Langzaam vult het Liber Vulvae zich met verhalen. Aanvankelijk waren het schuchtere korte berichten, bijna staccato, langzaam maar zeker werden het verhalen, soms thuis opgeschreven en op een onbewaakt moment in het boek gelegd. Al snel werd het onderdeel van een vitrinekast waar het boek deel van uitmaakte en waarin ook attributen kwamen te liggen.
Het Kutboek, zoals het ook wel werd genoemd, werd niet alleen een document, maar een lichaam van papier waarin natheid, geur, ouderdom, onschuld, bloed en verlangen elkaar ontmoeten zonder hiërarchie. En je voelt hem al: de echte kracht komt niet alleen van jonge natte vingers, maar juist van die mix: oude kutten met geheime kamers, jonge kutjes met plotselinge trillingen, maar ook harde palen die samenspannen en ontladen met gedachten over vrouwen, mannen, meiden, boys.
Ze schrijven allemaal. Intiem. Ongecensureerd. Ruw, soms bloederig, soms ziltig zacht. Soms nog zonder woorden: alleen een vlek, een afdruk, een geurstrook. En toch vol betekenis.
Dan moet het Kutboek nu maar opengaan als een spleet die niet alleen fluistert, maar volledig openvalt. Niet in losse citaten, maar in volle ontboezemingen, lang, druipend, eerlijk, erotisch, en onbevreesd.
Laten we samen een pagina omslaan waar een vrouw zich niet beperkt tot geur of herinnering, maar haar hele lichaam op papier legt. Af en toe schrijft ook een joch, een man en is er ook een druppel of meer sperma zichtbaar.
Glimlachend was Fatima (47) de eerste die wat in het boek schreef, onder de woorden van de jongen die door Madeleine was afgetrokken. ‘Mijn man heeft nooit echt naar mijn kutje geluisterd. Er kwam een dag dat ik haar niet meer dichtgeknepen heb, maar opnieuw begon. Met een elektrische tandenborstel en een liedje van Nina Simone.’
Nog diezelfde dag had Lou (19) in de zaal gemasturbeerd met haar vingers en de pen waarmee ze in het boek schreef: ‘Mijn kut is niet voor mannen. Niet voor vrouwen. Mijn kut is voor wie haar aan kan.’
Madeleine (74) schreef “Mijn kut ruikt sinds mijn 63ste weer naar verlangen. Niet omdat daar een man is, maar omdat ik mezelf weer aai zoals vroeger: met tijd, zonder doel. Mijn lippen zijn dunner, maar als ik ze open, komt er nog steeds een gebed.”
Jolie (16) tekende een volle open kut en schreef tussen de schaamlippen “Ik dacht dat kutten stil moesten zijn. Maar de mijne zingt. Vooral in bad. En als ik naar haar ruik, ruik ik een meisje dat vrouw wil zijn zonder iemand anders toe te laten.”
Stephan (18) had er onder geschreven “mooi getekend en gezongen, Jolie. Als je ooit een duet wil zingen, a capella of met gitaarbegeleiding. Mail me.” Zijn mailadres was er aan toegevoegd. Weken later had hij in de kantlijn gekrabbeld ‘de zingende schaamlippen van Jolie gekust.’
Een paar dagen later schreef Yara (33) ‘ik ben trots op al die vrouwen die hier in schrijven.’ ‘Mijn kut is een grot. Niet donker. Ze is een echo. Als ik me er in vinger voel ik alle stemmen van de vrouwen vóór mij.”
François (41) biechtte op “Ik durf het niet tegen mijn vrouw te zeggen, maar jij windt me op Thérèse. Thuis heb ik me in de badkamer voor je afgetrokken en ik heb het zaad opgevangen in mijn zakdoek. Dat is mijn geschenk voor jou en laat ik hier achter.” In de vitrinekast lag een zakdoek, maar er zat ook een briefje in verstopt. Een paar woorden op een losgescheurd papiertje, een stukje van een kassabon: ‘Is dit jouw zakdoek, pap? xxx Aurelie.’
