mijn huid te ervaren. Opnieuw bewandelt Athénaïs de weg naar haar ‘paradis’ en ik zorg ervoor dat we tegelijk bij de poort ervan arriveren.
Met enkele gerichte en stevige stoten leeg ik me in haar en nadat we in elkaars armen tot rust zijn gekomen stuur ik haar weg. Dat is te snel naar haar zin en protesterend kleedt ze zich weer aan. Ik trek me ondertussen niets aan van haar gemopper en loop naakt naar de kamer hiernaast. Daar staan bedienden klaar bij het bad dat ze voor me in gereedheid brachten. Ik stap erin en met een diepe zucht laat ik me wegzakken in het warme water, opnieuw met die beide frisse boerenmeisjes voor ogen.
X. Zara