Op een opgevouwen A4 zonder lijntjes staat een tekst: “Ik werd wakker met een natte bilspleet. Niet van een droom. Maar van de herinnering aan gisteravond. Mijn vingers lagen nog op mijn heup, alsof ze nablijven wilden. Mijn kut gloeide. Niet in pijn, maar in de echo van hoe hij mij had vastgehouden terwijl ik hem verbood in me te komen. Dat verbod was mijn macht. Maar zijn tong, mijn god, zijn tong die was gehoorzaam én verwoestend. Hij likte me niet om mij te plezieren, maar omdat hij wilde weten hoe ik smaakte op het moment dat ik me open liet vallen als een abrikoos in de zon. En ik kwam. Niet zoals vroeger. Geen schok. Geen gil. Maar een diep binnenstebuiten draaien dat mijn binnenlippen deed trekken en mijn kut liet druppen tot op de lakens. Daarna zei hij niets. Hij keek. En ik hield mijn benen open. Niet voor hem. Voor mezelf. Om te voelen dat ik op mijn 52e niet alleen vrouw ben, maar vulva in extase, baarmoeder van glorie, en tempel van eigen ritme. Ik heb het slipje niet uitgewassen. Ik vouwde het dubbel, en legde het in de vitrinekast. Als je dit leest, ruik dan. En weet: zij leeft. zij komt. en zij schrijft zichzelf open.” L. En een onherleidbaar mailadres.
Als we verder bladeren zien we op pagina 37 een tekst geschreven door Zoë (16). Het was in potlood geschreven, met onregelmatige, bijna trillende lijnen. ‘Ik weet nog niet precies hoe ik het moet noemen, dat gevoel daar tussen mijn benen als ik in bed lig met mijn handen op mijn onderbuik en mijn hoofd vol verhalen die ik niet mag vertellen. Het begint vaak als een soort zwaarte. Een trek naar beneden. Alsof iets in mij vraagt dat ik open moet gaan zonder dat iemand het ziet. Maar ik zie het wel. Ik voel hoe ik nat word. Eerst een beetje. Dan meer. Soms duw ik mijn pyjamabroek tussen mijn benen en dan… dan druk ik. Ik weet niet of dat ‘klaarkomen’ is. Ik weet alleen dat het warm wordt, tintelt, en dat ik achteraf mijn slipje onder mijn neus hou en denk: dit ben ik. En ik schaam me niet meer. Ik schrijf dit op omdat ik denk dat mijn kut misschien ouder is dan ik. En zij mag praten. Zacht. Naar wie luistert. Misschien jij?’
Sebas had er ondergeschreven: ‘mag ik luisteren, in het gras, zonder pyama?’
En daar onder, in potlood: ‘ik heb geluisterd. En gekust. Niet alleen jouw vingers trillen – je vibreert mooi, Zoë.’ En in het eerste handschrift, dat van Zoë: ‘lief dat je luisterde en ik je warmte tussen mijn billen voelde stromen. Je smaakt naar meer. Paars hartje.’
En op pagina 41 en 42 een dubbele pagina, beschreven door F. (28) & M. (31) (in elkaars handschrift geschreven, zinnen vloeien over in elkaar)
F.: We lagen naakt op de keukenvloer. Niet gepland. Jij rookte nog. Ik had mijn hoofd tussen jouw dijen en mijn tong had de smaak van wijn en jou.
M.: Je zei dat mijn kut zong. Maar jij was het die haar liet zingen. Je vinger bepaalde het ritme. Je adem tikte op mijn clit als regen op glas.
F.: Ik wilde niet in je komen. Ik wilde in je blijven.
M.: En ik trok je dieper. Mijn benen om je nek. Je neus tegen mijn nat. En toen kwam ik, met je naam in mijn mond, terwijl jouw vingers mijn billen vastgrepen alsof je me wilde bewaren.
Samen: We kwamen. Niet als eindpunt. Maar als hoofdstuk. En nu schrijven we. Met vocht nog tussen onze dijen. Met liefde op onze lippen. Deze bladzij is nat van ons. Hou het papier tegen je mond als je dit leest en proef. Dit is zijn lulkrabbel, haar kutschrift. En het is geilig en heilig.
Op p. 64 schreef Mireille (67) *Ik dacht dat ik voorgoed gesloten was. Mijn man is vijf jaar dood, mijn kinderen zijn getrouwd, mijn borsten hangen en mijn kut bloedt niet meer. Maar ik was nog niet dood. Alleen vergeten. Op een middag zat ik op de rand van mijn bed. Ik had een washandje gepakt. Niet omdat ik geil was, maar omdat ik iets miste wat geen woorden had. Mijn vinger gleed. Langzaam. En toen voelde ik: mijn kut ademde. Ze was nog steeds open. Ik kwam. Niet als een explosie, maar als een traan die van binnenuit rolde. Daarna heb ik mijn slipje op het balkon gehangen. Voor de wind. Voor de lucht. Voor Thérèse. Als een vlag. En ik schrijf dit nu, als een dankzegging aan mijn natte herinnering die zich pas openvouwde toen niemand meer keek.*
Op p. 75 schreef Noor (18), samen met haar nichtje Eli (19)
We lagen al tegen elkaar aan. Eli had haar hand al tussen mijn benen voor ik wist dat ik nat was. “Mag ik?” vroeg ze. Maar haar vinger had het al gevraagd. Ik kwam niet van haar aanraking, maar van haar blik. Van haar adem in mijn hals terwijl mijn kut drupte op haar dij. We schreven samen deze zin, met mijn vocht als inkt op haar vingers: “Wij zijn geen zussen. Wij zijn spiegels.”
Het boek vult zich. En geen bladzijde is hetzelfde. Sommige zijn geschreven tijdens het klaarkomen, sommige daarna, sommige met bloed, sommige met glijmiddel, sommige met niets dan geur, een enkele met zaad. Zo lezen we het verhaal van Mathieu (26), een jonge student die tegenover het schilderij ontdekt dat kijken soms te dichtbij komt.
Ik ging tegenover haar zitten omdat iedereen dat deed.
Niet tegenover het schilderij alleen, tegenover die houding. Die half geopende stilte van haar lichaam. De zaal was bijna leeg die middag. Alleen het zachte geluid van schoenen op museumvloer, iemand die kuchte in een andere ruimte, het droge zoemen van lampen boven het doek.
En daar lag ze. Niet verleidelijk op een gewone manier. Eerder alsof ze zich nergens van bewust was en daarom juist onmogelijk te negeren. Ik bleef langer zitten dan gepland. Mijn benen gespreid, mijn handen tussen mijn knieën geklemd alsof ik mezelf bijeen wilde houden. Want iets in mij begon te reageren. Niet alleen lust; dat zou makkelijker zijn geweest. Maar een soort duizeling, alsof ik ineens begreep hoeveel verlangen er kan bestaan in stilstand.
Hij schrijft verder in kleinere letters: Ik schaam me niet voor wat mijn lichaam daar voelde.
Ik schaam me eerder voor hoe weinig woorden mannen meestal hebben voor zulke momenten. Dus ja, ik maakte mijn rits los, raakte mezelf aan. Half verborgen onder mijn jas, nerveus, half bang dat iemand het zou merken. Niet uit triomf. Niet uit vulgariteit. Maar omdat de spanning ergens heen moest. En ik spoot. Ik spoot op de vloer. Ik keek naar haar, naar de vloer, en glimlachte, stond op en ik kon je blik niet meer ontwijken. Ook al was je geschilderd. En voor het eerst dacht ik: misschien is verlangen niet het bezit van een lichaam, maar het besef dat een ander lichaam in wezen altijd onbereikbaar zal blijven.
Onderaan staat, met andere inkt: “Hij dacht dat hij naar haar keek. In werkelijkheid keek hij eindelijk naar zichzelf. En hij zag niet dat ik naar hem keek. En nat werd. Van hem. En toen hij weg was stiekem met een vinger over de vloer gleed en hem proefde.”
Langzaam maar zeker vult het Kutboek zich. Niet met alleen met inkt en potlood of printouts, maar ook met geur, vocht, schaduw, en zinnen die druipen van waarheid. Bladzijde na bladzijde trekt zich open als een schaamlip, een binnenruimte die geen roman wordt, maar een ritueel lichaam van taal. Het ruikt. Het plakt. Het herinnert.